Loading

Een plek om te bestaan Tekst & Photo's © Sjaak Verboom

De vrouw die voor mij zit is een hond. Noemen ze een hond. Ik houd niet zo van honden, en de ontmoeting met haar liet gevoelige sporen na.

Nu is het vakantie. Ik maak het jaarlijkse rondje door mijn huis en laad alles in de auto: de tent, luchtbedden, slaapzakken, branders. Allemaal eersteklas-spullen om mijn huis van steen te verlaten en een kamp in de vrije natuur op te slaan. Ver van hier. Na een jaar keihard werken zijn we er aan toe.

Het is heilzaam om een paar weken per jaar afstand te doen van alle luxe en comfort en te wonen onder een dak van katoen. Terug naar de basis. Geen stromend water, geen koelkast, geen eigen sanitair. Het heeft iets van het Joodse Loofhuttenfeest. Uiteindelijk is God zelf het tentdak dat beschermend boven ons is, zeggen de Joden en om de herinnering levend te houden, wonen ze acht dagen per jaar in een hut. Niet onze verzekeringen, onze solide huizen of onze welvaart is onze levensbasis. De vakantie als periode van herinnering aan hoe het ook alweer zat.

Met muziek! Op lange autoritten ontstaat er altijd wel één CD die voortaan zal herinneren aan die vakantie. Dit jaar draaien we Kees van der Zwaard. Zijn prachtige lied 'Plek':

Alles wat ik zoek is een plek om te bestaan

een huis om in te wonen

een weg om langs te gaan

een wei, een plein, een tuin, een tent

ik zoek vooral een stem

een stem die zegt: goed dat jij er bent

Mevrouw Shiakh heeft geen huis, geen tuin, geen tent. De vakantiemuziek van dit jaar roept haar onverwacht terug in mijn herinnering. Kort geleden ontmoette ik haar in de miljoenenstad Mumbai in India. Ze woont op de grootste vuilnisbelt van Azië.

Daar groeit geen gras, daar zijn geen wegen.

Ik had me mentaal voorbereid op de ontmoeting met haar. Rijke westerling ontmoet arme derde-wereldburger. Ik wist een beetje wat ik kon verwachten want ik had de filmhit ‘Slumdog Millionaire’ gezien. Een arme jongen uit de sloppenwijken van Mumbai wordt in één klap miljonair door mee te doen met een televisiespel. Een film die acht Oscars kreeg, een sprookje dat tot de verbeelding spreekt. Maar ik vroeg me af hoe het leven van een sloppenbewoner eruit ziet zonder de glamour van Hollywood.

Zo kwam ik bij mevrouw Shiakh.

Ik sta met mijn Gaastra-schoenen op de zacht bewegende ondergrond van de vuilnisbelt voor een hutje van lappen doek en stukken plastic: het huis van mevrouw Shiakh. Mensen van een hulporganisatie hebben mij hier gebracht. Zonder hen had ik het niet gered want je moet weten waar je hier kan lopen. Er zijn plaatsen waar je zonder waarschuwing wegzinkt in de derrie.

Dit is een plaats waar alle vooroordelen die in mij huizen bevestigd zullen worden. Ik weet het zeker: Straks zit ik tegenover een moedeloze, apathische vrouw, moe van de misere en de armoede. Iemand die mij smeekt om een kleine bijdrage, een paar dollar is genoeg. Iemand die zich zal uitputten in dankzegging om de muntjes die ik haar smoezelige handen legde.

Maar de woorden waarmee mevrouw Shiakh mij verwelkomt, echoën nog na tot ik, vrijwillig van huis en haard verdreven, zittend voor mijn tent, de zon majestueus zie ondergaan boven de bloeiende lavendelvelden van Zuid-Frankrijk.

Ze zegt: ‘Schoenen uit alstublieft.’ Gehoorzaam buig ik mij en scheur het klittenband van de Gaastra’s los en kruip naar de plek die mij gewezen wordt. Ik heb opeens niet zoveel te vragen meer, dit huis vertelt zijn eigen verhaal.

Het dak van dit huis: Een lap zeildoek, door iemand afgedankt, te klein om te dienen als dak. De vloer van dit huis: Kleden en jute zakken die direct op het afval liggen. De wanden van dit huis: Repen plastic en stof met grote gaten. Dit huis is een hut.

‘Hier woon en leef ik,’ zegt mevrouw Shiakh alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. ‘Wij hebben drie zoons en twee dochters. Mijn hele leven wonen wij al hier. Op de vuilnisbelten zoeken we naar bruikbaar afval. Hier zijn dat vooral reepjes stof. Verderop liggen voedselresten, aan de andere kant ziekenhuis-afval. Daar zit veel waardevols tussen. Dat verzamelen wij in grote zakken. We rubriceren het en dan verkopen we het.’ Ze praat over haar werk als een geslaagd ondernemer die trots is op wat zij heeft bereikt.

Terwijl ze zit te praten schijnt het avondlicht door een gat in de wand op haar gezicht. Voor mij zit een sterke vrouw die door haar aanwezigheid mijn vooroordelen ontmaskert. Deze vrouw oogt niet als een slachtoffer. Ik vind in haar woorden en in haar hele verschijning geen spoor van onvrede. Ze straalt een grote waardigheid uit.

Ze geeft haar zoon een teken dat hij de ventilator moet aanzetten. De rotorbladen draaien rakelings over het hoofd van haar gast.

Ik vraag wat ze vindt van kinderarbeid. Ik weet dat veel kinderen in de sloppenwijken werken op de vuilnisbelten of in illegale fabriekjes. Haar kinderen gaan naar school, zegt ze. ‘Ik wil dat zij meer kansen krijgen in hun leven dan ik heb gehad.’ Of ze ‘Slumdog Millionaire’ heeft gezien, vraag ik. Ze heeft geen idee wat dat is. Ik vertel het en overweeg haar te vragen wat ze van de titel van die film vindt, maar ik slik de vraag in. Mensen een hond noemen, een slumdog, omdat ze in een sloppenwijk wonen, dat kan je niet vragen aan deze vrouw.

Later nemen we afscheid. Ik leg mijn hand in haar smoezelige handen en bedank haar uitputtend. En dan zegt haar stem: ‘Het is goed dat je hier bent.’

Ik kijk haar aan. Nu komen de verzoeken om hulp toch nog, schiet het door me heen. Maar terwijl ik mijn schoenen weer aandoe, is ze al verdwenen. Als ik weer buiten sta zie ik de zon majestueus ondergaan over de bergen afval. Heel in de verte, hoog boven mij verdwijnt mevrouw Shiakh, een lege zak op de rug.

© Tekst en foto’s Sjaak Verboom, 2009