Kip Copy schrijft voor u

portfolio

BOZAR MAGAZINE, november-december 2013

India, land van schoonheid

Het Paleis voor Schone Kunsten zet zijn deuren wagenwijd open voor de wereld van yoga, ayurveda en kama sutra... met europalia.india staat ons een periode vol ontdekkingen te wachten, van meesterwerken uit 50 Indiase musea die hun land niet eerder verlieten tot Carnatische zang en een indrukwekkende sculptuur van kunstenaar Anish Kapoor.

India is hot and spicy, meer dan ooit! Wordt er gesproken over de opkomende wereldmachten, dan valt steevast de naam van het grote Aziatische land. India lijkt de plaats te zijn waar het allemaal gebeurt op vlak van IT en technologie - ook de Belgische bedrijven weten dat. Maar vooral de eeuwenoude Indiase cultuur is omnipresent, van Indiase dans en heerlijk eten bij de plaatselijke Indiër tot populaire, vaak groteske Bollywoodfilms en razend actuele kunst. Ook bij BOZAR is de Indiase cultuur al jaren een gevestigde waarde. In het seizoen 2006-2007 was er ons onvergetelijk India Festival, en ook tijdens de eerste editie van Asia on stage (2010) konden we genieten van kunst uit India. Het mag niet verbazen dat ons enthousiasme groot was toen werd aangekondigd dat India centraal zou staan in het nieuwe seizoen van Europalia. De Indomania slaat toe - en laat dat nu net de titel zijn van één van de Europalia-tentoonstellingen... We spraken erover met Kristine De Mulder, gedreven directeur-generaal van Europalia sinds 2003.

Om met de deur in huis te vallen: waarom koos Europalia dit jaar voor India?

Het is in de eerste plaats een vanzelfsprekende stap in een reeks die we een beetje per toeval begonnen zijn in 2005 met Rusland. Later volgden China en Brazilië. Dan is India natuurlijk een logisch vervolg: het is ook één van de BRIC-landen (of de Grote Vier, Brazilië, Rusland, India en China; landen die zich in een vergelijkbaar stadium van economische ontwikkeling bevinden). De inhoudelijke reden ligt voor de hand: de cultuur van India is zo rijk, zo verscheiden… Voor kunsthistorici is het de ultieme droom om er een festival rond te maken.

Hoe verloopt de samenwerking met de Indiërs? Is het een andere manier van werken dan met Europese landen?

Je moet twee visies op dezelfde lijn krijgen, en daar gaat heel wat tijd over. Europalia bouwt samen met de partner een programma op, we leggen een thema vast en zoeken binnen de verschillende disciplines naar de meest objectieve, de meest representatieve en de meest verrassende aspecten van die cultuur. De verwachtingen van het gastland zijn niet altijd dezelfde als de onze - dat is overigens niet anders bij Europese landen. Zo zijn er artiesten die een bepaald regionaal belang hebben, maar waarvan wij weten dat ze hier niet zullen aanslaan. Wanneer wij 600 artiesten overbrengen van India naar Europa, is het de bedoeling dat ze voor volle zalen spelen...

De tentoonstelling India belichaamd toont topstukken die hun land nooit eerder verlieten. Hoe krijg je dat voor elkaar?

Dat vraag ik me nog altijd af! (lacht) Toen ik dit twee jaar geleden vertelde, las ik ongeloof in de ogen van veel mensen. Maar hoe dit dan wel gelukt is? Ten eerste dankzij de reputatie van Europalia. Ten tweede doordat we een hele goede curator hebben, die gerespecteerd is en een enorme wetenschappelijke kennis heeft. En ten derde door een partner in India die mee vecht en er ook in gelooft. Eigenlijk was ik er pas écht zeker van toen de vrachtwagens voor de deur stonden!

Waarin schuilt het geheim van de aantrekkingskracht van India op het Westen? Kan je dat in woorden vatten?

Er zijn verschillende redenen, denk ik. Voor mij is India het land van de schoonheid, al is het ook een land van veel contrasten. Vaak wordt gezegd dat als iets in India waar is, het tegengestelde ook waar zal zijn. In ieder dorp staat wel een tempel, een moskee of het graf van de een of andere maharadja of heilige. Het licht, de kleuren, de ongelofelijke rijkdom van het patrimonium... en dan de elegantie van de vrouwen in hun sari, het heeft iets betoverends! Bovendien spreekt ook de spiritualiteit veel mensen in het Westen aan, misschien wel als tegenwicht voor onze rationele ingesteldheid. Tegengestelden trekken elkaar aan.

Heb je bijzondere ervaringen opgedaan die je ook na het festival zullen bijblijven?

Véél! India is het meest romantische land ter wereld. Eén van die mooie momenten was toen ik met mijn man logeerde nabij een van de heilige rivieren, de Narmada. ’s Avonds zagen we dat ze speciaal voor ons honderden olielichtjes op de rivier hadden gelegd. We kregen ons diner op een bootje op de gitzwarte rivier, tussen al die lichtjes. En zo heb ik tientallen ongelofelijke, ontroerende verhalen waar ik nog altijd kippenvel van krijg als ik er aan denk!

Kan je één project van Europalia uitkiezen als aanrader?

Het project waar we het hardst voor gevochten hebben, en dat ook heel het festival overspant, is India belichaamd. Maar echt kiezen kan ik niet! (lacht). In het Paleis voor Schone Kunsten vinden bovendien verschillende activiteiten plaats in het kader van Europalia: van ontdekkingstochten voor kinderen of het gezin over dagstages, een reeks workshops en lezingen over yoga en ayurveda, tot onze Family Day India, film, concerten, een platform voor hedendaagse artiesten, een avond rond hedendaagse Indiase literatuur en onze bezoekersgids met gedichten die speciaal geschreven werden rond het kunstwerk van Anish Kapoor.

presentatietekst relatiegeschenk - Atelier Rozemarijn, juni 2016

lang

Hendrik Conscience, ‘de man die zijn volk leerde lezen’, wist hoe hij zijn vrienden kon plezieren. In 1851 schreef hij ontroerende levensverhaal neer van de schilder Edward Dujardin, die zijn boeken illustreerde. Het kreeg de titel Hoe men schilder wordt. We lezen er hoe de grootmoeder van Dujardin, zijn Meken, heel wat tranen vergoot bij de moeilijke start van de carrière van de jonge schilder. Maar uiteindelijk was het dankzij haar tranen en doorzettingsvermogen dat Dujardin zijn weg zou vinden in het schildersvak. Hendrik Conscience noemde het levensverhaal een ‘Gulden boeksken vol waardigheid, wijsheid en leering’ en voegde eraan toe: ‘Het moet in uw atelier liggen’. Dit was Consciences blijk van bewondering voor de schilder. Men kan het beschouwen als een 19e-eeuws relatiegeschenk.

