Les 9 De evolutie van de kindertekening

Voorbeelden mensfiguur (Amalia, periode 3 tot 7 jaar)

Tekeningen Amalia gemaakt op 3, 4, 5, 6 & 7 jaar.

Inleiding

  • Ontwikkeling in fasen
  • Gekoppeld aan leeftijden
  • Leeftijden zijn richtgetallen
  • Bespreking adhv tekeningen
  • Doel: -herkennen -begrijpen

Inleiding: schema

De ontwikkeling in fasen verloopt niet rechtlijnig, wel veeleer met vallen en opstaan.

Links: Emile 4 jaar maakt een 'meesterwerk'. Rechts: gaat onmiddellijk erna (op de achterkant van zijn tekening) terug aan het krabbelen.

1. Het krabbelstadium (ca. 1-4 jaar)

  • Krabbelen en krassen
  • Ontwikkeling van grove naar fijne motoriek

1.1 Krabbelen en krassen

Wat doet het kind?

  • Blijvende sporen nalaten
  • Experimenteren
  • Zintuiglijke en motorische omgang met de wereld
  • Kijken en tasten zijn belangrijk

1.2 Ontwikkeling van grove naar fijne motoriek

  • Krassen (bij toeval ontstaan)
  • Grote enigszins gebogen zigzaglijnen
  • Doorlopende cirkelvormige lijnen
  • Rechte lijnen, spiralen, golflijnen, stippen...
  • Kleinere tekentjes, doelbewust neergezet

Geleidelijke overgang naar het ‘echte’ tekenen:

  • Eigen tekens herkennen en benoemen
  • Niet altijd eenduidig
  • Vormen herhalen
  • Overeenkomsten herkennen
  • Dit is de laatste stap naar het eigenlijke tekenen

2. Het pre-schematisch stadium (ca. 4-7 jaar)

Het kind kondigt op voorhand aan dat het iets gaat tekenen. Het kind benoemt vooraf.

Tekeningen krijgen inhoud.

Inhouden, onderwerpen:

  • Afhankelijk van affectieve betrekking
  • Wat de voorkeur geniet, ontwikkelt zich het snelst
  • Volgorde (meestal): Mensfiguren - dieren, huizen en voertuigen - bomen, bloemen en voorwerpen

2.1 Creatief coderen

Kinderen maken codetekens

  • Het kind tekent niet wat het ziet
  • Het kind tekent niet naturalistisch
  • Het kind tekent wat het weet (wat op dat moment belangrijk is)

Waarom?

  • Een eenvoudige manier om beeldend vorm te geven aan ideeën, voorstellingen
  • Afspraak: ‘Zo teken ik ...’
  • Deze codetekens ontwikkelen zich steeds verder
Voorbeelden creatief coderen

2.2 Typische codering van de werkelijkheid

  • De manier van tekenen van het kind noemen we ‘ideografisme’.
  • = zgn. ‘afwijkende’ manieren van tekenen.
  • Typisch zijn de zogeheten ideografische kenmerken (vb. de kopvoeter, de grondlijn, de weergave van de drie dimensies...); men spreekt ook van de ‘tekenwetten’.
  • Dit zijn geen fouten!
Kopvoeter
Wanordelijke plaatsing
Eerste ordening
De grondlijn
De schrijfhelling
Belangrijkheid en verdringing
Exemplariteit
Kleuren in de codering
Weergave van drie dimensies: haakse contrast
plattegrond
doorzichtigheid
kubistisch tekenen
afzonderlijke plaatsing
omklapping
overlapping en afsnijding (vanaf 8 jaar)
Rijke voorstelling door een 10-jarig kind. Bemerk de combinatie afsnijding, overlapping en omklapping.

3. Het schemastadium (ca. 7-9 jaar)

  • Het coderen gaat verder
  • De tekening wordt stabieler
  • Weergave van typische kenmerken van mensen en dingen is belangrijker dan natuurgetrouwe weergave
  • Schema = een bewuste vereenvoudiging
  • Verstarde herhaling van hetzelfde teken voor een bepaald object
Voorbeelden van schema’s

3.1 Oorzaken van schema’s:

  • Leren schrijven, leren lezen enz...
  • Zich een moeizaam ontstaan begripsbeeld eigen maken door herhaling
  • Overnemen van vorm- en kleurschema’s, door volwassenen aangeboden
  • Specialisatie
  • Taal en schrijven bieden voldoende communicatiemogelijkheden
Specialisatie in de weergave van de auto, verstard schema in de weergave van de bloemen.

