Loading

Summatieve opdrachten 19/12 18 t/m 22 maart 2019

Gooi het antwoordformulier niet weg!

KIJK WAT JE FOUT HEBT GEDAAN EN BESTUDEER DAT ONDERDEEL!

(Alles wat je niet tijdens de les hebt ingevuld, telt NIET mee!)

Opdracht 1

Persoonsvorm

Wat is de persoonsvorm?

1. Door de storm waaiden de pannen van het dak.

2. Ik sloeg de spijker op de kop.

3. Na de voorstelling bleven we nog even hangen.

4. September was dit jaar erg nat.

5. De leraar heeft het proefwerk nagekeken.

6. Hij zou dat wel even doen.

7. Ajax kan de volgende ronde nog halen.

8. Wennemars vergiste zich dit keer niet.

9. Zou jij dat even voor mij willen doen?

10. De opkomst viel erg mee.

Opdracht 2

Zinsdelen

Uit hoeveel zinsdelen bestaan de zinnen? (Schrijf het getal op!)

1. In het bejaardentehuis worden veel bejaarden door verplegers verzorgd.

2. Is die dure plant goed verzorgd door jou in de vakantie?

3. Is Jan alsnog naar zijn oma gegaan?

4. Mijn vader is vorige week geopereerd.

5. Is hij ook ontslagen bij de politie?

6. Bij de bakker is de dame gisteren geweest.

7. Is zij vorige week onderzocht in het ziekenhuis?

8. De druiventrossen worden geplukt in september.

9. Is vader toch naar zijn werk gegaan?

10. Onze vrienden zijn alweer op vakantie gegaan.

Opdracht 3

Naamwoordelijk gezegde

Wat is het koppelwerkwoord in de volgende zinnen?

1. Pieter is nooit een productieve werknemer geweest.

2. Breien is voor deze mannen heel makkelijk.

3. Na de schietpartij is de supermarkt snel beveiligd..

4. Volgens de minister blijft hulp aan Griekenland noodzakelijk.

5. Mijn broer is nu fan van de Beatles geworden.

6. Met twee linkerhanden word je nooit een goede bouwvakker.

7. Achteraf bleek deze kruiwagen de beste.

8. Tot grote verbazing werd onze collega na de loterijtrekking miljonair.

9. Met die bloemen is onze tuin prachtig dit jaar.

10. Breuken zijn voor deze klas heel moeilijk.

Opdracht 4

Werkwoordelijk gezegde

Wat is het zelfstandige werkwoord in deze zinnen?

1. Leon heeft volgende week zaterdag twee afspraken gemaakt.

2. De bewoners zongen een vrolijk lied.

3. Op de akker heeft de boer de aardappels gerooid.

4. De koks aten een dikke biefstuk.

5. Huilend heeft Erna een brief aan haar vriend geschreven.

6. De aanvallers belaagden het zwakke leger.

7. De postbode bezorgde een groot pakket.

8. In de ochtend heeft jouw docent een onvoldoende aan Lisa gegeven.

9. De hoofdrolspeelster kreeg een staande ovatie.

10. Voor elke dag heeft Rosa de juiste medicijnen ontvangen.

Opdracht 5

Onderwerp

Wat is het onderwerp in deze zinnen?

1. Heb jij het proefwerk aardrijkskunde goed geleerd?

2. Waarom heb je niet een mooie roman geschreven?

3. Heeft jouw zus weer een vervelend klusje bedacht?

4. Sonja heeft gisteren een lange huilbui gehad op school.

5. Wie van hen heeft vorige week een plasje gedaan in de keuken?

6. Heeft Jan de aardappels al gerooid?

7. Waarom doen jullie je werk niet?

8. Wie heeft de patat van Kees opgegeten?

9. Heeft Achmed voor jullie alsnog een schilderij gemaakt?

10. Hebben jullie de achterdeur op slot gedaan?

Opdracht 6

Lijdend voorwerp

Wat is het lijdend voorwerp in onderstaande zinnen?

1. Zij vergaf het haar man ondanks alle verdriet toch.

2. Gisteren heeft mijn opa Jan een fiets gegeven.

3. In Guatemala heeft een orkaan een hotel verwoest.

4. Gisteren heb ik een euro aan Thies gegeven.

5. In de boomgaard heeft de boer peren geplukt.

6. Een aantal mannen heeft voor mijn zieke broer een hut gebouwd.

7. Bij de douane hebben agenten de vluchteling een straf gegeven.

8. In het voorjaar heeft mijn vader een huis voor Anja gekocht.

9. Jij hebt voor drie dagen jouw auto aan Theo uitgeleend.

10. Gisteren heeft Arno een kus gekregen van Nicolien.

Opdracht 7

Meewerkend voorwerp

Wat is het meewerkend voorwerp in onderstaande zinnen?

1. Jullie lenen geen stoelen meer aan hen.

2. Zij verschafte mijn oom gedegen informatie over Amerika.

3. Joke bereidde voor Dirk een maaltijd.

4. Ik mailde mijn zus uitvoerige informatie over Jamaica.

5. Mijn moeder schonk ons haar servies.

6. Zij geven aan hem wel een auto

7. De uitgeverij gaf de nieuwe boeken aan leraren uit.

8. Marc bracht Suzan een lekker ontbijt.

9. Zij stuurden mij mooie bloemen uit Nederland.

10. De groenteboer gaf de komkommer aan Jan.

Opdracht 8

Voorzetselvoorwerp

Staat er een voorzetselvoorwerp in deze zinnen? JA of NEE?