Mijn ontwerp voor een hedendaags relatiegeschenk speelt in op dit bijzondere stukje Antwerpse geschiedenis. Wie het nieuwe ‘Gulden boeksen’ opent ziet een geschetste hand, met in de palm een traanvormige uitsparing. Daar is ruimte voor een diamant, uitgewerkt in zilver, die symbool staat voor Mekens tranen. De diamant doet dienst als fotohouder. Bij het afgeven van het geschenk kan men een wens schrijven op een kaart die meteen kan rechtstaan in de diamant.

kort

De 19e-eeuwse volksschrijver Hendrik Conscience schreef zijn vriendschap en bewondering voor schilder Edward Dujardin neer in het ontroerende boek Hoe men schilder wordt. Het beschrijft de levensloop van de schilder, die ook de boeken van Hendrik Conscience illustreerde. In het boek kan men lezen hoe de schilder zijn weg vond dankzij zijn grootmoeder, zijn Meken, die heel wat tranen voor hem vergoot. Conscience noemde het een ‘Gulden boeksken vol waardigheid, wijsheid en leering’.

BOZAR IS OPEN, januari 2015

De lieveling van de grootste orkesten

Stellen dat BOZAR de wereldtop van de klassieke orkesten te gast heeft, is een open deur intrappen. Eén blik op het programma toont aan dat met het Koninklijk Concertgebouworkest, de Wiener Symphoniker, het Mahler Chamber Orchestra en het Gewandhausorchester Leipzig - om er maar enkele te noemen - de agenda ook dit seizoen weer rijk gevuld is. En dan vergeten we nog de fel gesmaakte concerten van het Nationaal Orkest van België, ons huisorkest.

Het bijwonen van een klassiek concert heeft iets magisch. Het publiek dat langzaam de zaal indruppelt terwijl de bel kinkt door de gangen van de Henry Le Bœufzaal, en dan de orkestleden die plaatsnemen, hun instrument stemmen, de eerste flarden laten horen van wat later op de avond één groot muziekstuk wordt. Hoe bijzonder is het ook, ensembles uit Wenen, Rome en Venezuela die met hun instrument, van piccolo tot contrabas, naar hartje Brussel reizen om het publiek te laten luisteren naar hun muziek.

Het Paleis voor Schone Kunsten is een geliefde bestemming van de grootste orkesten, en dat is al zo sinds de beginjaren van het kunstenhuis. Er zijn heel wat redenen te bedenken waarom de orkesten zo graag te gast zijn bij BOZAR. Zo is er de ligging in Brussel, centraal in Europa en op een boogscheut van de concertzalen van Parijs, Amsterdam en het Ruhrgebied, wat van het Paleis voor Schone Kunsten een logische stap maakt op een rondreis. Dat gaat zeker op voor het Koninklijk Concertgebouworkest Amsterdam, dat in zijn geschiedenis het hoogste aantal buitenlandse concerten in het Paleis voor Schone Kunsten speelde.

Maar de kracht van de ligging alleen kan de aantrekkingskracht van het Paleis voor Schone Kunsten niet verklaren. Misschien speelt het Brusselse kennerspubliek ook een rol. Krijgt een orkest van ons een staande ovatie, dan is die welverdiend, en daar zijn de musici zich goed van bewust. Dan zijn er ook de bijzondere architectuur van Victor Horta en de akoestiek van de Henry Le Bœufzaal die, zowel voor publiek als voor de musici op het podium, uitstekend is. Al in 1946 werd er een rondvraag gedaan bij enkele wereldvermaarde dirigenten. Zij plaatsten de zaal in het rijtje tussen het Weense Musikverein, het Amsterdamse Concertgebouw en de Symphony Hall in Boston!

Ingesneeuwd

Misschien wel de belangrijkste reden voor een orkest om naar Brussel te komen, is het menselijke aspect. Heel wat musici hebben een bijzondere band met het Paleis voor Schone Kunsten. Muziekdirecteur Ulrich Hauschild zegt ons dat die orkesten niet automatisch tot bij ons komen. Het vraagt heel wat werk, maar ook toewijding. De komst van een honderdkoppig orkest loopt niet altijd op rolletjes. Zoals die keer dat de Wiener Philharmoniker te gast was, in maart 2013. “De ochtend na het concert was Brussel bedekt met een dikke, witte sneeuwlaag. Er werd niet gevlogen tussen Brussel en Parijs, waar hun volgende concert plaatsvond, en de wegen waren onberijdbaar. Ik ben dan maar op zoek gegaan naar een oplossing en wist uiteindelijk iedereen een bed te geven, in vier verschillende hotels”, vertelt Hauschild. Een van de musici reageerde als volgt: “Jammer dat we niet bij onze instrumenten kunnen (de bus met de instrumenten bevond zich intussen elders), anders zouden we het concert van vanavond ook hier in Brussel kunnen spelen...”

Het zijn niet alleen onvoorziene omstandigheden die om creatieve oplossingen vragen. Zo speelde de Britse dirigent Daniel Harding ooit een concert, net op de dag van een belangrijke voetbalmatch van zijn favoriete ploeg. Hij wou de match onder geen beding missen. Het was nog in de tijd van de videocassettes... De dirigent bezorgde er één aan de concierge van het Paleis voor Schone Kunsten, die de match voor hem opnam. Na het concert wou hij de match zo snel mogelijk zien en hij ging in de stad op zoek naar een plaats om de cassette te kunnen bekijken, samen met Leif Ove Andsnes (de solist van het concert), de toenmalige muziekdirecteur en een medewerker. En er zijn nog voetballiefhebbers onder de muzikanten! Zo stond er in de coulissen ooit een televisietoestel, zodat de muzikanten van het Concertgebouw Amsterdam Oranje konden zien scoren...

Première van Stravinski

Deze leuke anekdotes illustreren waar het echt om gaat: rondreizen hoort bij het leven van een muzikant, en een warm welkom is van het grootste belang. We laten Ulrich Hauschild nogmaals aan het woord: “Enkele jaren geleden verbleef ik een week in het zuiden van Frankrijk, samen met dirigent Robin Ticciati, toen nog een piepjonge muzikant. We discussieerden intens over het programma, het repertoire... Het is iemand met wie ik heel open ideeën kan uitwisselen, en onze professionele relatie is op deze ervaring gebaseerd.” In november resulteerde dit in een schitterend concert met Robin Ticciati aan het hoofd van het Concertgebouworkest Amsterdam.

Tot slot nog een weetje: verschillende grote componisten brachten werken in wereldpremière in de Henry Le Bœufzaal. De Psalmensymfonie van Igor Stravinski bijvoorbeeld werd er voor het eerst uitgevoerd door Ernest Ansermet, met Stravinski zelf aan de piano. Misschien beleef je in onze zaal wel de première van een van de grootste muziekstukken van de 21e eeuw!

