Loading

Oorlog in Kosovo Photo's & Tekst © Sjaak Verboom

Met donderend geraas dendert het vliegtuig waarin ik zit over de startbaan. Maar al het gebrul van de straalmotoren heeft iets wanhopigs. Het toestel wil niet harder. Al eindeloos lang is de neus opgetrokken terwijl de achterwielen gekleefd blijven aan het asfalt. Als een vluchtend dier probeert het los te komen van de startbaan, maar het lukt niet. En ik weet: iets verderop eindigt de baan abrupt in zee.

Hoe kan dit vliegtuig, met mij aan boord verongelukken? Is het te zwaar? Hoe kan het te zwaar zijn? Elke plaats is bezet, maar hoe kan een toestel dan te zwaar zijn? Het is toch een eenvoudig rekensommetje: zoveel mensen met zoveel bagage is zoveel kilo- dus dan moeten de motoren zo sterk zijn. Dan kan het toch niet te zwaar zijn? Ik verbaas me over de gekmakende traagheid van deze luchtreus en over de snelheid van mijn gedachten.

En ineens, in een flits zie ik het einde van de startbaan. De zon stort bakken licht op de zeespiegel die in scherven lijkt te breken. Ik raak verblind. Ik proef het zoute water. Ik hoor het schreeuwen van een kind. Mijn lippen tegen haar betraande gezichtje.

De mensen om mij heen zingen: ‘Veilig in Jezus’ armen’.

Een vrouw huilt.

Een man draait zich om, wijst naar het kind in mijn armen en zegt dat de vader gedood is door de Serviërs. Ik geef het krijsende kind aan de jonge moeder. De jonge weduwe. Ze trekt haar slonzige T-shirt omhoog en geeft het de borst.

Het wordt stil. Het zingen stopt. Het wordt stil om me heen.

Overal bidden mensen. Moslims bidden tot Jezus. Pijn en vreugde raken hier elkaar. Ik kijk verwonderd om mij heen.

‘Dit is Tirana’, zegt de stem van mijn herinnering. ‘Dit is de kerkdienst die je daar meemaakte.’

Ik zie de mooie Kosovaarse vrouw. Ze vertelde dat ze journalist is. Ze is zo hard. Het doet pijn haar zo te zien. Ik zou met haar willen praten, maar krijg de kans niet. En terwijl ik voor haar bid, vervaagt haar gezicht.

Ergens gaat een deur open.

Buiten regent het. Vanuit onherbergzame oorden waait een kille wind. Kinderen springen over riviertjes van regenwater. Vrouwen koken in de stromende regen op houtvuurtjes. En de mannen? De mannen, die zie je niet. Hier zijn geen mannen. Ja, ik ben hier. De vrouwen en kinderen kijken naar mij. Ze zien dat ik ga zitten. Dat ik natregen. Ze moeten zien dat mijn gedachten mijn lichaam alleen achterlaten. Daar zit een man alleen, op die stenen vlakte van Kukes.

Ik voel weer de handdruk van die jonge vrouw uit Korca. Ik zie haar ogen, en ik hoor haar stem: ‘Help ons alsjeblieft. Doe iets voor ons. Denk aan mijn kinderen.’ Ik sta er wat onbeholpen bij. Ik knik. Wijs naar mijn camera. Ik zie mezelf iets terugzeggen wat bedoeld is als bemoediging. Ze is snel tevreden. Ze glimlacht naar me.

Mijn gedachten zijn als een fotoboek in de wind. In hoog tempo wapperen de bladzijden om. Met de plaatsen: Durres, Tirana, Sarande, Kukes, Shijak, Korca. En met de mensen: De huilende moeder in ‘het Hotel’ van Durres.

De lachende kinderen in een tentenkamp- alsof het allemaal een vakantie is. De oude vrouw-alleen op de wereld. De prachtige Albanese vrouw- als een engel in dit tranendal. De man met het kapotte gebit.

Weer een kind. Nog een kind. Een man. Een stel weggeworpen kunstbenen- de vlucht is ten einde. Een kind. Een traan. Kinderen. Een lach. Vrouwen. Ouderen. Kinderen. Kinderen.

En veel lege plaatsen. Ontbrekende mannen, vrouwen, vaders, moeders, kinderen. Zoek geraakt tijdens de vlucht

En ineens begrijp ik het. Plotseling doorzie ik waarom het vliegtuig niet omhoog wil. Al die mensen, al die mannen, die vrouwen maar vooral al die kinderen, ik neem ze mee. Ze hebben ergens een plaatsje gekregen in mij.

Zoveel gezichten. Zoveel verhalen. Zoveel tranen. En toch ook, zoveel geluk. Dit gewicht is te hoog. Er vliegen teveel mensen mee die niet op de passagierslijst staan. Het toestel is veel te zwaar om zomaar, net alsof er niets gebeurd is, mij weg te dragen uit dit land, Albanië.

Na de oorlog ligt er een bloem op elke schooltafel in Kosovo van een kind dat is omgekomen.

sjaak verboom- mei 1999

Credits:

© Sjaak Verboom