Loading

Nlds - Woordsoorten 1 t/m 5 april 2019

Gooi het antwoordformulier niet weg!

KIJK WAT JE FOUT HEBT GEDAAN EN BESTUDEER DAT ONDERDEEL!

(Alles wat je niet tijdens de les hebt ingevuld, telt NIET mee!)

Opdracht 1

Lidwoorden

de of het?

1. … meisje

2. … decorum

3. … gevangenis

4. … jongetje

5. … ultimatum

6. … advocaat

7. … museum

8. … prostaat

9. … aquarium

10. … meid

Opdracht 2

Zelfstandig naamwoord

Hoeveel zelfstandige naamwoorden staan in de zinnen? (Schrijf het getal op!)

1. Onder de straatlantaarn zoende hij Irene voor de eerste keer.

2. Vanmiddag varen de jongens in hun boot naar Engeland.

3. De volle maan verlichtte het sprookjesachtige landschap.

4. In China leer je al vroeg bijzondere dingen te eten.

5. De monteur van Citroën heeft de verkeerde banden onder mijn auto gezet.

6. Miljoenen Nederlanders volgen de voetbalwedstrijden het liefst in het café.

7. Kleine kinderen drinken 's morgens vaak melk.

8. Mijn vader leest elke dag de krant.

9. Het papier dat we weggooien, wordt op een andere manier hergebruikt.

10. Elke eerste zaterdag van de maand halen vrijwilligers het oud papier bij ons op.

Opdracht 3

Bijvoeglijk naamwoord

Welk woord is een bijvoeglijk naamwoord?

1. De oude vrouw zocht sprokkelhout voor het haardvuur.

2. Het is een erg lange weg die loopt van Keulen naar Aken.

3. In de hongerwinter hadden de mensen erg veel last van de ijzige kou.

4. Terwijl de docent voor de houtkachel zat, strekte hij zijn verkleumde handen uit naar het vuur.

5. In het huisje bij de brug woonde een oude grijsaard.

6. ''Mijn zus is een lelijk serpent!'' riep Mathilde in wanhoop uit.

7. Heeft jouw moeder nog aan die knappe acteur geschreven?

8. Voor je de drukke straat oversteekt, moet je goed uitkijken.

9. Heb je nog een paar van die lekkere dropjes gekocht?

10. Het duurde een eeuwigheid voor ze die vervelende verpakking open kon krijgen.

Opdracht 4

Voorzetsel

Hoeveel voorzetsels staan in de zinnen? (Schrijf het getal op!)

1. Verlangen jullie ook zo naar het weekend?

2. Tijdens zijn eerste bezoek schaamde Johan zich voor zijn kleding.

3. Die man kijkt je tijdens het praten nooit aan.

4. Waarom knap jij dat klusje in het weekend niet op?

5. Heb je een verklaring voor je gedrag in de klas?

6. De bakker op de hoek verkoopt broodjes met beleg.

7. Met de trein uit Zutphen kom je om drie uur aan.

8. Doe jij morgen mee met die sponsorloop?

9. De spits van Ajax lag er gisteren weer uit.

10. Die verdediger van het andere team was al eerder uit de wedstrijd gehaald.

Opdracht 5

Persoonlijk voornaamwoord

Geef aan wat de persoonlijke voornaamwoorden zijn in de volgende zinnen.

1. Martin weet niet of hij uitgenodigd is voor dat feestje.

2. In de zomer wil ik graag met mijn vrienden gaan zwemmen.

3. Op de fruitschaal ligt het appeltje dat je wilde meenemen.

4. Op het bankje in de tuin kun je heerlijk relaxen.

5. Willen jullie nog naar het feest van Marc en Joke?

6. We willen niet dat Henriëtte met die jongens meegaat.

7. Wij zijn vrienden voor het leven.

8. Jullie bootje botste net tegen dat van mij.

9. Tegen ons kun jij dat soort dingen wel zeggen.

10. Moest je het proefwerk opnieuw maken van Van der Veen?

Opdracht 6

Bezittelijk voornaamwoord

Welk woord is een bezittelijk voornaamwoord?

1. Zij heeft haar broer een rode appel gegeven.

2. De jongen stalde zijn fiets in het fietsenrek naast de brug.

3. Tijdens de zomervakantie heeft hij altijd zijn laptop bij zich.

4. Het kleine hondje had haar bal in de vijver laten vallen.

5. Ons huis is vorige week eindelijk verkocht.

6. Na het boottochtje ontdekten we dat hun tante niet meer aan boord was.

7. Mijn camera is altijd bedrijfsklaar.

8. De oude grijsaard zocht in het bos naar takken voor in zijn houtkachel.

9. Door een vervelend voorval heb ik nu geen contact meer met mijn beste vriend.

10. Op zijn oude fiets heb ik destijds het fietsen geleerd.

Opdracht 7

Wederkerend en wederkerig voornaamwoord

Vul het wederkerend of het wederkerig voornaamwoord in.