Design Vlaanderen, Kwintessens 2012/1

magazine deFilharmonie + Staalkaart, mei 2016

Irrsal, dwalen door het Weense platteland

Het filmconcert Irrsal opent de fijngevoelige wereld van de negentiende- eeuwse liedcomponist Hugo Wolf, die heel wat teksten van Eduard Mörike op muziek zette. Ondanks hun eenvoud zijn de liederen niet zomaar te vatten. De Belgisch-Catalaanse videokunstenares en theaterregisseur Clara Pons maakte een eigenzinnige film bij de orkestliederen van Wolf, die op het podium gezongen worden door de Duitse bariton Dietrich Henschel. De orkestpartituur wordt gespeeld door deFilharmonie onder leiding van hoofddirigent Philippe Herreweghe. Het project wordt uitgevoerd in Antwerpen, Gent en Den Haag en verscheen eerder op cd en dvd bij Evil Penguin.

Lien Vanreusel

Een filmconcert samenstellen is steeds een evenwichtsoefening. Vaak wordt een film voorzien van raak gekozen muziek, of een nieuwe compositie begeleidt de beelden. De muziek voegt dan een laag toe die de beelden kracht bijzet. Irrsal vertrekt vanuit het omgekeerde gegeven: aan de basis van het project liggen enkele uiterst poëtische en dramatische liederen van Hugo Wolf, die in de film de vorm kregen van een passieverhaal. De film is opgebouwd als een triptiek die de spirituele dwaling in beeld brengt van een katholieke priester, belichaamd door Dietrich Henschel. De priester wordt verliefd op een raadselachtige vrouw en worstelt met het celibaat: een confrontatie van de menselijke en de goddelijke liefde, het thema dat centraal staat in de poëzie van Mörike. Als locatie voor de film werd het Weense platteland gekozen, de heimat van Hugo Wolf.

Openen wat gesloten was

Irrsal is één van die Duitse woorden die niet eenduidig te vertalen zijn. Het is te vinden in een gedicht uit de cyclus Peregrina van Eduard Mörike:‘Ein Irrsal trat in die Mondscheingärten einer einst heiligen Liebe’. Irrsal betekent letterlijk 'dwaling', maar het woord suggereert veel meer: het duidt op hulpeloosheid, desoriëntering, het gevoel verloren te zijn. Het wijst op emotionele nood en zelfs op morele wanhoop. Net die raadselachtige geslotenheid maakte het woord geschikt als titel voor dit filmproject, vertelt regisseur Clara Pons. ‘De gedichten van Mörike maken deel uit van de Duitse cultuur, maar zijn toch niet zo gemakkelijk te begrijpen, ook niet door Duitsers. De wereld is sindsdien immers grondig veranderd en veel van wat er staat heeft nu geen functie meer. Samen met Dietrich Henschel wilden we de tekst en de liederen bevattelijk maken. We wilden opnieuw openen wat gesloten was. De beelden houden het midden tussen een verklaring en een commentaar. We willen geen leraar worden of een mening opdringen. De toeschouwer moet zijn verbeelding kunnen gebruiken. Of dat werkt, is natuurlijk een andere zaak.’

Speelbal tussen Wagner en Brahms

Het cd-boekje bevat een tekst die Dietrich Henschel schreef samen met Stefan Grondelaers. Ze leggen er de drijfveren van Hugo Wolf en Eduard Mörike naast elkaar: ‘Waanzin, marginaliteit en genie waren de hoekstenen van de korte carrière van Hugo Wolf, die de muziekgeschiedenis verblijdde met liederen met een ongekend geconcentreerde expressieve intensiteit, die geschreven zijn in een muzikaal idioom dat sterk herinnert aan dat van Wagner.’ De carrière van Hugo Wolf kende hoogtes en laagtes. Hugo Wolf leed aan syfilis sinds hij 17 was; meer dan waarschijnlijk had hij de ziekte opgelopen bij een prostituee. De ziekte deelde zijn creatieve leven op in periodes vol energie, afgewisseld met jaren van diepe depressie waarin hij niet in staat was om te componeren. Maar ook zijn temperament speelde hem parten. Hugo Wolf kon moeilijk om met kritiek. Hij was een groot bewonderaar van Richard Wagner, wiens muziek aan het einde van de negentiende eeuw het muzikale establishment irriteerde.De strijd tussen de 'conservatieve' Brahms en de avant-gardist Wagner maakte dat Wolf in het verweer ging. Tijdens periodes waarin hij niet componeerde, wijdde hij zich aan muziekkritiek, waarbij hij de muziek van de strekking van Brahms sterk veroordeelde. Zijn kritiek riep echter verontwaardiging op, waardoor zijn kwaliteiten als componist in de schaduw kwamen te staan.Twijfel zou hem de rest van zijn carrière blijven achtervolgen.

Getormenteerde ziel

Het meest productieve jaar uit de carrière van Wolf is rechtstreeks verbonden met de poëzie van Eduard Mörike. In 1988 componeerde hij maar liefst 53 liederen op tekst van Mörike, in slechts enkele maanden tijd. We kunnen spreken van een echte fascinatie.Wolf had ook contacten met andere dichters, maar enkel Mörike gaf hem zoveel inzicht in zijn eigen getormenteerde ziel. Mörike was niet voorbestemd om dichter te worden. Hij verloor al vroeg zijn ouders en werd grootgebracht door zijn oudere zus en een oom die voor hem een kerkelijke carrière voor ogen had. Voor Mörike was het priesterschap niet meer en niet minder dan zijn broodwinning. Zijn eerste gedichten schreef hij na zijn kennismaking met Maria Meyer, een beeldschone dienster met wie hij een passionele verhouding begon. Mörike moest een einde maken aan de relatie, die hem levenslang zou bijblijven. De affaire met Maria Meyer is nadrukkelijk aanwezig in Mörikes Peregrina-cyclus, maar ook in heel wat andere gedichten is er een spanning tussen liefde en lust, verantwoordelijkheid en schuld, verlossing en opoffering.

pitch recruteringsbedrijf Nōhau, maart 2016

Anders en beter: onze nieuwe coöperatieve vennootschap Nōhau lanceert met veel ambitie een alternatief voor de bestaande werving- en selectiemethodes. De juiste man of vrouw vinden voor een bepaalde functie is immers niet altijd een evidentie. Nōhau wil daar wat aan doen. Met ons pilootproject Adcoplus lanceerden we één jaar geleden onze nieuwe manier van recuteren. We spraken enkele bedrijven aan die ons al snel hun vertrouwen gaven. Adcoplus nam een vliegende start. Nu zijn we helemaal klaar voor het echte werk: onlangs hielden we Nōhau boven de doopvont!

Ons revolutionaire concept vertrekt vanuit een sterk netwerk waar bedrijven op kunnen bouwen. We werken met connectoren, dat zijn mensen die in hun omgeving uitkijken naar het juiste profiel. Vinden zij een kandidaat voor een openstaande functie, dan worden zijn kennis en vaardigheden getoetst aan de markt. En wie kan dat beter dan iemand met ervaring in het betreffende vakgebied? Dit is het moment waarop de experten in beeld komen: vaklui die hun expertise graag inzetten voor ons bedrijf. Centraal in onze werkwijze staat het respect waar zowel klanten als kandidaten recht op hebben. Kwaliteit gaat voor op kwantiteit; we streven niet naar het grootste aantal kandidaten, maar zoeken gericht naar de perfecte match.

