Loading

DIGITALISERING EN DE OPSPORINGSPRAKTIJK een veilig digitaal special

ZOEKEN OP INTERNET

Grondslag voor zoeken op internet

Zoeken op internet zonder dat daarbij een meer dan geringe inbreuk op iemands privacy wordt gepleegd, doe je als politieambtenaar (opsporingsambtenaar, toezichthouder of hulpverlener) op dezelfde grondslag als het surveilleren in de fysieke omgeving, namelijk 3 Pw. Als opsporingsambtenaar is eenzelfde grondslag te vinden in 141/142 Sv. Je hebt daarbij vrije toegang tot de openbare plaatsen. Zodra met het zoeken op internet een meer dan geringe inbreuk wordt gemaakt op een grondrecht, is een expliciete wettelijke grondslag vereist. Wanneer er sprake is van een meer dan geringe inbreuk, laat zich niet eenvoudig aangeven. In elk geval is er sprake van een meer dan geringe inbreuk bij een observatie die, gelet op de duur, frequentie, intensiteit, plaats en methode, naar verwachting een min of meer volledig beeld van een bepaald aspect van iemands persoonlijk leven oplevert. Dit is aan te duiden als stelselmatige observatie.

Daarentegen oordeelde de Hoge Raad dat er geen sprake was van een stelselmatige observatie en was een observatiebevel 126g Sv niet vereist in geval van een reeks van 38 kortdurende, min of meer steekproefsgewijs uitgevoerde, waarnemingen in het openbaar4. Wanneer systematisch en gericht naar een persoon wordt gezocht op het internet – ook op het openbare deel - en daarbij een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van zijn leven kan worden verkregen, is sprake van stelselmatige informatie-inwinning of observatie, en is een bevel van de OvJ vereist, 126j en 126g Sv.

Het verschil tussen stelselmatige informatie-inwinning en observatie is in de Aanwijzing opsporing als volgt beschreven:

De bevoegdheid tot het stelselmatig inwinnen van informatie onderscheidt zich van de bevoegdheid tot stelselmatige observatie doordat de opsporingsambtenaar zich niet beperkt tot het stelselmatig volgen of het waarnemen van het gedrag van een persoon, maar actief interfereert in het leven van de verdachte of de betrokkene van een georganiseerd verband. Een opsporingsambtenaar die stelselmatig informatie inwint, zal zich op een zodanige wijze in de directe omgeving van de verdachte of de betrokkene ophouden dat hij daardoor met personen contacten onderhoudt uit die directe omgeving. Terwijl een opsporingsambtenaar die stelselmatig observeert slechts heimelijk het gedrag van die personen waarneemt.

In zijn algemeenheid verdient het de voorkeur te handelen op basis van een bevel 126j Sv, aldus het overleg van rechercheofficieren in hun toelichting op de Leidraad Bevoegdheden informatievergaring op internet. Hun overweging daarbij is dat op internet van het volgen van iemand of van waarneming van aanwezigheid of gedrag (126g Sv) immers minder sprake dan van informatie-inwinning (126j Sv). Anders dan een bevel 126g Sv kan een bevel 126j Sv echter alleen gericht zijn op een verdachte en kan het niet uitgevoerd worden door opsporingsambtenaren van de KMAR of bijzondere opsporingsdiensten.

Zoeken onder pseudoniem

In de memorie van toelichting bij de Wet computercriminaliteit II heeft de minister aandacht besteed aan het onder pseudoniem op het internet opereren door opsporingsambtenaren. Daarover merkt de minister op het op veel delen van het internet niet ongebruikelijk is om je er anoniem of onder pseudoniem te bewegen, zodat anderen er ook op bedacht zijn dat ze in werkelijkheid met iemand anders van doen hebben. Wanneer het pseudoniem echter als misleiding van andere gebruikers moet worden aangemerkt, moet het in zijn algemeenheid als ongeoorloofd worden beschouwd.

Het is verboden om opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens van een ander te gebruiken met het oogmerk om je identiteit te verhelen of de identiteit van de ander te verhelen of misbruiken wanneer uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, 231b Sr. Bij het gebruik van een pseudoniem is het daarom aan te bevelen na te gaan of identiteitsgegevens van een bestaand persoon worden gebruikt en of uit dat gebruik voor die persoon nadeel kan ontstaan.