1. Ik twijfel aan deze methode.

2. Ik ben niet tevreden met deze computer.

3. Ik luister niet graag naar hem.

4. Ik waarschuwde haar voor de gevolgen.

5. Ik verlang al maanden naar de skivakantie.

6. De genodigden stonden voor een gesloten deur.

7. De jas hangt aan de kapstok.

8. Zij werkt heel vaak in de mediatheek.

9. Hij wacht op het schoolplein.

10. Ik wacht al uren op de bus.

Opdracht 9

Bijwoordelijke bepaling

Hoeveel bijwoordelijke bepalingen staan in deze zinnen?

1. Ik geef morgen een cadeau aan Linde.

2. Vanavond ga ik naar mijn oma.

3. Hans zit op een mooi bankje.

4. Om half één ga ik naar de huisarts.

5. Ik zie een mooie, rode auto op het fietspad rijden.

6. Gisteren zouden wij op het IJsselmeer gaan zeilen.

7. Vanmorgen heeft hij haar het nieuws al verteld.

8. Volgende week moet je hem maar gaan helpen.

9. Tijdens de voorstelling was het voor de brugklassen erg rumoerig in de zaal.

10. Dat jaar ben ik vaak ziek geweest.

Opdracht 10

Bijvoeglijke bepaling

Hoeveel bijvoeglijke bepalingen staan in deze zinnen?

1. De dochter van de leraar werd een uitstekende tennisspeelster.

2. Het verslag van de bijeenkomst zal hij morgen maken.

3. De tiende braderie had weinig last van het slechte weer.

4. De vierde klas gaat naar de Spaanse stad Calella.

5. Oom Piet liep een dubbele beenbreuk op bij het ongeluk.

6. De nieuwe rector begon de bijeenkomst met een lange toespraak.

7. De pas verschenen dichtbundel kreeg een erg goede recensie l in de Volkskrant.

8. Ondanks de slechte omstandigheden haalden vrij veel lopers de eindstreep.

9. In ons gezin wordt l altijd brood van de warme bakker gegeten.

10. De meeste leerlingen vinden hem de beste van onze leraren.

Opdracht 11

Bijstelling

Met welk woord begint de bijstelling in onderstaande zinnen?

1. Het onderzoek werd geleid door de heer Pietersen, een deskundige op het gebied van belastingfraude.

2. De heer Lubbers, de toenmalige minister-president, kon zich van dat voorval niets herinneren.

3. De oud-burgemeester van Den Haag, Wim Deetman, was vroeger minister.

4. De oude dame droeg haar mooiste juwelen, een gouden ketting met oorbellen, alleen op feestdagen.

5. Saddam Hoessein, een gewetenloze potentaat, vergaste in de jaren tachtig zo'n tienduizend Koerden.

6. Ik liep door Amsterdam, een van de mooiste steden in ons land, met mijn zusje Lieselotte.

7. Bill Clinton, een sympathieke man, was vroeger de President van Amerika.

8. Wij droegen de tafel, een loodzware, naar de derde verdieping.

9. Onze docent, mevrouw Komma, is nogal vaak druk.

10. In Madrid, de hoofdstad van Spanje, at ik het lekkerste ijsje ooit.

Opdracht 12

Werkwoordspelling

Zet de werkwoorden in de o.t.t. tenzij uit de zin blijkt dat het een voltooid deelwoord of een werkwoord in de o.v.t. is.

1. McDonald's Nederland (plannen) _____ nogal wat veranderingen voor het komende jaar.

2. Zo werden hamburgers altijd van tevoren gebakken, maar vanaf nu (worden) _____ je hamburger ter plekke gemaakt.

3. Het eten wordt, volgens het nieuwe concept, namelijk pas gemaakt, wanneer je het (bestellen) _____.

4. Ook (bemannen) _____ de keten de filialen met meer medewerkers, zodat klanten persoonlijker worden geholpen.

5. Een kind in Oost-Europa (wennen) _____ er snel aan dat wolven onderdeel van de omgeving zijn, maar in Nederland zijn wolven heel lang niet voorgekomen.

6. De wolf was tussen 1800 en 1950 zo effectief afgeschoten, dat sommige rassen met uitsterven werden (bedreigen) _____.

7. Een man zag hem vorige week in de Drentse plaats Emmen en (posten) _____ een foto op Twitter.

8. Wolven komen veelvuldig in onze cultuur voor. Denk maar aan Roodkapje, het liedje 'Dodenrit' van Drs. P en het spelletje 'Weerwolven'. Heb jij weleens (weerwolven) _____?

9. Auto's (stoten) _____ vorig jaar minder CO2 uit dan in alle jaren ervoor.

10. De leaseauto heb ik dus de deur uitgedaan en dat heeft me nog geen moment (spijten) _____!

willembunnik@gmail.com

© 2019 - W. Bunnik

Credits:

Created with an image by 3844328 - "correcting proof paper"

Report Abuse

If you feel that this video content violates the Adobe Terms of Use, you may report this content by filling out this quick form.

To report a copyright violation, please follow the DMCA section in the Terms of Use.