Niet enkel Nōhau vaart wel bij dit systeem, u ook. Meer nog: we hebben u nodig. Misschien heeft u tien jaar of meer ervaring in uw vakgebied. Staat u wel eens bij stil bij het enorme potentieel van die kennis? Wilt u uw ervaring ook buiten uw huidige werksituatie inzetten, word dan één van onze experten. We hebben u er graag bij. Of heeft u een uitgebreid professioneel netwerk? Laat ons gebruik maken van uw relaties en word lid van onze groep van connectoren.

Leeftijd zien wij als een troef, niet als een last. Het idee om bestaande ervaring opnieuw te vermarkten, viel bij de overheid in goede aarde. Daarom zijn we nu een coöperatieve vennootschap. We maken bewust de keuze voor sociaal verantwoord ondernemerschap, gebaseerd op solidariteit. Dat wil zeggen dat u als expert of connector aandelen van ons bedrijf kan kopen. Zo wordt onze band nog sterker: als coöperant heeft u inspraak in de keuzes die we maken. We ondernemen samen met de blik op de toekomst.

Uw waardevolle kennis en relaties opnieuw laten renderen: wij zijn er helemaal klaar voor. Want Nōhau gelooft in de kracht van mensen!

BOZAR Magazine juli-augustus 2013

De internationaal gerenommeerde illustrator Ever Meulen kijkt vol bewondering naar het werk van Will, de bedenker van de strip Baard en Kale. Uit een dertigtal reproducties spreekt Wills passie voor design en architectuur. Ontdek in deze tentoonstelling waar Will in uitblonk: de kracht van de lijnen, het gevoel voor compositie in het strikte kader van een stripvakje en de dynamiek die een strip eigen is.

website zelfplukboerderij Oogstgoed, augustus 2015

De eerste maanden Oogstgoed

Toen we hoorden dat er een nieuwe zelfplukboerderij in de Meersen kwam, waren we er als de kippen bij. Ik wist nog niet dat er ook echt kippen zouden komen. Schaapjes. Bijtjes. En varkens, heel binnenkort. Joehoe, varkens!

Al ben ik geen echt groentje als het op tuinieren aankomt, toch stond ik er van te kijken hoe een weide op zo'n korte tijd kan veranderen in een gigantische groentewinkel. Als ik op mijn fiets spring lijkt het wel alsof ik naar het beloofde land rijd, zeker in de zomer nu de oogst nog groter lijkt dan mijn plukvreugde.

Verse, zelfgeplukte erwtjes eet ik niet ieder jaar. Dat is de prijs van het stadsleven, dacht ik altijd. Nu moet ik nu tien minuten fietsen om echt op de boerenbuiten te zijn, ik had het niet kunnen dromen.

Vaak kom ik op mijn eentje naar het veld, maar meestal gaan de kinderen mee. De speeltuin in de buurt heeft aan charme verloren: nergens in Gentbrugge kan je je zo gezellig vuilmaken als bij Oogstgoed. Dochter wil bioloog worden en onderzoekt ieder insect dat haar pad kruist, zoon twijfelt nog tussen ridder en boer. Ronny de echte boer mag zich bij iedere ontmoeting verwachten aan een reeks vragen over hoe de tractor werkt.

Oogstgoed heeft al voor heel wat ‘eerste keren' gezorgd: uien planten, met blote voeten de geoogste rogge omkeren, zelf een bloemkool afsnijden, op een tractor zitten (zoon)... En zelfgeoogste groenten smaken beter, zeker bij de kinderen. Dochter was ooit een heel moeilijke eter. Rode biet en warmoes zijn nu geen probleem meer. Op weg naar huis is meestal al een komkommer op, of wat er voorhanden is. Misschien gaat het enthousiasme nog wel eens tanen, maar het houdt nu toch al enkele maanden aan (al gaan we nog niet meteen warmoes invriezen om de winter door te komen).

Ik voel me verwend dat ik al dat lekkers mag oogsten en dat ik 'mag' komen werken - wat een contrast toch met het echte boerenleven dat geen rekening houdt met weer en wind.

BOZAR STUDIOS, april 2011

festivalkrant Klarafestival, september 2008

ALEKSANDAR MADZAR: STEVIG OP DE DANSVLOER

Met een ferme uitvoering van de Sonate D 958 van Schubert opende de Servische pianist Aleksandar Madzar zijn middagconcert in de Beursschouwburg: gearticuleerd, fijn maar stevig. Madzar voelde zich hier thuis. Dit was een Schubert zonder franjes, gespeeld door een minzame pianist die nooit scherp is of zijn noten breed uitsmeert. Melodieën van Schubert herkenden we ook in Wasserklavier (1965) van Luciano Berio, de Italiaanse componist die het modernistische credo aan zijn laars lapte. Wasserklavier had in de 19e eeuw geschreven kunnen zijn. Het fijne, intimistische werkje is een stijloefening met herinneringen aan Schubert en Brahms. Bij Madzar leek het wel een muzikaal grapje, een parelende overgang naar het volgende grote stuk. De Valses nobele et sentimentales van Maurice Ravel klonken zoals de titel aangeeft: nobel en met ingetogen sentiment, nooit bombastisch of zwaarwichtig. In de heftige passages toont Madzar zich een stevige danspartner die weet waar hij heen wil op de dansvloer.

Jeugdtheaterhuis Larf!, flyer, mei 2016

Larf! onderzoekt samen met jou wat theater maken is. We keren een thema binnenstebuiten, bedenken spannende personages, verknippen een verhaal en plakken het op onze heel eigen manier weer in elkaar. Dit jaar verkennen we de wereld van de oude Grieken en hun goden. Klaar om mee naar de onderwereld te reizen? We zien hoe goden en halfgoden hun vetes uitvechten en herbeleven de Trojaanse oorlog. Van Oedipus tot Elektra: geen complex gaan we uit de weg. Straffe theatermakers wijzen de weg!

BOZAR Magazine juli-augustus 2013

bOb Van Reeth, grote naam van de Belgische architectuur

bOb Van Reeth, een van de invloedrijkste naoorlogse architecten die België rijk is, wordt zeventig. Terugblikken op zijn rijk gevulde carrière van een halve eeuw doen we met een tentoonstelling en bijhorend boek. bOb Van Reeth - Architect toont een breed overzicht van zijn oeuvre. De tentoonstelling begint in de Mechelse Dossinkazerne die onlangs de deuren opende voor het publiek, en gaat terug in de tijd tot aan de ontwerpen uit zijn studietijd. Zijn eerste woningen zijn vandaag nog opmerkelijk. Kenmerkend is hoe verschillende functies van het huis en zijn omgeving, binnen en buiten, boven en beneden, in en over elkaar schuiven en elkaar raken. Elementen die vooruitwijzen naar de vraag die centraal staat in de tentoonstelling: hoe kun je ingrijpen in de organisatie van het private en het publieke domein? De ontwerpen van bOb Van Reeth - die van 1999 tot 2005 de eerste Vlaamse Bouwmeester was - oefenden vanaf de laten jaren 60 veel invloed uit op zijn generatiegenoten. De tentoongestelde stukken werden gekozen uit duizenden archiefdozen met schetsen, plannen, foto’s, documenten, maquettes en presentatiemateriaal. Ben je niet vertrouwd met de architectuur van bOb Van Reeth? Misschien heb je wel al een koffie gedronken in het Antwerpse Zuiderterras, een uniek café-restaurant met uitzicht op de Schelde, of wandelde je langs het Huis Van Roosmalen, een iconisch zwart-wit gestreept gebouw langs de Scheldekaaien. Verdiep je dankzij deze tentoonstelling in het werk van een groot architect!