1. Ik was ___ 's ochtends altijd.

2. Hij vergist ___ wel vaker in mijn en dijn.

3. Jij schaamt ___ daarvoor niet?

4. Wij verkleden ___ tijdens de pauze.

5. Zij verveelt ___ tijdens die les.

6. Jullie zullen ___ nog wel bedenken.

7. Zij bemoeien ___ ook overal mee.

8. De leden van de club ergerden ___ aan de besluiteloosheid van het bestuur.

9. Wij laten ___ niet zo gemakkelijk overhalen.

10. Heeft u ___ al voorgesteld?

Opdracht 8

Vragend voornaamwoord

Geef aan wat het vragend voornaamwoord in de onderstaande zinnen is.

1. Wie heeft jouw huiswerk gemaakt?

2. Naar welke klas gaat zij na de vakantie?

3. Wat voor een smoes had hij deze keer?

4. Welke mensen hebben jouw voorkeur?

5. Wat voor een hond hebben jullie eigenlijk?

6. Wiens passer is dit?

7. Wie gaat er dit keer mee als begeleider?

8. Kan jouw moeder uitzoeken welke bus ik moet nemen naar school?

9. Mag ik zien wat voor cd's je hebt geleend?

10. Wat moeten we daar nu van geloven?

Opdracht 9

Aanwijzend voornaamwoord

Geef aan wat het aanwijzend voornaamwoord in de onderstaande zinnen is.

1. Wat vindt je leraar van dat antwoord?

2. Mijn dochter en ik houden van dezelfde muziek.

3. Deze jongen zal het wel even maken.

4. Die iPod is niet van Mathilde.

5. Hij kan dat niet gezegd hebben.

6. Ik vind dat je dat niet kunt maken.

7. Dat kan jij niet gezien hebben.

8. Na dat vreselijke bericht was hij minutenlang stil.

9. Die houding had hij toen ook al.

10. Wat vindt je collega van zulke antwoorden?

Opdracht 10

Betrekkelijk voornaamwoord

Geef aan wat het betrekkelijk voornaamwoord in de onderstaande zinnen is.

1. Wie rookt leeft erg onverstandig.

2. Het schilderij dat je hebt opgehangen hangt scheef.

3. Iets wat ik niet begrijp, is dat je je daar druk over maakt.

4. Het slechte weer dat we verwachtten, bleef uit.

5. Ik zie, ik zie wat jij niet ziet.

6. De gewonde hond die ik vond, jankte heel zielig.

7. Het eerste wat hij deed, was een douche nemen.

8. De poster achter in het lokaal, die mijn collega heeft opgehangen, is verdwenen.

9. Het werk dat hij op vrijdagmiddag bij de Konmar doet, levert niet veel op.

10. Daar is het meisje van wie ik een e-mail kreeg.

Opdracht 11

Voegwoord

Geef aan wat het voegwoord in de onderstaande zinnen is.

1. Wat gebeurt er als hij niet op tijd zijn proefwerk af heeft?

2. Kampioen zullen zij niet worden, tenzij er een wonder gebeurt.

3. Zijn vrouw ziet er fantastisch uit nu zij regelmatig sport.

4. Lees eerst de gebruiksaanwijzing voordat u het apparaat in gebruik neemt.

5. Sinds de voorwaarden zijn aangepast, wordt die therapie niet meer vergoed door de verzekering.

6. Hij doet dit omdat hij sterk en mannelijk wil overkomen.

7. Kom maar terug zodra je aan de voorwaarden kunt voldoen.

8. Het moet klinken alsof je veel te veel gedronken hebt.

9. U kunt daar parkeren mits u een bewijs van een vergunning op de voorruit hebt

10. Wij repareren uw fiets terwijl u boodschappen doet!

Opdracht 12

Alle woordsoorten

Benoem de woorden die tussen haakjes staan.

1. Wij (kunnen) u altijd even bellen.

2. De directeur heeft mij een voorstel (gedaan).

3. (Die) oude auto rijdt best goed.

4. Mijn collega heeft (mij) die leuke foto laten zien.

5. Heb jij (dat) fotootje ook gezien?

6. Die foto van (jou) vind ik mooi.

7. Die student (die) daar loopt, wil met mij samenwerken.

8. Ik wil (haar) fiets lenen.

9. Haar fiets staat (in) de schuur.

10. Wij hebben jou (niet) gebeld.

willembunnik@gmail.com

© 2019 - W. Bunnik

Credits:

Created with an image by Kelly Sikkema - "untitled image"

Report Abuse

If you feel that this video content violates the Adobe Terms of Use, you may report this content by filling out this quick form.

To report a copyright violation, please follow the DMCA section in the Terms of Use.