Zoeken naar voorwerpen

De wet biedt de mogelijkheid om te zoeken naar voorwerpen die vatbaar zijn voor inbeslagneming. Het zoeken naar voorwerpen heeft dus de inbeslagneming tot doel. Daarom zal eerst kort worden stilgestaan bij de inbeslagnemingsbevoegdheid, waarna een aantal bevoegdheden wordt toegelicht die het zoeken naar voor in beslagneming vatbare voorwerpen mogelijk maakt.

In beslag nemen of vastleggen

Om gegevens in bezit te krijgen die op een computer, een gegevensdrager, zijn opgeslagen, zijn er drie mogelijkheden:

a. de computer met deze gegevens in beslag nemen,

b. een kopie van de opgeslagen informatie maken. De wet noemt dit ‘gegevens vastleggen’, 125i Sv, en

c. het vorderen van de opgeslagen gegevens, 126n Sv e.v. Op juridische en tactische gronden wordt gekozen voor inbeslagneming, vastlegging of vordering van gegevens. De rechtsbeginselen van proportionaliteit en subsidiariteit vormen daarbij belangrijke afwegingen.

Proportionaliteitsbeginsel: staan bijvoorbeeld de gevolgen van de inbeslagneming van een computer wel in redelijke verhouding tot het gepleegde strafbare feit. Als dit niet in een redelijke verhouding tot elkaar staat, mag de inbeslagneming niet plaatsvinden op grond van het proportionaliteitsbeginsel. Subsidiariteit: zijn andere, minder ingrijpende, dwangmiddelen voorhanden om het gewenste doel te bereiken. Als het doel, bijvoorbeeld waarheidsvinding, met een minder ingrijpend dwangmiddel kan worden bereikt, is de inzet van een meer ingrijpend dwangmiddel niet toegestaan.

Bij inbeslagneming neemt of houdt een opsporingsambtenaar een voorwerp ten behoeve van de strafvordering onder zich, 134 lid 1 Sv. Dit brengt met zich mee dat degene onder wie het voorwerp in beslag wordt genomen, er vanaf dat moment niet meer over kan beschikken. Opgeslagen gegevens kunnen niet in beslag worden genomen zonder de gegevensdrager in beslag te nemen. Inbeslagneming van de gegevensdrager is soms onwenselijk of zelfs onmogelijk. Daarom wordt de mogelijkheid geboden om gegevensdragers te doorzoeken ter vastlegging van gegevens, 125i Sv e.v., of de gegevens te doen verstrekken door degene bij wie de gegevens zijn opgeslagen, 126n Sv e.v.

In beslag nemen

Om een voorwerp in beslag te mogen nemen, moet:

a. het voorwerp vatbaar zijn voor inbeslagneming, en

b. degene die het voorwerp in beslag neemt, daartoe bevoegd zijn.

a. waarheidsvinding, het voorwerp kan de waarheid aan de dag brengen;

b. aantonen wederrechtelijk verkregen voordeel, niet te verwarren met conservatoir beslag op grond van 94a Sv;

c. verbeurdverklaring, het voorwerp kan als bijkomende straf worden verbeurdverklaard. Dit is een vermogensstraf, zoals ook een geldboete dat is, en kan bij misdrijven en overtredingen worden opgelegd, 33 Sr. Welke voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, is opgesomd in 33a en 33b Sr;

d. onttrekking aan het verkeer, dit zijn voorwerpen genoemd in 36c en 36d Sr, waarvan het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet of het algemeen belang. Te denken valt bijvoorbeeld aan kinderporno.ijd is met de wet of het algemeen belang. Te denken valt bijvoorbeeld aan kinderporno.

Voor de bevoegdheid tot inbeslagneming is voor de opsporingsambtenaar vooral 96 Sv van belang. Dit artikel geeft de opsporingsambtenaar de bevoegdheid om daarvoor vatbare voorwerpen in beslag te nemen in geval van:

a. ontdekking van een strafbaar feit op heterdaad, of

b. verdenking van een misdrijf als omschreven in 67 lid 1 Sv.