fragment uit een vertaling voor Tempora, april 2017

originele tekst:

Pologne 1945 : libération rime avec satellisation. L’Armée Rouge campe sur le territoire polonais et le parti communiste (Parti Ouvrier Unifié Polonais ou POUP) est au pouvoir. Au début, les apparences du pluralisme et d’un modus vivendi avec l’Eglise masquent l’impitoyable répression de la résistance armée ou civile. Puis la « guerre froide » entraîne la soviétisation forcée du pays et une répression tous azimuths. En septembre 1953, le Primat de Pologne, le cardinal Stefan Wyszynski est interné.

Février 1956 : Khrouchtchev, le premier secrétaire du parti communiste soviétique, dénonce les crimes de Staline dans un rapport secret. Diffusé dans les organisations du POUP et largement connu de la population, il contribue à l’apparition d’un vrai mouvement social : grève des ouvriers de Poznan et répression d’une manifestation pacifique (58 morts) en juin ; messe réunissant un million de personnes autour du fauteuil vide du cardinal Wyszynski en août ; manifestations étudiantes en octobre.

Face à ces événements, le 21 octobre 1956, le comité central du POUP élit une nouvelle direction et annonce une nouvelle politique. Cinq jours plus tard, le cardinal Wyszynski revient à Varsovie.

vertaling:

Polen 1945: De bevrijding gaat hand in hand met de oprichting van satellietstaten. Het Rode Leger is op Pools grondgebied gelegerd en de Communistische Partij (Poolse Verenigde Arbeiderspartij of PZPR) is aan de macht. Aanvankelijk maskeren het opkomende pluralisme en een modus vivendi met de Kerk de meedogenloze repressie van het gewapende of burgerlijke verzet. De ‘Koude Oorlog’ ligt aan de basis van de gedwongen sovjetisering van het land en een allesomvattende repressie. In september 1953 krijgt de primaat van Polen, Kardinaal Stefan Wyszynski, huisarrest.

Februari 1956: Chroesjtsjov, de Eerste Secretaris van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie, klaagt in een geheim rapport de misdaden van Stalin aan. Het wordt verspreid binnen de organisaties van de PZPR en is bij grote delen van de bevolking gekend. Zo draagt het bij tot de opkomst van een echte sociale beweging: in Poznan zijn er arbeidersstakingen en in juni wordt een pacifistische betoging neergeslagen (58 doden); in augustus brengt een mis een miljoen mensen samen rond de lege stoel van kardinaal Wyszynski; en in oktober volgen er studentenbetogingen.

fragment uit een vertaling voor ensemble Les Métamorphoses, maart 2017

originele tekst:

Vous avez dit « Sturm und Drang » ? Datée de 1768, la Symphonie n°49 de Josef Haydn est l’une des plus sombres jamais composée par l’artiste. Parce que destinée à la Semaine Sainte et censée décrire le martyr du Christ – d’où son titre (apocryphe), « La Passion » ? Probablement. Caractéristique pas banale : les quatre mouvements cheminent en fa mineur, tonalité du deuil alors assez peu usitée dans la musique instrumentale. Elle marque en revanche les sept parties du Stabat Mater de Vivaldi et les premiers et derniers volets de celui de Pergolèse. Pour ne pas complètement quitter le temple, la structure d’ensemble se souvient de celle de la sonate d’église baroque – lent (adagio), vif (allegro di molto), lent (menuet), vif (Presto). De l’introduction recueillie du premier mouvement aux bourrasques angoissées du finale, il n’y est quasiment question que d’oppression et de tension.

vertaling:

“Sturm und Drang”, zei u? De Symfonie nr. 49 uit 1768 is een van Joseph Haydns somberste symfonieën. Is dat zo omdat ze bestemd was voor de Goede Week en het martelaarschap van Christus beschrijft, waar het werk ook zijn (apocriefe) titel La passione aan dankt? Waarschijnlijk wel. Niet onbelangrijk: de vier bewegingen staan in fa-klein, de toonaard van de rouw, die weinig gebruikelijk is in de instrumentale muziek. Ook de zeven delen van het Stabat Mater van Vivaldi en de eerste en laatste luiken van dat van Pergolesi werden in deze toonaard geschreven.

De structuur van het geheel heeft eveneens een religieuze connotatie. Ze herinnert aan de barokke kerksonate, met achtereenvolgens een langzaam deel (adagio), een snel (allegro di molto), een langzaam (menuet) en een snel deel (Presto). De hele symfonie wordt beheerst door een gevoel spanning of beklemming, van de inleiding van de eerste beweging tot de angstige stormen van de finale.

fragment uit een vertaling voor KVS, maart 2017

originele tekst:

Je suis, depuis des mois, travaillé par une question lancinante, qui revient cogner en moi comme une migraine, récurrente, familière. Pourquoi de jeunes hommes et jeunes femmes, nés dans mon pays, issus de ma culture, dont les appurtenances semblent recouvrir les miennes, décident-ils de partir dans un pays en guerre et de tuer au nom d’un Dieu qui est aussi le mien ? Cette question violente a pris une dimension nouvelle le soir du 13 novembre 2015, quand cette évidence effrayante m’a déchiré intérieurement : une partie de moi venait de s’en prendre à une autre partie de moi, d’y semer la mort et la douleur. Comment vivre avec cette déchirure ? Ainsi a pris forme, peu à peu, ce dialogue épistolaire entre un père philosophe et sa fille partie faire le djihad… Ce dialogue impossible, difficile, je l’ai imaginé.

vertaling:

Al een maand lang houdt een prangende vraag me bezig, die hamerend terugkeert als een vertrouwde migraine. Waarom besluiten jonge mannen en vrouwen die in mijn land geboren zijn, tot mijn cultuur behoren en dezelfde bekommernissen lijken te hebben, om naar een land in oorlog te vertrekken en te doden in de naam van een god die ook de mijne is? Deze heftige vraag kreeg een nieuwe dimensie op de avond van 13 november 2015, toen een vreselijk besef me innerlijk verscheurde: een deel van mij botste met een ander deel en zaaide er dood en verderf. Hoe kun je leven met deze verscheurdheid? Zo kreeg deze epistolaire dialoog tussen een filosofische vader en een dochter die deelneemt aan de jihad, beetje bij beetje vorm. Deze moeilijke, onmogelijke dialoog heb ik bedacht.

webteksten meubelatelier Miel Cardinael (2016-2017)

Coffee & Biscuits

Eén koffietafeltje, twee of drie? Schuif een tafeltje bij je zetel of haak het in de andere tot een groter geheel. Coffee & Biscuits is een no-nonsense-ontwerp dat in heel wat huiskamers past. Het massieve houten blad wordt gedragen door lichte pootjes die samen voor een vrolijke chaos zorgen.

