Loading

Nieuw land, nieuwe oplossingen Landbouw, problemen en oplossingen in het beloofde (Flevo)land

'Waar wij steden doen verrijzen / op de bodem van de zee...'

God schiep de wereld en de Nederlanders schiepen Flevoland. Dat eerste moet je maar net geloven, dat tweede is ontegenzeggelijk waar. De geschiedenis van de polder is uniek; Flevoland is een volledig man-made stukje land. Precies zo ingericht als we het vlak na de oorlog graag wilden hebben en een van de meest vruchtbare stukken landbouwgrond ter wereld. Vandaag de dag staat de Flevolandse landbouw echter voor grote, complexe uitdagingen. En niet alleen op het ‘nieuwe land’, maar ook op het omringende ‘oude land’ - Noord-Overijssel, Salland en de Veluwe - zijn nieuwe manieren van boeren nodig. Hoe vinden we die? Aan de vernieuwingsgeest die in dit gebied rondwaart zal het in elk geval niet liggen.

Nieuw land: de korte maar bizarre geschiedenis van Flevoland

Om de uitdagingen én mogelijke oplossingen beter te begrijpen, moeten we eerst begrijpen waar dit bijzondere stukje Nederland vandaan komt. In den beginne was er de zee. De Zuiderzee om precies te zijn. Ingenieur Cornelis Lely liep al tegen het einde van de negentiende eeuw rond met een megalomaan plan: wat als er nieuw land kon worden meegemaakt door de zee dicht te gooien? Flevoland - preciezer gezegd: de provincie die bestaat uit de Noordoostpolder en de Flevopolder - is het resultaat van het inpolderen van de zee.

Honderd jaar geleden begon de drooglegging, met de klok mee. Eerst werd de Wieringermeer ingepolderd, daarna werd de Afsluitdijk gebouwd om de gehele Zuiderzee droog te leggen. In 1932 is de Afsluitdijk af, maar daarmee is de zee nog geen land geworden. Tijdens de oorlog wordt er hard aan doorgewerkt; de Duitsers vonden het ook een mooi plan, zo’n heel nieuw, zelfgemaakt stuk land. En ze zagen wel brood in de voedselproductie die er uiteindelijk zou gaan plaatsvinden. Toen het nieuwe land bijna af was, vlak na de bevrijding, moesten er boeren gevonden worden die het wilden gaan bewerken. Waarom boeren? Omdat Nederland vlak na de hongerwinter één ding zeker wist: nooit meer honger.

Maar welke boeren kwamen er naar het nieuwe land? Dat is nogal een geschiedenis op zich. Duizenden mensen uit heel Nederland meldden zich aan om een stukje poldergrond te krijgen: Lely's nieuwe land was het land van hoop, voor boeren uit heel Nederland. De toekomst lag er open, er was ruimte, vruchtbare grond, The American Dream, het beloofde land - maar dan in de polder. Maar de selectie van polderpioniers was streng. De pioniers moesten een perfecte afspiegeling van de Nederlandse samenleving vormen. En ze moesten in staat zijn om een geheel nieuwe provincie gezamenlijk in te richten. Wie wel en niet geschikt waren, dat werd bepaald door een speciale commissie van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders.

'Het was de beste landbouwgrond van het land, misschien wel van Europa, die mocht niet worden vergeven aan het eerste het beste boertje.' Eva Vriend, Het nieuwe land

Landbouwsucces in het beloofde land

Wat volgde was een Wild Wild Country-achtige geschiedenis: de opbouw van een geheel nieuwe provincie, inclusief sociaal leven, kerken, winkels, scholen, verenigingen, noem maar op. Alles was maakbaar, alles moest nog gemaakt worden. Het verhaal van Flevoland, het nieuwe land, is een verhaal over vooruitgang en maakbaarheid. En een verhaal over superboeren en super-vruchtbaar land. Logisch ook, want de inrichting van Flevoland gebeurde in een periode vlak na de Tweede Wereldoorlog. Onder het uitspreken van de toverwoorden ‘nooit meer honger’ keek de rest van Nederland hoopvol in de richting van deze nieuwe provincie (die overigens pas in 1985 officieel tot Nederlandse provincie werd benoemd).

