Loading

Nlds Zinsdelen 2 8 t/m 12 april 2019

Gooi het antwoordformulier niet weg!

KIJK WAT JE FOUT HEBT GEDAAN EN BESTUDEER DAT ONDERDEEL!

(Alles wat je niet tijdens de les hebt ingevuld, telt NIET mee!)

Opdracht 1

Persoonsvorm

Wat is de persoonsvorm?

1 Een dierentuindirecteur uit China wil slim zijn.

2 De grenzen van de sport schuiven almaar verder op.

3 Hij vergelijkt de tijden van twee atleten op de 200 meter: de 19.32 van Michael Johnson in 1996 en de 19.19 van Usain Bolt in 2009.

4 Deze kunstenaar heeft niet met verf maar met licht geschilderd.

5 Met zijn zaklantaarn tekent hij deze figuren als het ware in de donkere lucht.

6 Een toeschouwer zal alleen een bewegend stipje gezien hebben.

7 De camera stelde hij in op een lange sluitertijd.

8 Hij gebruikt het voorbeeld van de warme Olympische Spelen in 2004.

9 Vorige week heb ik tijdens Nederlands het woord ‘kenau’ geleerd.

10 Verder wil ik ook een keer verliefd worden, echt heel erg supersmoor tot over mijn oren verliefd.

Opdracht 2

Zinsdelen

Uit hoeveel zinsdelen bestaan de zinnen? (Schrijf het getal op!)

1. Bram is vorige week een stoere agenda gaan kopen.

2. Zijn boeken heeft hij netjes gekaft.

3. Op aanraden van zijn moeder is hij vroeg naar bed gegaan.

4. In bed verdwenen langzaam alle gedachten uit zijn hoofd.

5. Opeens hoorde hij het irritante zoemen van een mug vlak bij zijn hoofd.

6. Schreeuwend komt een man een tankstation binnen.

7. Hij draagt een helm en hij heeft een pistool in zijn hand.

8. De politie wordt meteen gewaarschuwd door een klant.

9. De alarmcentrale stelt hem gerust: het is een oefening.

10. De overval is in scène gezet, de bedrijfsleider heeft de rol van overvaller gespeeld.

Opdracht 3

Naamwoordelijk gezegde

Wat is het koppelwerkwoord in de volgende zinnen?

1. Die cd's van Arita zijn erg goed..

2. Die jongen met dat rode gezicht bleef iets te lang onder de zonnebank.

3. Deze jurk lijkt iets te klein te zijn.

4. Waarom word je steeds zo boos op mij?

5. Zo'n prachtig gekleurde macaron blijft een traktatie!

6. Wiskunde D lijkt mij heel moeilijk.

7. De muziek van die boyband blijkt heel populair te zijn.

8. Hoe blijf jij in vredesnaam zo slank?

9. Dat nieuwe vak lijkt mij heel moeilijk.

10. De nieuwe film met Johnny Depp schijnt heel spannend te zijn.

Opdracht 4

Werkwoordelijk gezegde

Wat is het zelfstandige werkwoord in deze zinnen?

1 Hoe meldt een brandalarm brand aan een dove?

2 Een dove hoort het alarm immers niet.

3 Gelukkig zijn er verschillende oplossingen voor bedacht: een alarm met trilfunctie, een alarm met felle lichtflitsen, etc.

4 Kortgeleden presenteerden onderzoekers het wasabi-alarm.

5 Een van de onderzoekers legt uit:

6 ‘Dit alarm redt de dove,

7 omdat de sterke geur van het goedje iedereen uit zijn slaap haalt.’

8 De onderzoekers hebben de IG Nobelprijs, een parodie op de Nobelprijs, gekregen.

9. Ik ga nu wat vertellen over de dieptemeter.

10. Nee hoor, dat is niet zo.

Opdracht 5

Onderwerp

Wat is het onderwerp in deze zinnen?

1. De jongen heeft de hele nacht voor zijn toets geleerd.

2. Als echte professionals speelden ze de tegenpartij van het veld.

3. Deze koelkast is heel erg zuinig.

4. Op marktplaats zag ik een geweldige aanbieding.

5. Het huis wordt ieder jaar door de schilder geverfd.

6. Voor skiën heb je sterke beenspieren nodig.

7. De verbrande biefstuk was te smerig om te eten.

8. Heb je dat boek wel echt gelezen?

9. Tijdens de les van mevrouw De Heer begreep ik alles nog.

10. Dat doet er nu niet meer toe.

Opdracht 6

Lijdend voorwerp

Wat is het lijdend voorwerp in onderstaande zinnen?

1. Dit weekend speelt ze haar eerste hoofdrol.

2. Kinderen lezen tegenwoordig geen sprookjes meer.

3. Vindt u dat ook?

4. Morgen zou ik het liefst de hele dag films kijken.

5. Helaas moet ik nog heel veel doen.

6. Heb jij die foto echt getwitterd?

7. Je hebt hem nooit gezien.

8. Heeft je broer die auto nog gekocht?

9. Ik had dat nieuwe boek van Rowling in één dag uit.

10. Ik lust spruitjes.

Opdracht 7

Meewerkend voorwerp

Wat is het meewerkend voorwerp in onderstaande zinnen?