Blocks & Grooves

Blocks & Grooves is een set van 12 trapeziumvormige houten blokken met groefjes die in elkaar passen. Houd je constructie in balans en maak mooie grafische composities. Voor een verstrooid moment op je bureau, als object in je interieur of gewoon voor tussen het speelgoed.

A fish called whale

Er was eens een vis die een walvis wilde zijn... Met één grote sprong uit het water lukt het hem. A fish called whale is een leuk object voor op kast of vensterbank. Wil je spelen? Kies de kermisversie-met-hengel en vis je visje.

Öland

Öland, een eiland in de Oostzee. De kaarshouder heeft een gelaagde structuur van hout en witgelakt aluminium. De theelichtjes, verzonken in het hout, zijn niet zichtbaar. Hun vlam reflecteert op het witgelakte metaal. De kaarsjes doven als het vallen van de avond.

V

Vele v-tjes maken één kapstok. V is licht, compact, snel weg te zetten en even snel weer opgezet. Kies zelf de kleur van het touwtje dat de houten benen vasthoudt. V past in de hal en in de slaapkamer.

programmaboekje BOZAR - 02.06.2009 - interview met Luc Brewaeys

“Ik hou wel van kleine uitdagingen”

Luc Brewaeys komt dit seizoen uitgebreid aan bod bij BOZAR MUSIC. En dat mag wel, want hij is een van de grootste componisten van ons landje. De naam Brewaeys klinkt tot ver over de landsgrenzen heen. Tijd om ook het Belgische publiek de kans te geven zich in zijn oeuvre te verdiepen. Een gesprek.

Wat is de rol van elektronica bij het componeren?

Ik componeer tegenwoordig aan de computer, maar dat is om puur praktische redenen. Een handschrift is mooier. Ik herinner me hoe ik vroeger, met de hulp van mijn vrouw en enkele vrienden, moest knippen en plakken. 73 notenbalken onder elkaar, titels overschrijven... een monnikenwerk! Ik componeer nu ook stukken waarin elektronica deel uitmaakt van de bezetting. Bij Ictus zeggen ze dat mijn goede vriend Jonathan Harvey mijn geestelijke vader is. Dat klopt ongetwijfeld. Harvey was een van de eersten die elektronica en live instrumenten op zo’n smaakvolle manier integreerde.

Pierre Boulez zei ooit dat creativiteit de kunst is om je invloeden te camoufleren.

Ik heb ook bij Xenakis gestudeerd. Die stelde, erbij vertellend dat dit onmogelijk is: “Ik probeer bij elk stuk van nul te beginnen”. Maar dat kan dus niet! Je bent nu eenmaal beïnvloed door de muziekgeschiedenis, door de populaire muziek, de jazz... Kris Defoort komt uit de wereld van de jazz, Frank Nuyts inspireert zich op popmuziek. Ik ‘ontleen’ ook, maar verstop dat veel meer. Mijn directe invloeden dank ik eerder aan Jonathan Harvey, Pierre Boulez of Tristan Murail (en met hem de spectrale school).

Kan je in het kort de essentie van het spectrale denken samenvatten?

Het is eigenlijk heel simpel. Eender welke klank bestaat uit een grondtoon en boventonen. De sterkte van de boventonen binnen een spectrum bepaalt je klankkleur. De klarinet bijvoorbeeld heeft veel oneven boventonen, bij de hobo is dat net omgekeerd. Het basisidee van de spectralisten bestond er oorspronkelijk in met synthezisers deze klanken zelf te maken. Je neemt een grondtoon, voegt er boventonen bij, zet die wat luider of zachter en zo bouw je je klank op. Spectralisten passen datzelfde principe toe op instrumenten. Het komt er in feite op neer dat je een klank creëert door middel van een aangepaste orkestratie.

Waarin verschilt jouw muziek van die van de spectralisten?

Wat me stoorde aan de spectrale muziek is het ‘langzame’ karakter ervan, en het feit dat spectrale muziek weinig melodie bevatte. Ik heb nood aan melodie – ik heb dan ook in Italië gestudeerd. Het feit dat we op de grens van twee taalgebieden wonen, is bepalend voor mijn muziek. Ik ben opgegroeid in het Frans en ben beïnvloed door de Franse school, het spectralisme en Boulez, maar ook door de Germaanse muziek, Mahler en Beethoven. Voor mij is spectralisme gewoon een basistechniek. Er komt echter veel meer bij kijken. Zo’n tien jaar geleden begon ik te werken rond het begrip snelheid.Wat is er zo leuk aan de muziek van pakweg Steve Reich en John Adams? Die gaat vooruit. Frank Nuyts heeft me ooit uitgedaagd om ook snel te schrijven. Dat heb ik onder de knie, en nu ben ik weer met wat anders bezig. Nu probeer ik, zonder dat je het hoort, valse noten in het spectrum binnen te brengen. Mijn laatste partituur zit vol kwarttonen die daar eigenlijk niet thuishoren. Nu heb ik gemerkt dat ik nog een stap verder kan gaan.

Een van de nieuwe werken die in het Paleis voor Schone Kunsten in première gaan, is een compositie voor cellist Arne Deforce (07.03.2010).

Ik hou wel van kleine uitdagingen. Zo bedient Arne de elektronica zelf. Hij zal het stuk overal kunnen uitvoeren zonder dat daar iemand bij nodig is: hij heeft een versterker nodig, een luidspreker, wat machinerieën en twee of drie laptops. Ik heb niet zoveel ervaring met onemantoestanden, Arne wel. Daarom ben ik nog niet aan het stuk begonnen: ik moet eerst weten wat de mogelijkheden – of beter de onmogelijkheden – zijn. Het stuk mag moeilijk zijn, maar moet wel uitvoerbaar blijven.

Heeft een werk ooit een eindpunt, of blijf je herschijven, net als Boulez?