Bij inbeslagneming op grond van 96 Sv is de opsporingsambtenaar bevoegd om daartoe elke plaats te betreden. Bij het betreden van een woning gelden de vormvoorschriften van de Awbi. Degene die de verdachte aanhoudt of staande houdt, is bevoegd vatbare voorwerpen door deze met zich gevoerd, in beslag te nemen, 95 Sv. Deze bevoegdheid voegt voor de opsporingsambtenaar in slechts weinig gevallen iets aan de bevoegdheid van 96 Sv toe, bijvoorbeeld de inbeslagneming in geval van verdenking van een misdrijf dat niet is omschreven in 67 lid 1 Sv waarbij de verdachte een paar dagen na ontdekking van het feit wordt staande gehouden en hij een voor inbeslagneming vatbaar voorwerp met zich draagt.

De opsporingsambtenaar maakt van de inbeslagneming altijd een kennisgeving van inbeslagneming op, zelfs in het geval de bevoegdheid tot inbeslagneming toekomt aan de RC of OvJ, 94 lid 3 Sv. Zoveel mogelijk wordt aan degene bij wie een voorwerp in beslag is genomen, een bewijs van ontvangst afgegeven. De opsporingsambtenaar stelt de kennisgeving zo spoedig mogelijk in handen van de HOvJ om te beoordelen of het beslag moet worden gehandhaafd, 94 lid 3 Sv. De (H)OvJ is bevoegd het beslag eventueel te beëindigen en het voorwerp terug te geven aan de beslagene, 116 lid 1 Sv.

Onderzoek aan de kleding

Op zoek naar voor inbeslagneming vatbare voorwerpen mag in bepaalde gevallen aan de kleding van personen worden onderzocht. Dit onderzoek mag zo grondig gebeuren dat zomen van kleding en voering van jassen mogen worden losgehaald.

De bevoegdheid om een persoon aan zijn kleding te onderzoeken, kent in meerdere wettelijke bepalingen een basis: opsporingsfouilleringen in het Wetboek van Strafvordering, de Opiumwet, de Wet Wapens en Munitie, de veiligheidsfouillering in de Politiewet, enz. In deze reader worden de meest bevoegdheden uit het Wetboek van Strafvordering (Sv) besproken.

Als een voor inbeslagneming vatbaar voorwerp wordt aangetroffen bij de rechtmatige uitoefening van een andere bevoegdheid, dan mag dit voorwerp evengoed in beslag genomen en onderzocht worden op basis van voortgezette toepassing van bevoegdheden, HR NJ 1936, 250.

Opsporingsfouillering, 56 lid 4 Sv

De opsporingsambtenaar is zelfstandig bevoegd de aangehouden verdachte tegen wie ernstige bezwaren bestaan, aan zijn kleding te onderzoeken, 56 lid 4 Sv. Met ernstige bezwaren wordt bedoeld dat er een zware verdenking op de verdachte rust, het moet waarschijnlijk zijn dat de verdachte het feit heeft gepleegd. Vereist is dat het onderzoek wordt uitgevoerd nadat de verdachte is aangehouden. Het is niet relevant of de verdachte voorafgaand aan het onderzoek aan de kleding is voorgeleid aan de (H)OvJ . Het onderzoek moet op een besloten plaats worden uitgevoerd en voor zover mogelijk door personen van hetzelfde geslacht als de verdachte, 56 lid 3 Sv.

Identiteitsfouillering, 55b lid 1 Sv

Opsporingsambtenaren zijn zelfstandig bevoegd om een aangehouden of staande gehouden verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, en tevens voorwerpen die hij bij zich draagt of met zich voert te onderzoeken, voor zover dat noodzakelijk is voor de vaststelling van zijn identiteit. Die noodzaak bestaat bijvoorbeeld als er twijfel is over de juistheid van de opgegeven identiteit of als er geen personalia zijn opgegeven. De identiteitsfouillering wordt alleen in het openbaar uitgevoerd als dit redelijkerwijs noodzakelijk is om wegmaking of beschadiging van voorwerpen waaruit de identiteit zou kunnen blijken, te voorkomen, 55b lid 2 Sv. Bij voorwerpen die de verdachte met zich voert of bij zich draagt, kan gedacht worden aan bagage die verdachte bij zich heeft. Bijvoorbeeld in een handtas, fietstas of in het dashboardkastje van een auto

