Loading

Trudy vocht tevergeefs voor haar zoon

Ongehuwde moeders die in de jaren ‘60 en ‘70 voor hun eigen kind wilden zorgen, werden soms tegengewerkt door de Raad voor de Kinderbescherming. Zoals Trudy Scheele-Gertsen, die nu een rechtszaak voorbereid tegen de staat.

De Paulastichting in Oosterbeek

De 22-jarige Trudy pakt haar koffer in. Ze staat middenin een klein kamertje in het paviljoen van de Paulastichting, een tehuis voor ongehuwde moeders op een groen landgoed in Oosterbeek. Het is een koude bewolkte zaterdag, 24 februari 1968. Veertien weken geleden kwam Trudy hier zwanger aan. Vandaag gaat ze naar huis, maar zonder haar baby.

Nog geen tien dagen geleden beviel ze van een zoon. Buiten wachten haar zus en zwager haar op. Trudy loopt met haar koffer naar de deur. Later zal ze haar zoontje komen halen. Als ze een baan en een woning heeft geregeld.

Baby in de Paulastichting, Beeld: VPRO

Wel of niet houden

Trudy ontdekt in mei 1967 dat ze in verwachting is. Ze heeft dan anderhalf jaar verkering, maar haar vriend ziet het kind niet zitten. Zij wel. Ze heeft haar opleiding verpleegkunde bijna af en ziet de toekomst voor zich. Ze zal zelf voor de baby zorgen. Ze is tenslotte meerderjarig.

Als ze haar opleiding haalt, en terug naar huis gaat, schrikt haar moeder. Haar buik is al goed zichtbaar. Niemand mag het weten. Snel meldt haar moeder Trudy aan bij de Paulastichting in Oosterbeek, een Rooms-Katholiek doorgangshuis voor ongetrouwde vrouwen.

‘Ik wil niet dat Trudy het kind houdt’, zegt haar moeder tegen de non tegenover haar. Trudy wil het kind wél houden, wordt duidelijk in de gespreksverslagen. Haar moeder regelt met de non dat Trudy’s situatie geheim blijft. Ze betaalt particulier, en vraagt geen bijstand aan in hun woonplaats Huissen. Moeder vertrekt, Trudy blijft achter in het paviljoen.

Daar is ze veel alleen en maakt zich zorgen. Hoe kan ze een kind onderhouden? Ze weet op dat moment niet dat de sociale dienst van de gemeente kan helpen, dat bijstand drie jaar eerder een recht is geworden. Volgens de gespreksverslagen uit de Paulastichting begint ze te twijfelen. De verkering is tenslotte uit.

Moederpaviljoen van de Paulastichting

Ouderlijke macht

Als ze die zaterdag uit de Paulastichting vertrekt, besluit Trudy om haar leven op te bouwen. Ze gaat naar Amsterdam, een progressieve stad waar de hippies zich een paar jaar later verzamelen in het Vondelpark. Ze vindt een baan bij het Wilhelmina Gasthuis ziekenhuis, en vraagt naar eigen zeggen hulp aan de gemeente om een woning te vinden voor haar en haar zoon.

Ondertussen dient de Raad voor de Kinderbescherming enkele weken na haar vertrek een verzoek in bij de Arnhemse rechtbank om Trudy voor een jaar uit de voogdij te zetten. In het verzoek staat dat Trudy’s moeder vindt dat haar dochter niet alleen voor het kind kan zorgen, en afstand in het belang van het kind acht.

Trudy is volgens de Raad van de Kinderbescherming een ‘onmachtige moeder’ die haar verplichtingen tot het kind heeft verwaarloosd. Hoewel ongehuwde vrouwen tien dagen na de bevalling uit de Paulastichting moeten vertrekken, schrijft de Raad dat Trudy is vertrokken met ‘achterlating van haar baby’.

Op de zitting in de rechtbank die volgt, is Trudy niet aanwezig. Maar in het dossier van de Raad voor de Kinderbescherming, zo leest zij later, staat er in de kantlijn met pen bijgeschreven: ‘25-3-68 moeder verschenen, akkoord met de ontheffing’. De Arnhemse Kinderrechter gaat akkoord. Trudy wordt uit de voogdij geschorst voor één jaar.