En ja, dankzij de enorm vruchtbare bodem en de zorgvuldig geselecteerde superboeren schoten de agrarische productiecijfers omhoog in de polders. De geselecteerde pioniers pronkten bovenaan alle lijstjes en maakten de beloftes waar. Vooral aardappels, uien, suikerbieten, wortelen, andere groenten en tarwe deden het heel goed op de jonge grond. En dat doen ze nog steeds. De meeste boeren in de polders vandaag de dag, zijn de (klein)kinderen van deze pioniers.

Van meer-meer-meer naar beter-beter-beter: landbouw in de 21e eeuw

De jonge provincie heeft zich altijd geprofileerd met de geschiedenis van de ‘uitverkorenen’, de superboeren, de pioniers. En nog altijd is Flevoland agrarisch succesvol en niet over het hoofd te zien. Ongeveer 70 procent van de poldergrond wordt nog steeds gebruikt voor landbouw, de bedrijven zijn gemiddeld groter dan in de rest van Nederland, en de opbrengsten ook. Maar kan het ondertussen zo zijn dat in Flevoland de wet van de remmende voorsprong aan het werk is? Dat het landbouwgebied zó vruchtbaar was, dat het nu gedeeltelijk aan zijn eigen succes ten onder gaat?

Het grootste gedeelte van wat er in Flevoland wordt verbouwd - zo'n tachtig procent - is voor export bestemd. ‘Onze’ uien, aardappels en wortelen eten ze over de hele wereld. En dat is indrukwekkend, maar er kleven ook nadelen aan. Het zijn namelijk juist deze goed renderende gewassen die de bodem het meest uitputten. En de grote vlucht die de landbouw nam na de Tweede Wereldoorlog - nooit meer honger, weet je nog - heeft ook nadelige gevolgen gehad. Eva Vriend in Het nieuwe land: 'Het is de schaduwzijde van de bejubelde modernisering: grotere trekkers, grotere machines, grotere kavels. Alles werd groter, met als gevolg dat de productie bleef stijgen. En een overaanbod leidt tot prijsdalingen.'

‘Zonder het te weten zaaiden we met de oplossingen van gisteren, de problemen van morgen’

Voor boeren is het steeds een dilemma; houd je de bodem gezond door af en toe iets te verbouwen dat economisch weinig oplevert, maar ecologisch grote voordelen heeft? Of houd je je bij de gewassen waarvan je weet dat er een goede prijs voor kunt krijgen - met uitputting van de bodem tot gevolg? Zo zwart-wit is het natuurlijk nooit precies, maar het dilemma is groot. Want ondertussen stijgen de prijzen voor landbouwgrond maar door, zeker in Flevoland. Iedere boer moet zich dus steeds afvragen: blijven we meer-meer-meer produceren of gaan we kijken hoe we nog beter kunnen boeren?

Hoe kijken de boeren in Flevoland én op het omringende 'oude land' daar zelf naar? Historicus Eva Vriend spreekt van een 'homo Zuiderzeelandicus', een speciaal type mens met een eigen identiteit. 'Het gegeven dat de eerste generatie uitverkoren was, biedt nog altijd volop inspiratie: "Hier in de polder regelen we het wel."' Wat zien we daar anno 2019 nog van terug?

Het epicentrum van duurzame landbouw

Om daar een beeld van te krijgen, moeten we de polder in! Onze eerste stap is de Proeftuin voor Agroecologie en Technologie, een onderzoekscentrum dat bij Wageningen University hoort maar gelegen is in Lelystad. Stel je een stuk polder voor ter grootte van 160 voetbalvelden. Een proeftuin: een echte vrijplaats voor wetenschappers om te onderzoeken hoe natuur en technologie beter hand in hand kunnen gaan. Dat dit ‘epicentrum van de duurzame landbouw’ in Flevoland ligt, is geen toeval: juist de vruchtbare, maar langzaamaan uitgeputte bodem is hier het belangrijkste onderzoeksobject. In de Proeftuin wordt de technische kant van landbouw onderzocht, specifiek van ‘regeneratieve plantaardige productiesystemen’. Wat dat zijn? Onderzoeker Wijnand Sukkel legt het uit.