Opsporingsfouillering RC, 195 lid 1 en lid 3 Sv

De RC is bevoegd om, ambtshalve of op vordering van de OvJ, te bevelen dat een niet aangehouden verdachte tegen wie ernstige bezwaren bestaan, aan de kleding wordt onderzocht, 195 lid 1 Sv. Net als bij de opsporingsfouillering 56 Sv, zijn ernstige bezwaren vereist. In geval van dringende noodzakelijkheid is de RC bovendien bevoegd om te bevelen dat een ander persoon dan de verdachte aan de kleding wordt onderzocht.

Van dringende noodzakelijkheid kan sprake zijn als er geen andere manieren zijn om dit bewijs te verkrijgen (Van der Meij 2013, aant. 2). Bijkomende voorwaarde is wel dat er wordt vermoed dat deze persoon sporen van het strafbare feit aan het lichaam of de kleding draagt, 195 lid 3 Sv. Dit vermoeden kan bijvoorbeeld gebaseerd zijn op de mededeling dat deze persoon met zijn telefoon foto’s heeft gemaakt die de waarheid aan de dag kunnen brengen. Deze persoon hoeft zich daarvan niet bewust te zijn. Als deze persoon echter opzettelijk sporen wegmaakt of verbergt, is hij mogelijk verdachte ter zake van 189 lid 1 Sr.

Het onderzoek aan de kleding moet op een besloten plaats en, voor zover mogelijk, door iemand van hetzelfde geslacht worden uitgevoerd, 195 lid 4 Sv. Het bevel tot onderzoek aan kleding wordt niet gegeven dan nadat de betrokken persoon daarover is gehoord, 195 lid 5 Sv.

Onderzoek aan of in het lichaam

Het onderzoek aan het lichaam omvat het uitwendig schouwen van het lichaam, behoudens het uitwendig schouwen van de openingen en holten van het onderlichaam.9 Onder onderzoek in het lichaam wordt verstaan: het uitwendig schouwen van de openingen en holten van het onderlichaam, röntgenonderzoek, echografie en het inwendig manueel onderzoek van de openingen en holten van het lichaam. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een arts, maar wordt niet uitgevoerd als dit om bijzondere geneeskundige reden onwenselijk is, 56 lid 2 en 195 lid 2 Sv. Het bevel tot onderzoek aan of in het lichaam richt zich tot degene die het onderzoek uitvoert en niet tot de verdachte. Als de verdachte niet meewerkt, is hij daarvoor niet strafbaar. Hij moet het onderzoek wel dulden. Bij tegenwerking is er mogelijk sprake van beletten, belemmeren of verijdelen in de zin van 184 lid 1 Sr.

Onderzoek aan het lichaam, 56 lid 1 Sv

De (H)OvJ voor wie de verdachte wordt geleid of die deze zelf heeft aangehouden, is bevoegd om bij het bestaan van ernstige bezwaren, te bevelen dat de verdachte aan zijn lichaam wordt onderzocht. Het onderzoek wordt op een besloten plaats en voor zover mogelijk door iemand van hetzelfde geslacht als de verdachte uitgevoerd 56 lid 3 Sv.

Onderzoek in het lichaam, 56 lid 2 Sv

De OvJ kan bij ernstige bezwaren en in het belang van het onderzoek bepalen dat de verdachte in zijn lichaam wordt onderzocht. Dit is een verregaande bevoegdheid die niet aan de HOvJ toekomt. Het onderzoek moet bovendien door een arts moet worden uitgevoerd.

Onderzoek aan het lichaam RC, 195 lid 1 en 3 Sv

De RC is bevoegd om, ambtshalve of op vordering van de OvJ, te bevelen dat een niet aangehouden verdachte tegen wie ernstige bezwaren bestaan, aan zijn lichaam wordt onderzocht, 195 lid 1 Sv. Er zijn ernstige bezwaren vereist. In geval van dringende noodzakelijkheid is de RC bovendien bevoegd om te bevelen dat een ander persoon dan de verdachte aan zijn lichaam wordt onderzocht. Van dringende noodzakelijkheid kan sprake zijn als er geen andere manieren zijn om dit bewijs te verkrijgen (Van der Meij 2013, aant. 2). Bijkomende voorwaarde is wel dat er wordt vermoed dat deze persoon sporen van het strafbare feit aan het lichaam draagt, 195 lid 3 Sv. Dit vermoeden zal moeten worden geobjectiveerd, bijvoorbeeld doordat is gezien dat deze persoon in het bezit is van sporenmateriaal. Deze persoon zal zich daar mogelijk niet van bewust zijn. Als deze persoon opzettelijk sporen wegmaakt of verbergt, is er mogelijk sprake van overtreding van 189 Sr.