Trudy Scheele

Kind terug

Trudy woont en werkt in die tijd in Amsterdam en bezoekt haar kind niet veel. Maar ze is hem niet vergeten. In september 1968 komt ze op het kantoor van de Raad voor de Kinderbescherming in Arnhem, om te vertellen dat ze het kind zelf wil opvoeden. Ze is van plan te trouwen met de vader, zegt ze. ‘Dat was niet waar, maar zo hoopte ik mijn kind terug te krijgen.’

De Raad voor de Kinderbescherming is niet overtuigd. Ze vrezen dat Trudy’s kind te lang in de instelling moet wachten tot moeder er klaar voor is. In dat verslag staat dat Trudy daarom zelf ook inziet dat het beter is voor het kind als zij definitief uit de voogdij wordt gezet.

Trudy Scheele-Gertsen vijftig jaar later

Maar volgens Trudy, die nu 74-jaar is en nog steeds woedend is over de gang van zaken, heeft ze dit nooit gezegd. Maatschappelijk werkers als die van Trudy, keken naar de mogelijkheden van een 'meisje' om het kind te houden, zegt onderzoeker Nynke van den Boomen, die meewerkte aan een verkennend onderzoek van de Radboud Universiteit in 2017 naar dwang bij afstand.

‘De wet was niet voor of tegen afstand. Maatschappelijk werkers hielden zich zorgvuldig aan het protocol.' Maar dat protocol liet wel ruimte, zegt ze, bijvoorbeeld om informatie achter te houden. 'Het feit dat sommige moeders het gevoel hebben dat dat is gebeurd, laat zien dat die ruimte ook wel genomen werd'.

Versneld uit de voogdij gezet

Als Trudy aan de Raad voor de Kinderbescherming vertelt dat ze trouwplannen heeft en voor haar eigen zoon wil zorgen, gebeurt er iets opmerkelijks in haar dossier. De Raad voor de Kinderbescherming stuurt twee brieven: één aan de Nijmeegse voogdijvereniging, met de vraag of zij de voogdij voor Trudy's zoon willen aanvaarden. Een andere brief gaat naar de rechtbank: daarin staat het verzoek om Trudy versneld uit de voogdij te zetten.

Een voogdijvereniging inschakelen was één van de manieren van de Raad voor de Kinderbescherming om te voorkomen dat een ongehuwde moeder haar kind ophaalde als zij eerder had besloten tot afstand, blijkt uit onderzoek van Omroep Gelderland en Trouw. De vereniging werd ingezet als tussenpartij: door de moeder vervroegd uit de voogdij te zetten, had zij minder rechten en kon zij moeilijker terugkomen op haar besluit.

Dat lijkt ook te gebeuren bij Trudy. De rechtbank zou haar definitieve ontheffing van de voogdij pas eind december 1969 behandelen. Maar nu Trudy trouwplannen heeft, gaat het een stuk sneller.

Jaren later in een pleeggezin

Trudy is hier vijftig jaar na dato nog steeds boos over. Als zij jaren later haar dossier inziet, ontdekt zij nog iets schokkends. De voogdij overdracht zou in het belang van haar zoon zijn geweest, zodat hij snel in een normaal gezin zou worden opgenomen. Maar in de papieren ontdekt Trudy dat haar zoon helemaal niet naar een pleeggezin gaat. Nog jaren brengt hij door in het tehuis. Daar lijdt hij aan 'moedergemis', heeft gezondheidsproblemen en maakt hij een trieste indruk. Daardoor is hij niet goed voor adoptie. Pas in 1970 vindt de voogdijvereniging een pleeggezin voor hem.

Het verlies van haar zoon is nooit een afgesloten hoofdstuk geweest. Trudy hoopt, net als vele andere afstandsmoeders en -kinderen uit die tijd, op erkenning van de staat over het leed wat haar en naar schatting zo'n 15.000 afstandsmoeders en kinderen is aangedaan.

Trudy als leerling verpleegkundige in het ziekenhuis in Zevenaar