Wijnand: 'In de Proeftuin wordt onder andere onderzocht welke combinaties van gewassen het goed samen doen. We hebben ontdekt dat als we verschillende gewassen in stroken naast elkaar telen, ze elkaar dan positief kunnen beïnvloeden. Ook experimenteren we met genetische diversiteit binnen de stroken. Dat is goed voor de biodiversiteit, en zulke stroken zijn ook weerbaarder tegen ziekten en plagen.' De combinatie van stroken suikerbiet en stroken gerst blijkt bijvoorbeeld een hele goeie: omdat de gerst iets eerder opkomt dan de bieten, zijn er al volop insecten op de gerst afgekomen die als natuurlijke vijanden van de luizen fungeren. De luizen krijgen zo helemaal geen kans om zich tegoed te doen aan de suikerbiet. Ander voorbeeld: in een strook koolplanten is één kool geplaatst die dankzij een genetische variatie zó aantrekkelijk is voor insecten, dat de beestjes de rest van de kool met rust laten. Strokenteelt zorgt er ook voor dat ziektes, zoals aardappelziekte phytophthora, zich minder snel verspreiden. Als de aardappels op strook X ziek worden, slaat dat niet meteen over op de aardappels drie stroken verderop. Er zit dan namelijk nog een strook tussen met een ander gewas: tarwe, gras of bloemen, waar de phytophthora niet voorbij kan.

'Uit onze experimenten met strokenteelt blijkt dat de opbrengst van de boer niet lager wordt. Wel komt er nu nog meer werk kijken bij de voorbereiding en planning' - Wijnand Sukkel

Maar in de Proeftuin wordt niet alleen met strokenteelt geëxperimenteerd. Wijnand vertelt dat er ook nieuwe technologie wordt uitgeprobeerd, waaronder robots. 'Op stroken van drie meter breed wil je niet de zware machines inzetten die nu gebruikt worden in de landbouw, maar liever lichte robots. Wij werken met Robotti, die kan zaaien, schoffelen én gewasbestrijdingsmiddelen toedienen. Dat kan Robotti allemaal veel preciezer dan de gebruikelijke grote landbouwmachines.' Het onderzoek met Robotti is er niet zozeer op gericht om mensenwerk te verminderen, maar om weerbare teeltsystemen te realiseren waar niet méér mensenwerk voor nodig is. Want strokenteelt kost met de huidige mechanisatie meer arbeid dan de huidige monoculturen. Wijnand: 'Daarom proberen we de machinearbeid en het monotone werk te automatiseren. De boer zit dan niet meer op zijn trekker en het zware onaangename werk hoeft niet meer door ingehuurde Slowaken uitgevoerd te worden. De boer kan dankzij de hulp van bijvoorbeeld Robotti juist weer veel meer vakman en teler worden, in plaats van trekkerbestuurder of handwieder.'

Is biologisch in Flevoland logisch?

In de Proeftuin in Lelystad wordt voornamelijk biologisch geboerd - zodat de onderzoeksresultaten niet beïnvloed kunnen worden door een bestrijdingsmiddel dat de boel overhoop haalt. Sowieso groeit in heel Nederland het areaal biologische akkerbouw gestaag. En juist in Flevoland gaat die groei het snelst. Een LTO-woordvoerder noemde Flevoland een hotspot voor biologisch boeren: 'Zonder agrariërs in andere delen van het land tekort te willen doen: het is vaker zo dat in Flevoland, waar de wat grotere bedrijven zitten, betere verkaveling is en betere grond, eerder dit soort trends worden opgepakt. Goed voorbeeld doet goed volgen. Als de buurman het doet, moet ik het ook maar eens gaan proberen en dan kunnen we samen het schaalvoordeel ervan hebben; zo werkt dat vaak.'