Onderzoek in het lichaam RC, 195 lid 2 Sv

De RC is, ambtshalve of op vordering van de OvJ, bevoegd te bevelen dat de verdachte in zijn lichaam wordt onderzocht. De verdachte hoeft niet te zijn aangehouden. Wel moeten er ernstige bezwaren tegen hem bestaan.

Doorzoeken van plaatsen

Ter inbeslagneming mogen plaatsen worden doorzocht. In zijn algemeenheid geldt daarbij dat de verdachte bevoegd is om zich tijdens het doorzoeken door zijn raadsman te doen bijstaan zonder dat de doorzoeking daardoor mag worden opgehouden, 99a Sv. Bij verschoningsgerechtigden, 218 Sv, worden brieven of andere geschriften waarover hun plicht zich uitstrekt niet in beslag genomen, tenzij zij daar toestemming voor hebben gegeven, 98 lid 1 Sv. Bij het doorzoeken van woningen:

a. wordt, tenzij het belang van het onderzoek dit vordert, slechts tot inbeslagneming overgegaan nadat de bewoner of, bij zijn afwezigheid, een van zijn huisgenoten is gehoord en vruchteloos is uitgenodigd het voorwerp vrijwillig af te geven, 99 lid 1 Sv;

b. gelden de vormvoorschriften Awbi:

  • - voorafgaande legitimatie,
  • - mededeling doel binnentreden,
  • - toestemming vragen en
  • - schriftelijke machtiging bij ontbreken toestemming (geldt niet voor RC), 1 en 2 Awbi.

Voorts geldt de ‘gouden regel’ dat het doorzoeken van woningen primair de bevoegdheid is van de RC, 110 Sv. Bij dringende noodzakelijkheid en als het optreden van de RC niet kan worden afgewacht, komt deze bevoegdheid toe aan de OvJ en in laatste instantie aan de HOvJ, 97 Sv. Een machtiging van de RC is in die gevallen vereist, 97 lid 2 Sv. Als bij het doorzoeken van plaatsen een gegevensdrager wordt aangetroffen, dan kan deze ter plaatse ter vastlegging van gegevens worden doorzocht, 125i Sv.

Doorzoeken alle plaatsen RC, 110 Sv

De RC is bevoegd alle plaatsen te doorzoeken. Deze bevoegdheid kan zowel bij misdrijven als overtredingen worden toegepast en geldt voor alle plaatsen: woningen, schuren, kantoren, enz. De doorzoeking vindt plaats onder leiding van de RC en in aanwezigheid van de OvJ; als de OvJ is verhinderd, is een HOvJ aanwezig, 110 lid 2 Sv. De RC is tot inbeslagneming van alle daarvoor vatbare voorwerpen bevoegd. Buiten het geval hij uit hoofde van de artikelen 181 tot en met 183 Sv onderzoekshandelingen verricht, vindt inbeslagneming door de RC slechts plaats op vordering van de OvJ, 104 lid 1 Sv. De RC is bevoegd op vordering van de OvJ, en indien hij uit hoofde van de artikelen 181 tot en met 183 Sv onderzoekshandelingen verricht tevens ambtshalve, te bevelen dat hij die redelijkerwijs moet worden vermoed houder te zijn van een voor inbeslagneming vatbaar voorwerp, dit ter inbeslagneming aan hem zal uitleveren of op de griffie van de rechtbank zal overbrengen, een en ander binnen de termijn en op de wijze bij het bevel te bepalen, 105 lid 1 Sv.

