Loading

Het uur van slekken en spoken 'De nacht' in de erfgoedcollecties van de Openbare Biliotheek Brugge

Twaalf uur ’s nachts is het uur van slakken en spoken. Waar die slakken en spoken voorkomen in de erfgoedcollecties van de Openbare Bibliotheek Brugge, ontdek je in deze online tentoonstelling. Niet alleen slakken en spoken trouwens. Ook heksen, nachtdieren, de maan en de sterren zijn goed vertegenwoordigd in onze erfgoedbibliotheek.

Van nachtdieren tot monsters

Wie op zoek gaat naar nachtdieren in de erfgoedcollectie van de Openbare Bibliotheek Brugge grijpt misschien niet meteen naar dit boek: de Ortus sanitatis of Tuin der Gezondheid. Dit anonieme werk is op te vatten als een medische encyclopedie, waar je eerder door bladert op zoek naar een medicijn in plaats van een specifiek dier. De encyclopedie is onderverdeeld in vijf ‘boeken’, die gaan over onder meer planten, zoogdieren, vogels en vissen. Elk van de 1066 hoofdstukjes is voorzien van een houtsnede, met uitleg over de plant of het dier, en de medicinale toepassingen ervan. Dit exemplaar werd gedrukt in 1517 in Straatsburg door Reinhard Beck, en maakte deel uit van de collectie van de cisterciënzerabdij Ter Doest in Lissewege.

afbeelding links: Ortus sanitatis […]. Straatsburg: Reinhard Beck, 1517. Brugge, Openbare Bibliotheek, 2507, f. 1r

Om nachtdieren te vinden, moeten we ons wenden tot het onderdeel ‘De animalibus’.

Hier worden onder andere de pad en de uil beschreven. Hoewel de houtdruk de dieren redelijk accuraat weergeeft, doet de tekst dat niet. Zo staat er dat het hart van de pad in de keel zit en de enige manier om hem te doden is om op de keel te slaan. Het bloed van de uil zou dan weer geneeskundige krachten hebben.

Ortus sanitatis […]. Straatsburg: Reinhard Beck, 1517. Brugge, Openbare Bibliotheek, 2507, f. 249v

Naast nachtdieren zoals de uil en de pad, passeren ook heel wat vreemde wezens de revue. Bestaande dieren en mythische wezens wisselen elkaar af in de Ortus sanitatis. Op f. 237v zien we bijvoorbeeld een eenhoorn, met een hoorn zo scherp dat het door alles kan snijden dat het aanraakt. Op f. 220r staat een slang met een mensenhoofd. Volgens de auteur een mogelijke afstammeling van de slang die Eva verleidde in de Tuin van Eden. Op f. 259v wordt een harpij afgebeeld. Dit wezen is afkomstig uit de Griekse mythologie en stelt een vogel voor met lange scherpe klauwen en een mensenhoofd.

Brugge, Openbare Bibliotheek, 2507, f. 237v
Brugge, Openbare Bibliotheek, 2507, f. 220r
Brugge, Openbare Bibliotheek, 2507, f. 259v

Veel van deze fantasiecreaturen werden verzonnen in de oudheid en gingen voor ‘echt’ door. Het is dan ook niet verwonderlijk dat een volledig hoofdstuk over monsterlijke wezens opduikt in een andere encyclopedie uit onze erfgoedcollectie.

De natura rerum van de dominicaan Thomas van Cantimpré (ca. 1201-1270) is een encyclopedie over de natuur en de mens. Naast hoofdstukken over fauna, flora, stenen, de menselijke anatomie en astronomische fenomenen is er ook een apart hoofdstuk gewijd aan ‘De monsterlijke mensenrassen uit het oosten’.

afbeelding links: Thomas van Cantimpré, De natura rerum. 15de-16de eeuw. Brugge, Openbare Bibliotheek, hs. 411, f 3r

De verschillende rassen zijn telkens geïllustreerd met kleurrijke afbeeldingen. We zien onder andere behaarde wezens met hondenkoppen, kannibalen, zeshandigen, hoofdlozen en een cycloop.

Brugge, Openbare Bibliotheek, hs. 411, f 2v
Brugge, Openbare Bibliotheek, hs. 411, f 3r
Brugge, Openbare Bibliotheek, hs. 411, f 3r
Brugge, Openbare Bibliotheek, hs. 411, f 4r

Maar wat met de slekken uit de titel van deze online tentoonstelling?