Af is af, dat is zeker. Ik ben geen Boulez – al houd ik erg van zijn muziek! Eens een stuk ten einde is, kom ik er niet meer op terug, tenzij hoogst uitzonderlijk. Twee delen van mijn Achtste symfonie zijn wel al enkele jaren geleden uitgevoerd. Tegenwoordig plan ik beter, en zijn mijn stukken wel op tijd klaar... (Nu speelt het Nationaal Orkest van België de volledige Achtste symfonie - n.d.r).

programmaboekje BOZAR - 20 maart 2016

het Nationaal Orkest van België o.l.v. Michael Schønwandt Het romantische verlangen naar het absolute

Het Klarafestival editie 2016 is opgevat als een collage van verhalen over de passie van de mens en zijn compassie met de medemens, met religieuze en spirituele muziek als vertrekpunt. Met de Negende symfonie van Bruckner maken Michael Schønwandt en het Nationaal Orkest van België een keuze die naadloos bij dit thema aansluit. Voor Bruckner was religie een noodzaak. Zijn hele wezen was er van doordrongen, en dat geldt ook voor zijn muziek. Zijn Negende en laatste symfonie is er het beste bewijs van. De legende wil dat Anton Bruckner ooit knielde tijdens de les contrapunt omdat hij wat verderop het kerkkoor hoorde zingen. Bruckner was met andere woorden een uiterst religieus en devoot man.Toch was zijn Negende symfonie de eerste die hij expliciet aan God opdroeg. Ze klinkt donkerder, apocalyptischer, met meer twijfel en agressiever dan de werken die hij voordien componeerde. Aan zijn arts Richard Heller schreef hij de volgende woorden: “Kijk, ik heb al symfonieën opgedragen aan twee majesteiten, de arme koning Ludwig en onze befaamde keizer, de hoogste aardse majesteit die ik erken. Nu heb ik beslist om mijn laatste werk op te dragen aan de koning der koningen, onze goede Heer, en ik hoop dat hij me voldoende tijd verleent om het af te werken en dankbaar mijn geschenk aanvaardt. Daarom wil ik het Allelujah [waarschijnlijk bedoelde hij het Te Deum] van de tweede beweging met alle mogelijke kracht laten terugkeren in de finale, zodat de symfonie eindigt met een lied dat de goede God verheerlijkt."

Met zijn Vierde, Zevende en met name ook zijn Negende symfonie opende Anton Bruckner een nieuw muzikaal en spiritueel terrein. Zijn werken droegen een paradox in zich. Hij eerde de goden van het muzikale conservatisme in een tijd waarin de compositieregels werden ontmanteld door figuren als Gustav Mahler en Richard Strauss. Brucker koos ervoor om tijdens zijn leven muzikale principes te verkennen die eeuwen geleden al verlaten werden: hij volgde de wetten van het contrapunt, die van hem een buitenbeentje maakten in het progressieve laat-19e-eeuwse Wenen.Tegelijkertijd maakte Bruckner met dit werk de muzikale overstap naar de twintigste eeuw. Hij bouwde voort op de erfenis van Wagners Tristan und Isolde en liet al de vernieuwingen doorschemeren van Stravinski, Bartók en de Tweede Weense School.

Het is een van de meest onbegrijpelijke tegenstellingen in de geschiedenis van de westerse muziek: hoe kon Bruckner, een brave, bescheiden, zelfs enigszins eenvoudige man, zo’n ongelofelijke, overweldigende muziek schrijven? De Negende symfonie, een van de drie symfonieën waarin Bruckner Wagnertuba’s gebruikte, is een eerbetoon aan zijn afgod Wagner. Bovendien is het een symfonische kathedraal, een magistraal meesterwerk dat de toehoorder een bijna spirituele ervaring bezorgt. Mahler vatte de contrastrijke tegenstelling tussen Bruckner als mens en Bruckner als componist treffend samen: “halb Genie, halb Trottel” – half genie, half stumperd.

“Ik heb geen zin om aan mijn Negende te beginnen, ik durf niet, want Beethoven heeft met zijn Negende een punt achter zijn leven gezet”, zo verklaarde Anton Bruckner. De 19e-eeuwse componisten werden achtervolgd door de enorme erfenis van Beethovens negen symfonieën. Ze geraakten niet verder dan dit cijfer: Bruckner stierf inderdaad zonder zijn Negende te hebben afgewerkt, Mahler en Schubert gaven de geest bij het begin van hun Tiende, terwijl Brahms en Schumann het bij het cijfer vier hielden... Het was wachten op Sjostakovitsj, 150 jaar later, vooraleer dit fenomeen stopte! Bruckner begon aan zijn Negende symfonie te werken in 1887 (negen jaar vóór zijn overlijden), maar zoals bij de meeste van zijn composities verliep het scheppingsproces traag en moeizaam. Een van de redenen hiervoor was ongetwijfeld dat hij zijn eerdere composities niet ongemoeid kon laten. In het laatste decennium van zijn leven bijvoorbeeld besteedde hij erg veel tijd aan de herwerking van zijn Eerste en Derde symfonie en twee missen. Bovendien had Bruckner veel verplichtingen buiten het componeren; ironisch genoeg had dit tot gevolg dat hij zich pas ten volle aan zijn kunstenaarschap kon wijden vanaf 1895, toen zijn ziekte hem verhinderde om andere dingen te doen.

Volgens de overlevering zou Bruckner tot op de dag van zijn overlijden (11 oktober 1896) aan de Negende symfonie gewerkt hebben, maar toch maakte hij van het laatste deel alleen maar enkele schetsen. Kort voor zijn dood – waarvan hij de onafwendbaarheid ongetwijfeld inzag – stelde Bruckner daarom voor om de drie afgewerkte delen van zijn aan "dem lieben Gott" opgedragen symfonie te laten besluiten door de uitvoering van zijn Te Deum. In de praktijk werd en wordt deze wens van de componist zelden of nooit vervuld, vooral omwille van het erg grote stilistische onderscheid tussen de twee werken en de praktische complicaties ervan.

Overigens zijn de nagelaten schetsen erg interessant omdat ze laten zien dat Bruckner in de finale twee van zijn meest typerende en geliefkoosde schrijfstijlen centraal wou stellen, namelijk de fuga en het koraal. Maar ook in de eerste drie delen van de symfonie is zijn signatuur onmiskenbaar door het monumentale karakter, de prominentie van de koperblazers en het religieuze aura, naast het voor Bruckner zeer typerende begin van het eerste deel met een tremolo in de strijkers, waarboven een melodie ontvouwen wordt (cf. de Negende symfonie van Beethoven, die hiervoor ongetwijfeld model stond). Er dient ook gewezen te worden op nog een zeer specifiek kenmerk van Bruckners symfonische kunst, namelijk de 'monolithische' opbouw van zijn composities. Concreet betekent dit dat Bruckner geen dynamische, maar een eerder statische compositietechniek hanteerde. In plaats van de muziek als het ware organisch te laten ontwikkelen (zoals dat gebeurt in de symfonieën van Haydn, Mozart, Beethoven, Schubert, Schumann, Brahms en vele anderen) koos Bruckner voor een duidelijk gesegmenteerde opeenvolging van muzikale blokken die elk een eigen, afgebakende identiteit hebben (bijvoorbeeld door de ostinato-herhaling van een ritmisch motief, door de sequensmatige herhaling van een melodisch gegeven of door de specifieke orkestkleur). Bruckners muziek kreeg hierdoor een enorme zwaarte, een kracht, die een kolossale, volgens sommigen zelfs kosmische uitstraling heeft.