Deze vordering:

  • - kan niet worden gericht aan de verdachte, 96a lid 2 Sv,
  • - hoeft niet te worden uitgevoerd door verschoningsgerechtigden en geheimhouders, 96a lid 3 Sv,
  • - mag bij brieven alleen als die afkomstig zijn van, bestemd voor of betrekking hebben op de verdachte, of voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben, 96a lid 4 Sv.
Doorzoeken woning en kantoor geheimhouder OvJ, 97 Sv

Als de komst van de RC niet kan worden afgewacht, dan is de OvJ bevoegd om een woning zonder toestemming van de bewoner en een kantoor van en geheimhouder ter inbeslagneming te doorzoeken, 97 lid 1 Sv. Voorwaarden hiervoor zijn:

  • - de komst van de RC kan niet worden afgewacht en er is sprake van dringende noodzakelijkheid;
  • - er is sprake van een geval van ontdekking van een strafbaar feit op heterdaad of verdenking van een misdrijf 67 lid 1 Sv.

Als ook het optreden van de OvJ niet kan worden afgewacht, dan is onder dezelfde voorwaarden de HOvJ bevoegd de doorzoeking te verrichten, 97 lid 3 Sv. In afwachting van de komst van de tot doorzoeking bevoegde mag de situatie worden bevroren, 97 lid 5 Sv. Dat brengt met zich mee dat wanneer niet wordt gewacht op de komst van de RC, goed moet worden gemotiveerd waarom de komst van de RC niet kon worden afgewacht.

Doorzoeken plaatsen OvJ, 96c Sv

In geval van ontdekking van een strafbaar feit op heterdaad of een verdenking van een misdrijf 67 lid 1 Sv, is de OvJ bevoegd om elke plaats ter inbeslagneming te doorzoeken, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner en een kantoor van een verschoningsgerechtigde, 96c lid 1 Sv. Bij dringende noodzakelijkheid en als het optreden van de OvJ niet kan worden afgewacht, is de HOvJ eveneens bevoegd. Voorafgaand is een machtiging van de OvJ vereist. Als deze vanwege de vereiste spoed of de onbereikbaarheid van de OvJ niet tijdig kan worden gevraagd, kan de machtiging binnen drie dagen na de machtiging door de OvJ worden verleend. Weigert de OvJ de machtiging, dan draagt de HOvJ er zorg voor dat de gevolgen van de doorzoeking zoveel mogelijk ongedaan worden gemaakt, 96c lid 2 Sv.

De doorzoeking vindt plaats onder leiding van de (H)OvJ , 96c lid 3 Sv. In afwachting van de komst van de tot doorzoeking bevoegde, mag de situatie worden bevroren, 96c lid 4 Sv. Dat brengt met zich mee dat, wanneer niet wordt gewacht op de komst van de OvJ, goed moet worden gemotiveerd waarom de komst van de OvJ niet kon worden afgewacht.

Doorzoeken vervoermiddel OA, 96b Sv

Ingeval van ontdekking van een strafbaar feit op heterdaad of een verdenking van een misdrijf 67 lid 1 Sv, is de opsporingsambtenaar bevoegd ter inbeslagneming een vervoermiddel te doorzoeken, met uitzondering van het woongedeelte zonder toestemming van de bewoner, 96b lid 1 Sv. Bij het woongedeelte van vervoermiddelen kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het woongedeelte van een schip of kampeerauto. De opsporingsambtenaar is bevoegd van de bestuurder te vorderen dat hij zijn vervoermiddel tot stilstand brengt en eventueel vervolgens naar een daartoe door hem aangewezen plaats overbrengt of laat overbrengen, 96b lid 2 Sv.

Ontsleutelingsbevel, 126nh Sv

Het kan voorkomen dat er met toepassing van de bevoegdheden van 126nd lid 1, 126ne lid 1 of lid 3, of 126nf lid 1 Sv gegevens worden verstrekt die versleuteld blijken te zijn. In dat geval is de OvJ bevoegd om van degene van wie wordt vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van de versleuteling, bevelen mee te werken aan de ontsleuteling ervan of zijn kennis hiertoe ter beschikking te stellen, 126nh lid 1 Sv. Dit bevel kan niet worden gegeven aan de verdachte, 126nh lid 2 Sv.