3.2 Liquidatie van schema’s

Een sterkere beleving scheppen door:

  • fantasievolle opdrachten
  • geen kans geven aan schema’s
  • uitdagingen bieden
  • een brede waaier aan ideeën, mogelijkheden en technieken aanbieden
  • samen met de leerlingen de tekeningen bekijken en bespreken
  • stimuleren tot creatieve oplossingen voor probleemstellingen
  • voortdurend beschouwen en begeleiden
‘Een huis in brand’: de opdracht was bedoeld om het verstarde schema van een huis te doorbreken.
Het inspirerende verhaal van een leerkracht in het 5de leerjaar vormde de aanleiding tot deze tekening.

4. Begin van realisme (ca. 9-11 jaar)

Harmonisch maar kritisch:

  • Het kind zoekt naar oorzaken en verbanden
  • Kritisch ten opzichte van zichzelf en van anderen

De leraar moet:

  • Ernaar streven dat kinderen hun werk als waardevol blijven beschouwen
  • Voorwaarde is van kindsbeen af over het werk praten
Het kind wordt kritischer en wil in zijn tekeningen een steeds grotere gelijkenis met de werkelijkheid. Afbeeldingen en fotodocumentatie worden steeds meer als voorbeeld voor een tekening gekozen.

4.1 Beginnend gevoel voor lijnen en vormen

  • Een mengsel van schematische en correcte elementen
  • Begin van sferisch en lineair perspectief
  • Meer anatomisch juiste bewegingen van mensen en dieren
  • Begin van schakeringen tussen licht en donker
Bij een lichtbron hoort een slagschaduw: een grote uitdaging om dit in een tekening weer te geven!

5. Het pseudo-realistisch stadium (ca. 11-13 jaar)

Vanuit een steeds groter wordend bewustwordingsproces ontstaat een zekere gespletenheid:

  • De jongere wordt steeds kritischer (tekening wordt als waardeloos, kinderachtig bestempeld)
  • De spontaneïteit vermindert

Pseudo-realisme:

  • Is geen bewust realisme
  • Specialisatie: bv. natekenen en overtrekken van figuren
De jongere zoekt naar methoden om niet in het tekenen te falen, bv. overtrekken of kalkeren, zoals hier het geval is. Het resultaat is een schijnresultaat, ook ‘pseudo-realisme’ genoemd.

5.1 Een steeds correctere weergave:

  • Personen in sterk afwisselende en vaak gecompliceerde houdingen
  • Onderscheid tussen licht en schaduw
  • Perspectief, overlapping, voor- en achterplan
  • Schetsmatige, gevoelige lijnen
Vanaf ongeveer 11 jaar houden kinderen ervan om grote ruimten te ontleden. Een grote belangstelling voor perspectief en een beginnend mengen van kleuren in dit voorbeeld.

6. De puberteit (ca. 13-17 jaar)

Een kritieke fase:

  • Kritiek op omgeving en zelfkritiek
  • Belangrijk: interesse moet bewaard blijven

Kenmerken:

  • Meer experimenten
  • Aandacht voor details
Aandacht voor details en individuele kenmerken in deze voorbeelden.

6.1 Het visuele en het haptische type

Het visuele type = het type van de objectieve waarnemer. Voorkeur voor waarnemingslessen; analyse op vlak van vorm, verhoudingen, perspectief, nuances in licht en donker enz.

Het haptische type = het subjectieve type en werkt graag vanuit het gevoel. Opdrachten waarin hij/zij zich expressief kan uiten, genieten de voorkeur.

Voorbeeld vanuit ‘portrettekenen’: aan elke leerling kansen bieden om zich volgens eigen mogelijkheden en op persoonlijke wijze te uiten.
Visuele types (eerste en tweede jaar van de tweede graad)

Report Abuse

If you feel that this video content violates the Adobe Terms of Use, you may report this content by filling out this quick form.

To report a Copyright Violation, please follow Section 17 in the Terms of Use.