Loading

Het Leven van Manjula Photo's & Text © Sjaak Verboom

Haar hand voelt als een dood huisdiertje, zacht en koud, ondanks de zinderde hitte. Met haar linkerhand heeft ze haar rechterhand in de mijne gelegd. We rijden in een grote auto bij meer dan veertig graden door het stof en het vuil naar haar grootouders. Eén keer per maand gaat ze bij hen op bezoek. De schuddende auto beweegt haar dode handje in de mijne. Ze kijkt me vluchtig aan, ze lacht.

Manjula is een vrouw zonder kansen. Ze is een Dalit, een paria, een kasteloze. Drieëntwintig jaar geleden is ze geboren in een dorpje in Zuid-India. Ze werd geslagen door de polio. Als anderhalfjarig kind stonden haar ouders haar af aan een kindertehuis in de grote stad Chennai.

Elke kans is er een, moeten de ouders gedacht hebben. Geslachten lang, drieduizend jaar al was hun familie door het kastensysteem afgeschot van de rest van de Indiase samenleving. Dalits mogen zelfs niet aangeraakt worden. Een koe is van groter waarde.

Nu is dat anders. De overheid heeft maatregelen getroffen om de discriminatie van Dalits tegen te gaan, maar het stigma is gebleven. Vooral in de dorpen.

De auto rijdt door de zinderende hitte over de slechte weg. Haar hand ligt in de mijne en ik zou heel zacht met mijn lippen de huid van haar hand willen aanraken, maar ik durf niet.

Jarenlang verbleef de jonge Manjula in het kinderhuis in de grote stad. Tot die dag, bijna twintig jaar geleden, die haar ook nu nog doet zwijgen. Ze keerde voor een korte vakantie terug naar huis en trof daar alleen haar grootouders aan. Die verzwegen het ergste, zeiden alleen: 'Papa en mama komen nooit meer terug.'

Manjula tikt de chauffeur op de schouder. Ze wil wat lekkere dingen voor haar opa en oma kopen. De auto stopt op een marktje. Door het geopende raam doet ze inkopen. Lopen kan ze eigenlijk niet want ook haar twee voeten zijn vergroeid door de polio. Hulpmiddelen kreeg ze ooit, maar die zijn kapot en geld voor nieuwe heeft ze niet.

Ik vond haar in het kantoortje van een grote school in Kallakurichi. Daar werkt ze als cassière. Ze is verantwoordelijk voor de transportkosten van de school waar meer dan tienduizend kinderen onderwijs krijgen. Zelf kreeg ze de kans om een computercursus te volgen bij een school van de Leprazending. Ze had weliswaar geen lepra gehad maar door haar handicaps viel ze toch binnen het toelatingsprofiel van de school.

Ze is dol op haar werk. Ze is een vechter. Als ze even niets te doen heeft, haalt ze een cursusboekje Engels te voorschijn. 'Ik denk aan mijn toekomst,' zegt ze vastberaden. Ik sta naast haar bureautje en vraag waar ze woont: 'Waar woon je, kook je. Waar leef je?' Ze wijst om zich heen: 'Dit is mijn huis.' Eerst begrijp ik het niet goed. 'Ja, ja, dit is je werkplek, maar waar woon je?'

Dan blijkt dat ik het toch wel goed heb gehoord. Het antwoord gaat alleen mijn voorstellingsvermogen te boven. Ze werkt hier niet alleen, maar dit is ook haar huisje. 's Avonds schuift ze de bureaus opzij, rolt zij haar slaapmatje uit en gaat liggen. Met twee andere meisjes deelt ze deze kamer. Haar baas zorgt goed voor haar. Hij heeft zelfs een televisie neergezet zodat de meisjes zich kunnen vermaken. Eten krijgen ze van de centrale keuken van de school.

Haar leefplek is onooglijk maar Manjula oogt blij en dat is niet verwonderlijk. Want ze moet leven met een drievoudige achterstand: Ze is vrouw. Ze is Dalit en daarbij is ze gehandicapt. Ingrediënten die hier in India, op z'n best een carrière in de prostitutie garanderen.

Door het open autoraam heeft Manjula wat koekjes gekocht voor haar grootouders en een traditionele bloemenkrans van jasmijn voor zichzelf. De auto zet zich weer in beweging. Met haar gezonde hand geeft ze de chauffeur aanwijzingen. De weg wordt steeds slechter. Dalits wonen doorgaans verscholen aan de rand van de dorpen of daarbuiten.

Tien minuten later staat de auto tussen een vervallen hutje van de grootouders en een mooi huisje van een oom en tante geparkeerd. Het was de blinde grootmoeder die als eerste op het geluid van de claxon afkwam. Haar handen tastten in de richting van het geluid. Haar ogen staarden naar de zon. Toen haar handen het dode handje van Manjula herkenden, wist ze wie er thuisgekomen was. De tranen sprongen in haar ogen. 'Kom, mijn kind. Kom!'

Manjula werd uit de auto geholpen, we gingen het huisje van de oom en tante binnen en daar zaten we. Manjula had blijkbaar iets over mijn aanwezigheid gezegd want de oude handen van de blinde vrouw vonden pas rust toen ze mijn handen hadden gevonden. Mijn armen. Mijn voeten.

En nu zitten we zwijgend bij elkaar.

Grootvader kijkt voor zich uit, grootmoeder huilt stille tranen en Manjula kijkt intens gelukkig naar mij.

'Ik ben niet mooi,' had ze tegen me gezegd. Maar zoals ik haar nu zie... ik zal een portret van haar maken. Het bijzondere licht tovert mijn spiegelbeeld in haar ogen. In haar kijk ik naar mezelf en vraag me af wat er door haar heen moet zijn gegaan toen deze jonge vrouw, een kind nog hoorde van het einde van haar ouders. Hoe vertel je een kind dat haar vader zich heeft verhangen? Dat haar moeder haar man vond en zijn voorbeeld volgde. Dat haar toekomst weg is. Hoe vertel je een kind dat zij wees is?

© Sjaak Verboom 2009

Credits:

Text and photo's © Sjaak Verboom