Thijs Geerse is een biologische akkerbouwer voor wie die uitspraak op lijkt te gaan. Terwijl hij ons rondleidt door zijn schuren vol uien en net gerooide aardappels, vertelt hij over zijn eigen verpakkingsbedrijf. Dat heeft hij drie jaar geleden opgezet; hij zag een gat in de markt. 'Juist omdat de biologische sector nog klein is, valt er logistiek grote winst te behalen. Bio is nu duurder omdat de logistiek zoveel kosten met zich meebrengt. Dat proberen we hier te ondervangen.'

'Juist omdat de biologische sector nog klein is, valt er logistiek grote winst te behalen' - Thijs Geerse

WeGrowOrganic is zijn handelsorganisatie, waarmee hij niet alleen zijn eigen uien en aardappelen verpakt en verkoopt, maar er ook voor zorgt dat er altijd biologische groenten geleverd kunnen worden. Die koopt hij ook in bij boeren in de buurt; ongeveer tachtig procent van wat hij verhandelt is niet van hemzelf. Is hij nu meer handelaar of boer? ‘Toch echt boer,’ zegt Thijs. ‘Vorige week was de aardappeloogst, dan maak ik gerust 120 uur in een week.'

Het was de vader van Thijs die in 2001 besloot om te schakelen naar biologisch. Thijs is ermee opgegroeid en nam het bedrijf in 2013 over. En de vraag naar biologische producten blijft groeien, het hele jaar door. Daarom komt niet alles wat WeGrowOrganic verhandelt van Thijs' eigen akkers. Thijs: ‘De consument weet het vaak helemaal niet, maar uien zijn in Nederland bijvoorbeeld niet jaarrond verkrijgbaar. Supermarkten willen die wél het hele jaar biologisch kunnen aanbieden. Daarom hebben we nu bio-uien uit Nieuw-Zeeland in ons assortiment.’

Omdat er geen synthetische gewasbescherming gebruikt mag worden in de bio-teelt, komt er vanzelf meer handwerk aan te pas bij het beschermen van de gewassen (denk: onkruid wieden) en bij de oogst. Voor sommige gangbare akkerbouwers is het een reden om niet om te schakelen naar biologisch: de extra arbeid die erbij komt kijken. Voor boer Thijs zijn die extra handjes juist een voordeel van biologisch boeren. Sommige van zijn seizoenswerkers - de meeste komen uit Slowakije en wonen ‘s zomers op het erf - kent hij al jarenlang. ‘Ik vind het juist mooi, dat sociale aspect van het boerenwerk. Ik benijd de buurman niet, die in zijn eentje de hele akker kan rooien.’

Terwijl ze in de Proeftuin dus juist bezig zijn de menselijke arbeid te minimaliseren - met dank aan Robotti - ziet Thijs geen landbouw voor zich zonder mensenwerk .Ondertussen staat deze akkerbouwer ook symbool voor een andere ontwikkeling in het Flevolandse landschap. Op zijn akker komt een gedeelte van Windpark Zeewolde: 200 boeren en ondernemers uit de regio, die samen negentig windmolens bouwen.

De boer als landschapsbeheerder

Een eigen verpakkingslijn opzetten of een windmolenpark openen: we weten nu dat 'boer zijn' veel meer behelst dan simpelweg de oogst van de bodem af plukken. Juist in Flevoland vind je overal pioniers die het net even anders doen. Van Thijs' akkerbouwbedrijf is het een klein halfuur rijden naar Landgoed Roggebotstaete, waar beheerder Lennard Duijvestijn ons ontvangt in 'het oudste gebouw van Flevoland'. In de negentig jaar oude kas die hij uit België heeft gehaald, ontvangt Lennard groepen die komen vergaderen of iets te vieren hebben. Het is slechts één van de vele functies van dit landgoed.