Daarvoor moeten we een andere, ietwat verrassende bron induiken, namelijk een 16de-eeuws getijden- en gebedenboek. Dit handschrift heeft een religieuze inhoud, maar is opgefleurd met kleurrijke tekeningen in de marges. En wie goed kijkt, kan op f. 75r een slak terugvinden… al is het eentje met een mensengezicht en een mutsje.

afbeelding links: Geert Grote, Heinrich Seuse, Getijden- en gebedenboek. 16de eeuw. Brugge, Openbare Bibliotheek, hs. 327, f. 75r

Hekserij en satanisme

Geloof in tovenarij en magie is van alle tijden. Oorspronkelijk waren dit neutrale termen: magie kon gebruikt worden voor zowel goede als slechte doeleinden. De negatieve connotatie kwam er pas in de late middeleeuwen, toen het geloof groeide in een sekte van duivelaanbidders die magie gebruikten om schade aan te richten.

afbeelding rechts: Pierre le Brun, Historique critique des pratiques superstitieuses. Paris: veuve Delaulne, 1732. Brugge, Openbare Bibliotheek, 2733, vol.I

Deze duivelaanbidders of heksen zouden een pact hebben gesloten met de duivel, de liefde bedrijven met hem, en samenkomen op een heksensabbat. Hoe deze omschakeling in gedachtengoed tot stand kwam is moeilijk te achterhalen. De late middeleeuwen in de Nederlanden werden gekenmerkt door godsdiensttwisten en een veranderend klimaat dat de oogst deed mislukken. Heksen vormden de ideale zondebok. Tussen het einde van de 16de en het midden van de 17de eeuw resulteerde dit in een grote Europese heksenvervolging.

Ulric Molitor, Des sorcières et des devineresses. Paris: Emile Nourry, 1926. Brugge, Openbare Bibliotheek, FAVA 00155

Aan het eind van de 15de eeuw begonnen steeds meer juristen en theologen zich toe te leggen op de demonologie, of de studie van de duivel en zijn aanbidders, en de manieren om hen te bestrijden. Hun nieuwe hekserijtheorieën werden gepubliceerd in geleerde traktaten, en vervolgens verspreid door het wonder van de boekdrukkunst. Het meest invloedrijke werk uit die periode is ongetwijfeld de Malleus maleficarum van de dominicaan Heinrich Kramer (ca. 1430-1505). Voor het eerst gepubliceerd in 1487, was de Malleus maleficarum het meest volledige traktaat over heksen dat tot dan toe was verschenen. Het was bovendien het eerst gedrukte handboek waarmee inquisiteurs hekserij vervolgden. Het beschrijft uitvoerig de misdaden van heksen, zoals bijvoorbeeld het beïnvloeden van het weer.

afbeelding links: Henricus Institoris, Jakob Sprenger, Malleus maleficarum. Keulen: Johann Gymnich, 1520. Brugge, Openbare Bibliotheek, 906

Brugge, Openbare Bibliotheek, FAVA 00155

Het werk was bijzonder vrouwonvriendelijk en heeft in belangrijke mate bijgedragen aan het associëren van hekserij met vrouwen, wat tot dan toe niet het geval was. De Openbare Bibliotheek Brugge beschikt over een exemplaar uit 1520, gedrukt te Keulen.

In de Nederlanden vonden de nieuwe hekserijtheorieën ingang in de rechtspraak via de Brugse jurist Joost de Damhoudere (1507-1581). In 1554 publiceerde hij in Antwerpen zijn Praxis rerum criminalium, een juridisch traktaat voor rechtspraak in de Zeventien Provinciën. In dit handboek worden de verschillende stappen van een rechtszaak besproken, waaronder de aanklacht, het bewijs, marteling, bekentenis en uitspraak van een vonnis. De Damhoudere spendeert een belangrijk deel van zijn werk aan hekserij. Hij was namelijk bezorgd dat veel heksen aan vervolging ontsnapten door gerechtelijke incompetentie. Het exemplaar in de collectie van de Openbare Bibliotheek stamt uit 1556. Op p. 563 staat een houtsnede die enkele mogelijke straffen uitbeeldt, waaronder de verbranding van een heks op de brandstapel.

afbeelding rechts: Joost de Damhoudere, Praxis rerum criminalium. Antwerpen: Hans de Laet, 1556. Brugge, Openbare Bibliotheek, 907, p. 563