1. Ons leek het een goed plan.

2. We hebben mijn opa een fles drank gegeven.

3. Opscheppen lukt onze buurman goed.

4. Ze hebben de bezoekers bij de opening een leuke verrassing gegeven.

5. De leraar liet de klas de nieuwste Lijsters zien.

6. De leraar moest haar de iPod teruggeven

7. Je opmerking lijkt me niet erg gelukkig.

8. De toets heeft Albert een onvoldoende opgeleverd.

9. De burgemeester is vanmorgen het eerste exemplaar aangeboden.

10. Artsen zonder grenzen hebben de slachtoffers medicijnen en dekens uitgedeeld.

Opdracht 8

Voorzetselvoorwerp

Wat is het voorzetselvoorwerp in deze zinnen? Schrijf ALLEEN werkwoord en voorzetsel op!

1. Ik erger me aan de rommel in jouw kamer.

2. Tijdens warme dagen houd ik van zwemmen!

3. Ik reken op jouw aanwezigheid tijdens de feestdagen.

4. Ik twijfel aan het antwoord op vraag drie.

5. Over dat gedrag in de sportschool verwonder ik me al lang niet meer.

6. Ben je nu nog (boos) over die opmerking in de kantine?.

7. Je kunt je nu met korting abonneren op je favoriete blad.

8. Na vier weken school snak ik enorm naar vakantie.

9. Mijn moeder heeft niet zo veel (invloed) op mijn broertjes gedrag tijdens het weekend.

10. In de voetbalkantine schaam ik me voor mijn moppen tappende zus.

Opdracht 9

Bijwoordelijke bepaling

Wat is de bijwoordelijke bepaling?

1. Vanwege de vogelpest is dit gebied afgesloten.

2. De training begint om vijf uur.

3. De verlenging zal een half uur duren.

4. Wij gaan samen fietsen dit jaar.

5. De meeste druiven komen uit Frankrijk.

6. De stratenmaker heeft zijn hele leven hard gewerkt.

7. De indiaan maakte met een kleed rooksignalen.

8. Ik heb de wedstrijd niet gezien.

9.. Zou Ajax deze wedstrijd ook winnen.

10.. Waar heb je hem nou gelaten?

Opdracht 10

Bijvoeglijke bepaling

Hoeveel bijvoeglijke bepalingen staan in deze zinnen?

1. De nieuwe fiets van mijn opa rijdt verschrikkelijk soepel.

2. Vijftig leerlingen uit 4 havo gaan dit jaar naar Praag.

3. De tennisbanen in het centrum van de binnenstad moeten verplaatst worden naar de oostkant van onze stad.

4. Twee werknemers van een waardetransportbedrijf zijn vanochtend neergeschoten.

5. In het vroege voorjaar viel hij op de A2 in slaap achter het stuur.

6. Zij kreeg voor haar verjaardag een prachtige, nieuwe laptop.

7. De professor gaf een korte en heldere verklaring voor het verschijnsel.

8. De nieuwe speler is in onze wijk komen wonen.

9. Ga nu eens de groene container legen!

10. De verdwenen koffer was snel gevonden.

Opdracht 11

Alles door elkaar

Welk zinsdeel is het zinsdeel dat tussen haakjes staat?

1. Marcia is (een lelijk eendje) geweest en Jurre behoorde ook tot die watervogels.

2. In een sprookje van Hans Christian Andersen leert (de lezer) dat eendje kennen.

3. Hij is helemaal alleen en (zwemt) met een groep eenden mee.

4. Die accepteren (hem) niet, omdat hij zo lelijk is.

5. Eigenlijk willen ze hem niet, omdat (hij) afwijkt van de rest.

6. Dat klopt ook, want (na verloop van tijd) groeit het lelijke eendje uit tot een prachtige zwaan.

7. Vogels hebben door ervaring (heel knappe dingen) geleerd.

8. De vermoeidheid en de pijn zijn (ze) allang vergeten.

9. Onze docent, (mevrouw Komma), is nogal vaak druk.

10. Vader deed een dansje en Sanne (omhelsde) hen allebei.

Opdracht 12

Werkwoordspelling

Zet de werkwoorden in de o.t.t. tenzij uit de zin blijkt dat het een voltooid deelwoord of een werkwoord in de o.v.t. is.

1. Alle dierentuinen moeten dicht en van de veestapel (houden) _____ Nederland nog maar dertig procent over.

2. De presentatie (livestreamen) _____ ze vorige week via Facebook, met de titel 'Plan B, hou vast aan je idealen.'.

3. De partij is sinds 2006 flink (groeien)_____ en heeft nu vertegenwoordigers in de Eerste Kamer, het Europees Parlement en een aantal gemeenteraden.

4. (klappertanden) _____ je vriend of vriendin ook tijdens het lezen van HEX?

5. Ze zagen steeds maar weer heks Katharine aan het voeteinde van het bed staan en (schrikken) _____ zich dan een ongeluk.

6. Nicole is inmiddels boven haar angsten (uitstijgen) _____, vertelt ze 's avonds op het balkon met een kop thee.

7. Oma Mien (scrabbelen) _____ graag met haar kleindochter Roos..

8. Er wordt tijdens het spel dus heel wat (juichen) _____ door Roos, maar niet door oma.

9. Ze denken dat statiegeld het hergebruik van spijkerstof (bevorderen) _____.

10. Bij 'MUD Jeans' kun je zelfs een spijkerbroek leasen. Dat houdt in dat je een aanbetaling doet van 20 euro en vervolgens het bedrag van 7,50 per maand (betalen) _____.

willembunnik@gmail.com

© 2019 - W. Bunnik

Credits:

Created with an image by Ben White - "untitled image"

Report Abuse

If you feel that this video content violates the Adobe Terms of Use, you may report this content by filling out this quick form.

To report a copyright violation, please follow the DMCA section in the Terms of Use.