Roggebotstaete is - zoals heel Flevoland - jong, en volgens een vooropgezet plan ontworpen en aangelegd. Maar anders dan het grootste deel van het nieuwe land, dat een agrarische bestemming kreeg, is Landgoed Roggebotstaete onderdeel geworden van het natuurgebied Roggebotzand (vernoemd naar de rog en de bot die hier voor de drooglegging vertoefden). Als boomkwekerij van de Rijksdienst diende het als kraamkamer voor de nieuwe natuur van Flevoland. Toen Flevoland 'af was' in de jaren negentig, werd besloten om de helft van de 100 hectare boomkwekerij tot ecologisch landgoed om te vormen. Vanaf 2012 raakte Lennard er betrokken, die er een eetbaar natuurgebied van wilde maken. Roggebotstaete wil zoveel mogelijk ruimte geven aan natuurlijke processen, tegelijkertijd voedsel produceren en een gezonde interactie tussen mens en natuur realiseren. 'Het hele landgoed is één grote uitnodiging om te ontdekken hoe mens en natuur het beste in elkaar naar boven kunnen halen,' zegt Lennard. Dat ziet er fantastisch uit, en dat kun je beter met eigen ogen zien:

'De rijkdom die je boven de grond ziet, is een gevolg van de aandacht die wij onder de grond hebben besteed'

Wat het betekent om te pachten

Maar wat doen boeren die geen experimenteerruimte hebben, geen ‘proeftuin’ maar een akker of een boerderij waar simpelweg geld mee verdiend moet worden? We reizen door, naar Kampen, naar Erf-1. Het eerste erf dat in 1432 werd aangewezen als pachtgrond. Vandaag de dag is Erf-1 nog steeds een familieboerderij, waar boerin, kaasmaker en diëtiste Irene Prinsen-Bruins op allerlei manieren probeert de afstand tussen boer en burger te verkleinen. Het feit dat ze de grond pachten, vertelt Irene, is een nadeel geweest voor de bedrijfsontwikkeling en alle innovaties die ze graag op hun bedrijf wilden doorvoeren. ‘Je hebt geen eigen grond als onderpand, daarom krijg je de bank vaak moeilijker mee.’ Bovendien gaat de pacht omhoog na jaren waarin de productieopbrengst goed was; het is daardoor ook lastiger om de winst van het ene jaar te investeren in het daaropvolgende jaar.

We zijn te gast op een bijzonder moment: Erf-1 heeft net bekendgemaakt te zullen gaan verhuizen. Met zeventig koeien op het huidige bedrijf lukte het niet om aan hun eigen wensen en die van de maatschappij te voldoen, vertelt Irene. 'We willen graag goed voor bodem, dier, planeet én onszelf zorgen. Daarom moeten we groeien: we gaan bijna verdubbelen in aantal koeien, wat best spannend is in deze tijden van stikstofcrisis.' De koeien verhuizen naar een boerderij in de buurt, Erf-32, waar er nog zeventig bij komen. Ondertussen zal Erf-1 vooral het domein worden van Irene, want zij is als 'vrouw van de kaas' degene die de consument kan verbinden aan de voedselproductie. 'Door bijvoorbeeld zelf zuivel te maken en te verkopen, wordt het tastbaar. Met iedere voedselkeuze bepaal je mede hoe je wilt dat het wordt geproduceerd. Dat bewustzijn breng ik graag over. Mijn oorsprong is de diëtetiek en ik voel mij, hoewel ik geen patienten meer behandel, nog steeds diëtist. En ik vind niet dat iedereen zelf zijn eigen voedsel zou moeten produceren, maar het zou wél mooi zijn als mensen beter snappen hoe het wordt gemaakt en door wie. En wat daarbij komt kijken. Waarom kiezen wij voor onze manier en onze buurman voor een andere? Dat hoeft niet goed of fout te zijn; het gaat erom de lat hoog te leggen.'

‘Stel, het kost €1.80 per liter melk om goed te zorgen voor de bodem, voor onze dieren én voor onszelf. Dan kunnen we niet concurreren met goedkope melk uit andere landen.’