Niet iedereen was voorstander van de heksenvervolging. Een belangrijke stem tegen deze praktijken kwam van Johannes Wier (ca. 1515-1588), een Nederlandse arts en pionier in de psychiatrie. In zijn werk De praestigiis daemonum trekt hij van leer tegen de Malleus maleficarum. Hij was er namelijk van overtuigd dat folteren leidde tot onbetrouwbare bekentenissen. Het toetsen aan bewijsmateriaal was noodzakelijk, en in vele gevallen kon dit niet geproduceerd worden. Bovendien waren de beschuldigden vaak oudere vrouwen met waanbeelden, en dus bijgevolg ontoerekeningsvatbaar. Stemmen horen was volgens Wier niet het werk van de duivel, maar een stoornis.

afbeelding links: Portret van Johannes Wier (Weyer) in Melchior Adam (red.; 1660) Ioannis Wieri Opera [...] Omnia [2nd ed.], Amsterdam: s.n., 1660.

Johannes Wier, De praestigiis daemonum. Basel: Joannes Oporinus, 1564. Brugge, Openbare Bibliotheek, 907

Heksen, magie, duivelaanbidders… dat behoort allemaal tot de donkere middeleeuwen, toch? Niet volgens de Franse auteur Joris-Karl Huysmans (1848-1907). In 1891 publiceerde hij de roman Là-bas waarin het hoofdpersonage Durtal ontdekt dat satanisme nog steeds beoefend wordt in de hedendaagse maatschappij. Durtal slaagt erin om een zwarte mis bij te wonen, opgevoerd door de satanistische kanunnik Docre.

J.K. Huysmans, Là-Bas. Paris: Librairie Plon, [s.d.]. Brugge, Openbare Bibliotheek, DOCH 215

Huysmans beweerde na publicatie van de roman dat hij zijn inspiratie voor ‘chanoine Docre’ gehaald had bij de Brugse priester Lodewijk van Haecke (1829-1912), kapelaan van de Heilig Bloedkapel te Brugge. Huysmans beschuldigde Van Haecke er onder andere van om zwarte missen op te voeren en om kruisen te hebben getatoeëerd op de zolen van zijn voeten. Nochtans had Huysmans de Brugse priester nog nooit ontmoet. Naar alle waarschijnlijkheid baseerde Huysmans zich op roddels verspreid door een dame genaamd Caroline ‘Berthe’ Courrière. Een jaar voor publicatie van de roman werd ze na een nacht te hebben verbleven in het huis van Lodewijk van Haecke hysterisch en naakt teruggevonden in de straten van Brugge. Misnoegd over dit voorval verspreidde ze haar versie van de feiten, en in Huysmans vond ze een luisterend oor. In Brugge zelf werd nooit veel aandacht besteed aan de beschuldigingen. Integendeel, Lodewijk van Haecke werd er voornamelijk herinnerd omwille van zijn spitsvondige opmerkingen, vele grappen en practical jokes.

Bidprentje Lodewijk van Haecke. Brugge, Openbare Bibliotheek, 9457 F

’t Wordt al sterre dat men ziet

Wie vandaag de dag de krant doorbladert komt wel eens de horoscoop tegen. Deze astrologische voorspellingen zijn niet nieuw. Ook in de middeleeuwen werden ze gepubliceerd, bijvoorbeeld in de populaire almanakken. Een almanak is een klein drukwerkje met als basis een (jaar)kalender. Verdere aanvullingen kunnen bestaan uit kerkelijke feestdagen, medische instructies, en prognosticaties. Dit laatste onderdeel werd uitgewerkt door een zogenaamde berekenaar, vaak geneesheren of hoogleraren in de astronomie, later ook lager geschoolde landmeters of schoolmeesters.

afbeelding links: Den grooten Brugschen comptoir almanach. Brugge: Petrus de Sloovere, 1766. Brugge, Openbare Bibliotheek, B 347 (1766)

Tussen de 15de en de 19de eeuw werd een breed scala aan almanakken gepubliceerd in Brugge, gaande van praktische kantooralmanakken tot volkse prognosticaties. Behorende tot het eerste type is de Nieuwen en nuttigen almanach der stad Brugge in 't algemeen, en van het eerste Arrondissement van Perceptie der Provincie van West-Vlaenderen van drukker Cornelis de Moor. Deze almanak deed dienst als een zakelijk handboek, met extra aandacht voor het adresboek. Astrologische voorspellingen werden tot een minimum gehouden. Soms werd ook een concordantietabel opgenomen om munten om te zetten. De vele handgeschreven notities in de marge tonen aan dat deze boekjes echte gebruiksvoorwerpen waren.