De meeste interpretatoren hebben vooral aan het Adagio uit de Negende symfonie veel aandacht besteed. Voor een groot deel heeft dit natuurlijk te maken met het feit dat dit deel Bruckners laatste afgewerkte compositie is. Maar er is meer: in geen enkel ander werk ging Bruckner verder in zijn exploratie van de mogelijkheden van de tonale muziek. Karakteristiek in dit opzicht is het thema van het Adagio, dat door zijn samenstelling uit grote intervallen enerzijds en chromatische overgangen anderzijds een opmerkelijk vrije en asymmetrische structuur heeft. Typisch voor Bruckner is evenwel dat deze redelijk gedurfde melodische lijn ondersteund wordt door een harmonie die op centrale momenten terugkeert naar oertraditionele steunpunten. Bruckners muziek straalt daardoor vrijwel altijd een zekere onwrikbaarheid uit, die voor de enen als een toonbeeld van simplisme geldt, maar door anderen als een emanatie van het goddelijke zelf wordt beschouwd.

Anton Bruckner ging de geschiedenis in als een naïeve componist, die onvoorbereid een plaats zocht op het concertpodium en een storm aan kritiek en tegenkantingen te verwerken kreeg. Hij wordt meestal afgeschilderd als het hulpeloze slachtoffer. De kritiek die Bruckner in de jaren 1880 moest verwerken was ronduit brutaal en persoonlijk. Dat blijkt uit de commentaar van Johannes Brahms (aan Elisabeth von Herzogenberg) op zijn grote rivaal: "Hij is een arme dwaas, die de paters van Sankt Florian [waar hij zijn opleiding kreeg] op hun geweten hebben". De criticus Gustav Dömpke ging nog verder. Hij noemde de componist een 'Untermensch', die componeerde als een dronkelap. Beide reacties zijn kenmerkend voor de tijd van verhitte controversen waarin Bruckners oeuvre ontstond. De rivaliteit tussen de Brahms-aanhangers en de verdedigers van Bruckner werd haast legendarisch. Meer nog: de controverse werd uitgevochten als onderdeel van een ruimere machtsstrijd tussen twee rivaliserende politieke fracties. Brahms en zijn medestanders bekenden zich uitdrukkelijk tot het liberale kamp, terwijl Bruckner sterke banden had met de katholieke pers. Hij werd daarom geprezen door de ultraconservatieve katholieke kerk. Rechts-radicale Wagnerianen wierpen zich op als verdedigers van Bruckner. Jaren later zou het naziregime het beeld exploiteren dat zo van Bruckner werd geschapen: hij representeerde voor hen een mystieke eenheid met de natuur. Bruckners muziek werd uitvoerig gebruikt tijdens meetings van de nazipartij.

De twist over de verdiensten van beide componisten mag ons tegenwoordig vreemd overkomen.Allebei worden ze nu erkend als grootmeesters.Toch is de controverse niet helemaal dood. Zonder dat we het merken, beïnvloedt de eeuwenoude beeldvorming nog steeds onze perceptie van Bruckners muziek. Een recente Brucknerstudie bracht aan het licht hoezeer ons moderne begrip van de toondichter nog steeds lijdt onder hardnekkige vooroordelen.

Nog tijdens, maar ook na Bruckners leven werden zijn symfonieën bewerkt, herzien en 'verbeterd' door talloze dirigenten en uitvoerders, die dachten deze werken makkelijker aanvaardbaar en uitvoerbaar te maken. Bruckner vond het allemaal goed: hij was al tevreden over het feit dat iemand zijn symfonieën wilde uitvoeren. Bovendien raakten zijn schetsen na zijn dood verdeeld door grijpgrage verzamelaars van autografen. Dat maakt het er voor de uitvoerders niet eenvoudiger op. Maar misschien is de vraag welke versie het best aansluit bij Bruckners bedoelingen, gewoon een mooie uitdaging voor iedere dirigent om er een authentieke uitvoering van te maken.

uit het blogarchief

Kip Copy fotografeert

Verhalen

We gaan op zwijnentocht - fragment

[...] Papa, Staf, Lena en mama sluipen met slaapogen door het bos. De grond is zompig en maakt slurpgeluidjes bij elke stap. Het bos kleurt donkergroen. Tussen de bomen schijnen de eerste straaltjes zon, die sommige takjes bijna doorzichtig maken. Er zijn geen andere mensen te bespeuren. Staf en Lena wisten niet dat een bos zo stil kan zijn. Lena trapt op een takje. "Ssshht", waarschuwt papa, "Zo zien we nooit een everzwijn!"

We moeten sporen zoeken", zegt papa. "Hoefafdrukken, rugharen aan de stam van de bomen..." "En een everzwijnendrol!" vult Staf aan. Iedereen lacht, behalve papa. Zo lukt het nooit, denkt hij. Dan struikelt hij. Mama giechelt en papa werpt haar een boze blik toe. Lena vindt dat hij er een beetje dom uitziet met zijn petje op. Hij heeft een vergrootglas in de hand en speurt in de modder naar wroetsporen. Wanneer Lena met haar ogen rolt, geeft mama haar een knipoog.

Aan de rand van een open plek in het bos ontdekt papa een jagershut die gemaakt is van dennenhout. Eén voor één klimmen Lena, Staf, mama en papa langs de ladder naar boven. Het hout is nat en glibberig. In de hut is net plaats voor vier. Gezellig! Door een kijkgat speuren ze het bos af. Toch is het is ook een beetje eng. Mogen ze hier wel zijn? [...]

Koning Koolrabi - fragment

"Koning", zegt de koningin, "ik verwacht je morgenvroeg in de moestuin. Trek je laarzen maar aan, want je gaat vuil worden." De koning kijkt beduusd. Hij heeft wel wat beter te doen dan in de moestuin te werken. Hij moet tenslotte zijn land besturen!

Gelukkig schijnt de volgende dag de zon. Warm is het niet en er hangen witte slierten ochtendnevel over de moestuin. "Best mooi", denkt de koning. Meestal leest hij 's ochtends de krant en drinkt hij koffie. Hij tuurt wel eens vanuit het raam van het kasteel naar zijn koninkrijk, maar de moestuin heeft hij nog nooit zo goed bekeken.

De koningin duwt hem een spitvork in zijn handen. De prei moet uit de grond. De koning wist niet dat er zoveel prei groeide in de tuin. "De draak is er dol op", zegt de koningin. "En preisoep lust iedereen." Van al het harde werk in de moestuin krijgt de koning honger. Hij ziet de koningin aan een stukje venkel knabbelen. "Dat wil ik ook", denkt hij, en hij gaat naast haar op een boomstam zitten.

Dan ontdekt hij tussen de groene groenten een paarse knol. "Koolrabi", zegt de koningin. "Proef maar eens". Misschien is het omdat hij grote honger heeft, of omdat buiten eten zo gezellig is, maar de koolrabi smaakt heerlijk zacht. "Dat gaan we vanavond eten", zegt de koning. "En weet je wat, ik kook. Dan kan jij de krant lezen, koningin."

"Mijn lieve Koning Koolrabi", zegt ze, en ze geeft hem een kus. [...]

Report Abuse

If you feel that this video content violates the Adobe Terms of Use, you may report this content by filling out this quick form.

To report a Copyright Violation, please follow Section 17 in the Terms of Use.