In haar kaaskelder is Irene de baas. Hier liggen haar boerenkazen te rijpen; drie keer per week daalt ze af om de kazen om te draaien en op te poetsen. En daar krijgt ze vanaf volgend jaar nog veel meer ruimte voor. Hoe dat er precies uit gaat zien? Ze weet het nog niet. ‘Ik zou in ieder geval graag zien dat de nadruk komt te liggen op hoe gezond onze producten zijn. De agro met de diëtetiek verbinden. Maar nu voelt het soms nog alsof wij het experiment van de samenleving zijn,’ zegt ze. Ze heeft een dubbel gevoel over de verhuizing en dat is logisch: sinds 1432 werden er op Erf-1 koeien gemolken, en in 2019 houdt die traditie op te bestaan. Dat is een grote stap. Maar zeker is dat de familie Bruins die stap durft te zetten. Durft te kiezen voor een breuk met het verleden, om alvast een streepje voor te hebben op de toekomst.

De tekentafel van de toekomst

Na een rondje polderpioniers weten we zeker: hier in Flevoland zijn boeren op de toekomst gericht. Er wordt hier honderd jaar na de drooglegging nog altijd volop gepionierd. Van de boer die zijn rol als landschapsbeheerder steeds verder uitbouwt tot de kaasmaker die zoekt naar de juiste balans tussen ecologie en economie. Flevoland en het omringende 'oude land' laten zien wat er mogelijk is als je zelf verandering in de keten teweeg wil brengen. Een proeftuin ter grootte van een hele provincie - daar moeten de oplossingen vandaan komen. En daarin werkt de hele voedselketen mee. Van melkveehouder tot akkerbouwer, van verpakkingsbedrijf tot landgoedbeheerder, en van onderzoeker tot consument.

Sophie Schieman doet mee aan de Rabobank Food Forward Track Midden-Oost Nederland. Of zij de boerderij van haar ouders - biodynamische akkerbouw, groenten zoals bloemkool en pompoen, koeien én een speltpellerij - gaat overnemen weet ze nog niet: ‘Ik wilde vroeger altijd veearts worden maar ik vind zoveel dingen leuk. En ik hou erg van de boerderij, maar ik weet nog niet of ik hem later ga runnen.' Ze volgt op Aeres de tuin- en akkerbouwopleiding, dus dat is in elk geval een stap in de goeie richting. Ook in haar opleiding is Sophie bezig met verandering in de sector. ‘Veel bedrijven zijn natuurlijk nog gangbaar. In mijn klas zitten ook studenten, boerenzonen en -dochters, uit heel Nederland. In Flevoland is biologische landbouw al ver ontwikkeld, maar dat is niet vanzelfsprekend.’

Iedereen in haar klas denkt anders over hoe je ‘goed boert’, vertelt Sophie. Zij is de enige die is opgegroeid op een biologisch bedrijf. Biologisch-dynamisch zelfs, ‘maar wel grootschalig’ voegt ze daar snel aan toe. Het bedrijf was al biologisch-dynamisch toen haar vader het in 2000 overnam. Vol liefde en enthousiasme vertelt Sophie over het bedrijf thuis én over het landbouwvak in het algemeen. Dat zit haar wellicht in de genen; haar moeder geeft les op Aeres in Almere.

Maar hoe ‘het’ moet in Flevoland- dat moet je Sophie (nog) niet vragen. ‘Ik vind dat wij thuis al heel veel ‘goed doen’. We zorgen goed voor de bodem en bijvoorbeeld voor het natuurgebied waar onze koeien in rondlopen. Als boer ben je van nature altijd bezig met de balans tussen economie en ecologie. Maar ik sta open voor nieuwe dingen!’ En wie weet wordt ze uiteindelijk toch nog veearts.

Tekst en eindredactie Suus van de Kar (Food Hub) Fotografie Jaap van den Biesen Met dank aan Joszi Smeets, Eva Flantua, Marijn Vermeulen, Thijs Geerse, Lennard Duijvestijn, Irene Prinsen-Bruins, Wijnand Sukkel, Sophie Schieman Bronnen Het nieuwe land (Eva Vriend), Flevo Campus

Credits:

Jaap van den Biesen