Nieuwen en nuttigen almanach der stad Brugge in 't algemeen, en van het eerste Arrondissement van Perceptie der Provincie van West-Vlaenderen. Brugge: C. de Moor, 1826. Brugge, Openbare Bibliotheek, 4/676 A 1826, p. 1
Brugge. Openbare Bibliotheek, 4/676 A 1826, p. 106

De drukkersfamilie De Moor publiceerde ook almanakken van het andere einde van het spectrum. De boeren ofte schaepers almanach is een volkse almanak die bijna uitsluitend tekens en symbolen bevat, en zich daarmee richt op een publiek dat niet of nauwelijks kon lezen. Aan de hand van de symbolen wordt weergegeven wat de meest geschikte dagen zijn voor bepaalde activiteiten, van zaaien en planten, tot geneesmiddelen nemen en aderlaten. Op het einde van dit exemplaar uit 1824 vinden we een leuke voorspelling terug met betrekking tot het knippen van haar tijdens een krimpende of groeiende maan: “Die in ‘t krimpen zyn hoofd-hair kort, Wyt ‘t my niet zoo hy kael-kop word, Maer kapt en kerft, en snyd en snoeyt als ’t ander als de Maene groeyt.”

Den boeren ofte schaepers almanach. Brugge: De Moor, 1824. Brugge, Openbare Bibliotheek, 12/624, voorplat v en p. 1
Brugge, Openbare Bibliotheek, 12/624, p. 29

De tegenhanger van de pseudowetenschappelijke astrologie is de astronomie of sterrenkunde. Astronomen houden zich op een wetenschappelijke manier bezig met het bestuderen van het heelal. In de middeleeuwen konden ze hiervoor een beroep doen op een breed gamma aan werken. In manuscript 522, een astronomisch handboek uit de 14de eeuw, zijn een aantal van deze werken samengebracht. Het manuscript bevat onder meer enkele traktaten van de wis- en sterrenkundige Johannes de Sacrobosco, studies over planetenbewegingen, en hulpmiddelen voor berekeningen.

Kalendarium. Tabula Gerlandi. Compotus Balduini. Algorismus. […] [titel fenestra]. 14de eeuw). Brugge, Openbare Bibliotheek, ms. 522, f. 61v

In het onderdeel De compositione et utilitate astrolabii, wordt het gebruik en nut van het astrolabium toegelicht. Het astrolabium is een Arabische uitvinding, en bestond uit een koperen schijf, waarop allerlei cirkels werden gegraveerd. Een tweede grotendeels opengewerkte schijf duidde de voornaamste sterrenposities aan. Verder was het instrument voorzien van een kijker, waarmee de hoogte van sterren of de zon kon worden opgemeten.

afbeelding rechts: Kalendarium. Tabula Gerlandi. Compotus Balduini. Algorismus. […] [titel fenestra]. 14de eeuw). Brugge, Openbare Bibliotheek, ms. 522, f. 41r

Astronomische instrumenten waren van vitaal belang om nauwkeurige berekeningen te maken. De Deense astronoom Tycho Brahe (1546-1601) besefte dit zeer goed. Met financiële steun van koning Frederik II van Denemarken, bouwde hij in zijn observatoria Uraniborg en Stjerneborg enorme sextanten en kwadranten. De nauwkeurigheid neemt namelijk toe met de grootte van de instrumenten. Hierdoor was hij in staat om veel nauwkeurigere waarnemingen te maken dan zijn voorgangers. Tycho Brahe en één van zijn enorme muurkwadranten zijn vereeuwigd in de atlas van Willem Blaeu.

afbeelding links: Géographie, qui est la premiere partie de la Cosmographie Blaviane […]. Amsterdam: Jean Blaeu, 1663. Brugge, Openbare Bibliotheek, 2589, vol. I, p. 84

Tot slot duiken we nog even in het Guido Gezellearchief op zoek naar de maan en de sterren.

Op de achterkant van een ietwat gehavend bidprentje vinden we namelijk een prachtig gedicht over de avond: ’t Wordt al sterre dat men ziet.

’s Avonds. ’t Wordt al sterre dat men ziet. Brugge, Openbare Bibliotheek, GGA 0256

Het gedicht inspireerde de leerlingen van de Academie Kunsthumaniora Brugge tot het maken van een kortfilm. Een rustgevende noot om mee te eindigen…