Bevriezingsbevel, 126ni Sv

Bij verdenking van een misdrijf 67 lid 1 Sv dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de OvJ van de beheerder van opgeslagen gegevens vorderen dat hij deze gedurende een periode van ten hoogste negentig dagen bewaart en beschikbaar houdt, 126ni lid 1 Sv.

Cybercrimeverdrag

Met het oog op een gemeenschappelijk strafrechtelijk beleid inzake de bestrijding van strafbare feiten die zijn verbonden met elektronische netwerken, is in 2001 in Boedapest het Cybercrimeverdrag (CCV) ondertekend. Deelnemende landen zijn de Europese landen, USA, Canada, Japan en Zuid-Afrika. Zij zijn overeengekomen dat in elk land passende wetgeving wordt ingevoerd en de internationale samenwerking wordt bevorderd. In Nederland is grotendeels voorzien in de voorgeschreven passende wetgeving. Het verdrag voorziet in de mogelijkheid dat de verdragsluitende partijen elkaar bevelen voorlopige maatregelen te nemen tot bewaring van gegevens, 29 CCV, en om bepaalde verkeersgegevens vast te leggen of computers in beslag te nemen, 30 CCV. Daarnaast zijn Nederlandse opsporingsambtenaren op grond van 32 CCV bevoegd om binnen de grenzen van hun gewone opsporingsbevoegdheden zonder rechtshulpverzoek of toestemming van de vreemde mogendheid:

  • - zich toegang te verschaffen tot open bronnen, en
  • - zich toegang te verschaffen tot gegevens die zich op andere dan openbare bronnen bevinden of de beschikking over deze gegevens te verkrijgen met vrijwillige instemming van degene die gerechtigd is de gegevens via dat computersysteem te verstrekken.

Degene die gerechtigd is de gegevens te verstrekken, kan zowel de gebruiker zijn die de gegevens heeft opgeslagen, als de beheerder van de computer. Belangrijk is dat er sprake moet zijn van vrijwillige instemming van deze gerechtigde.

Nieuwe wetgeving

Er wordt gewerkt aan de Wet computercriminaliteit III (CCIII)2 en aan wetswijzigingen ter versterking van het presterend vermogen van de politie (VPV). De wetgeving is inmiddels goedgekeurd door de Eerste Kamer en wordt dit jaar van kracht op een nog nader te bepalen datum. Voor de digitale opsporing zijn belangrijkste wijzigingen van CCIII:

  • een aanpassing van de definitie van het begrip geautomatiseerd werk, 80sexies Sr. De oude definitie vereist dat een geautomatiseerd werk drie cumulatieve functies bezit van opslag, overdracht en verwerking van gegevens. In de voorgestelde definitie wordt onder geautomatiseerd werk verstaan een apparaat of groep van onderling verbonden of samenhangende apparaten, waarvan er één of meer op basis van een programma automatisch computergegevens verwerken. Kenmerkend in deze definitie is de automatische verwerking van gegevens door een programma.
  • strafbaarstelling van het wederrechtelijk overnemen van opgeslagen niet-openbare gegevens, 138c Sr. Gedacht moet worden aan bijvoorbeeld het illegaal overnemen van persoonsgegevens uit een pc om deze voor zichzelf te gebruiken of te publiceren op het internet. Met de term ‘niet-openbare gegevens’ worden op het internet aangeboden downloads uitgesloten, zodat dit downloaden in zijn algemeenheid blijft toegestaan.
  • strafbaarstelling van het opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen van een afbeelding van een persoon in een woning of een niet voor het publiek toegankelijke plaats, met een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, 139f Sr.
  • strafbaarstelling van ‘heling’ van niet-openbare gegevens die door misdrijf zijn verkregen, 139g Sr. De voorgestelde strafbare gedraging bestaat uit
  1. het verwerven of voorhanden hebben van niet-openbare gegevens waarvan de dader ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze door misdrijf waren verkregen;
  2. het ter beschikking van een ander stellen, bekend maken of zelf uit winstbejag deze gegeven voorhanden hebben of gebruiken, terwijl de dader weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het door misdrijf verkregen gegevens betreft.

Er liggen in deze bepaling grote gelijkenissen met de klassieke vormen van heling. Als voorbeelden gelden: het voorhanden hebben of ter beschikking stellen van pincodes, nummers van bankrekeningen, wachtwoorden e.d. die ontfutseld zijn door phishing, skimming, enz.

  • hackbevoegdheid, 125ja Sv. De huidige wetgeving biedt de mogelijkheid om ter gelegenheid van een doorzoeking geautomatiseerde werken ter vastlegging van gegevens te doorzoeken, inclusief daarmee verbonden geautomatiseerde werken elders, 125i/j Sv. In aanvulling daarop wordt een hackbevoegdheid voorgesteld. Die onderscheidt zich op de volgende punten van de netwerkzoeking 125j Sv:

- er is sprake van heimelijkheid,

- het is niet gebonden aan een doorzoeking van een plaats ter inbeslagneming, en

- er is een voorafgaande machtiging van de RC vereist.

De meerwaarde van de hackbevoegdheid ten opzichte van de netwerkzoeking is bijvoorbeeld dat:

- over de gegevens kan worden beschikt voordat deze zijn versleuteld,

- ook intern berichtenverkeer, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een aanbieder van een communicatiedienst, kan worden getapt, en

- gegevens kunnen zowel aan de bron als in de cloud worden onderzocht.

De toepassing is gebonden aan specifieke doelen, zoals het vaststellen van de aanwezigheid van gegevens of het bepalen van de identiteit of locatie van het geautomatiseerde werk of de gebruiker, het overnemen of ontoegankelijkmaking van gegevens, het aftappen en opnemen van communicatie, het opnemen van vertrouwelijke communicatie of stelselmatige observatie.

  • bevel ontoegankelijkmaking, 125p Sv. De OvJ is bevoegd om aan een aanbieder van een communicatiedienst te bevelen dat hij bepaalde gegevens die door hem worden opgeslagen of doorgegeven, ontoegankelijk maakt. Een voorafgaande machtiging van de RC is vereist. De bevoegdheid mag worden toegepast als de ontoegankelijkmaking noodzakelijk is voor beëindiging van het strafbaar feit of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten.
De belangrijkste wijzigingen van VPV voor digitale opsporing
  • tappen op naam Momenteel worden tapbevelen, en de voorafgaande machtiging van de RC, afgegeven op nummer. Voor een mobiele telefoon kan dat drie nummers betreffen: IMEI, IMSI en ‘gewoon’ telefoonnummer (MSISDN-nummer). Bij gebruik van meerdere en wisselende telefoons en SIM-kaarten moet telkens een nieuw bevel en machtiging worden verstrekt. Door wijziging van 126m, 126t en 126zg Sv is het voorstel om te gaan tappen op naam, waardoor minder aanvragen hoeven te worden beoordeeld door OvJ en RC en bij verandering van toestel of nummer sneller geschakeld kan worden naar de juiste lijn. Aan de beoordelingscriteria (verdenking misdrijf 67 lid 1 Sv dat een ernstige aantasting van de rechtsorde met zich meebrengt, enz.) verandert niets, evenmin als aan het bevels- en machtigingsvereiste.
  • notificatie bijzondere opsporingsbevoegdheden Ter controle op de uitoefening van de bijzondere opsporingsbevoegdheden geldt dat de betrokkene achteraf over de toepassing van de bevoegdheid moet worden geïnformeerd, de zogenaamde notificatieplicht, 126bb Sv. De bevoegdheden die onder de notificatieplicht vallen, worden veel meer toegepast dan bij de invoering van de wet voorzien, wat een omvangrijke administratie oplevert. De notificatieplicht wordt bovendien niet in alle gevallen noodzakelijk geacht omdat de toepassing van de bevoegdheid vaak samenvalt met de toepassing van andere bevoegdheden. Controle blijft dus mogelijk. Het wetsvoorstel beoogt pakweg alle gegevensvorderingen uit te zonderen van de notificatieplicht, met uitzondering van de vordering gevoelige gegevens, 126nf Sv.

_______________________________________________________________

© 2019 VeiligDigitaal

Created By
Veilig Digitaal
Appreciate

Report Abuse

If you feel that this video content violates the Adobe Terms of Use, you may report this content by filling out this quick form.

To report a copyright violation, please follow the DMCA section in the Terms of Use.