Loading

Op Niveau antwoorden VWO

1. Tegenwoordige tijd

1. Jij (lachen) irritant.

2. Wij (werken) hard.

3. Het feest (zijn) uitgesteld.

4. Jan (besteden) te weinig tijd aan zijn huiswerk.

5. Deze wedstrijd (vervelen) mij ontzettend.

6. (Worden) jij nu al weer boos?

7. Als je dat niet (veranderen), vind ik het maar niets.

8. Wat (vinden) je leraar van je werk?

9. Hij (erven) een oude Renault.

10. Ik (benijden) de coach niet.

2. Tegenwoordige tijd

1. De mentor (overhandigen) persoonlijk de rapporten.

2. Het vliegtuig (landen) op Schiphol.

3. (Melden) jij je even bij de pedagogisch medewerker.

4. Hij (schudden) de oplossing zo uit zijn mouw.

5. Waarom (antwoorden) de leraar daar niet op.

6. Mijn zusje (geloven) niet meer in Sinterklaas.

7. Hij (braden) karbonades altijd op zijn eigen manier.

8. 's Ochtends was en (kleden) ik mij heel snel aan.

19. (Vinden) hij dat hij hier wat van kan leren?

20. De politie (vermoeden) dat er wat te gebeuren staat.

.

3. Tegenwoordige tijd

1. Post.nl (verzorgen) de verzending van dat pakje wel.

2. De Chinese gigant Alibaba (zorgen) voor grootste beursgang ooit in de VS.

3. Zij (giechelen) al de hele les.

4. '(Worden) je broer als je een zusje krijgt?'

5. (Worden) je zus leraar als ze afstudeert?

6. Wat (bedoelen) die jongen nu eigenlijk?

7. Dit (gebeuren) in goed overleg met de technische staf van AZ.

8. (Vinden) u ook dat Yuri mee had gemoeten?

9. Hij (worden) boos als je niet stop .

10. Hij (beweren) dat wel, maar zij gelooft hem niet.

4. Tegenwoordige tijd

1. De regen (plenzen) op het dak van de caravan.

2. Ik (peinzen) er niet over.

3. (Fietsen) jij altijd zo hard?

4. De trainer (oordelen) positief over zijn optreden.

5. Hij (antwoorden) positief op zijn vraag.

6. De minister schrijft dat er opnieuw (worden) geloot.

7. Verder (melden) de krant geen bijzonderheden.

8. Zij (schreeuwen) het uit als zij het goede nieuws hoort.

9. Hij (betreuren) zijn opmerking.

10. Zij (evenaren) haar zus op het gebied van tenissen.

5. Tegenwoordige tijd

1. De hond (rennen) zoals elke dag om 6 uur naar de brievenbus voor de krant.

2. Wat (staan) er vandaag allemaal op de sportpagina's?

3. Fabris (worden) de eerste Italiaanse EK-winnaar.

4. Huntelaar (debuteren) bij Ajax.

5. Jelle Klaassen (triomferen) in Engeland.

6. Verheijen (botsen) tegen Uytenhaage.

7. En wat (voorspellen) het weerbericht?

8. Eerst zonnig maar vanavond (gaan) het regenen.

9. Het journaal van acht uur (brengen) al weer ander nieuws.

10. School in Den Haag (branden) af.

6. Tegenwoordige tijd

1. Jongen (ontdekken) brand op zolder.

2. Vrouw (worden) president van Chili.

3. Protest-actie van havenarbeiders (lopen) uit de hand.

4. Het jeugdjournaal (behandelen) o.a de volgende onderwerpen:

5. Greenpeace (doen) een oproep.

6. Piep-geluid (jagen) jongeren weg.

7.Turkije (proberen) de vogelgriep te stoppen.

8. Klaasen (verbazen) iedereen

9. (Vinden) jij darten een leuke sport?

10. En wat (beroeren) ons morgen?

Opdracht 4

1 commercieel

4 lesbienne

5 tweeëntwintig

6 lawaaiig

7 ideeën

11 mozaïek

14 fonduen

15 bacteriën

Opdracht 5

Je kunt dit woord op twee manieren uitspreken. Als je het op z’n Engels uitspreekt (‘claient’), heb je geen trema nodig. Als je het op z’n Nederlands uitspreekt (‘cli-jent’), heb je wel een trema nodig. De woorden verschillen in betekenis. Het Nederlandse cliënt is een klant. Het Engelse woord client wordt in het Nederlands gebruikt voor een computer die gegevens gebruikt die op een server zijn opgeslagen.

2 Spelling

Opdracht 1

1 Herkent, want dit is een persoonsvorm. Je schrijft dus de ik-vorm + t.

2 Vermeld, want dit is de gebiedende wijs. Je schrijft daarom de ik-vorm.

3 Haasten, want dit is een infinitief. Je schrijft daarom het hele werkwoord.

4 Geskied, want dit is een voltooid deelwoord en de laatste letter van de stam is geen medeklinker uit ’t kofschip. Je schrijft de stam + d en voegt een e toe om uitspraakproblemen te voorkomen.

5 Geloofd, want dit is een voltooid deelwoord en de laatste letter van de stam (gelov) is geen letter uit ’t kofschip. Volgens de regel van ’t kofschip eindigt dit voltooid deelwoord op -d.

6 Liftte, want dit is een persoonsvorm in de verleden tijd. Volgens de regel van ’t kofschip schrijf je de ik-vorm + te.

Vindt, want dit is een persoonsvorm in de derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd. Je schrijft de ik-vorm + t.

7 Bespaard, want dit is een voltooid deelwoord. Volgens de regel van ’t kofschip eindigt dit voltooid deelwoord op -d.

8 Omhelsde, want dit is de persoonsvorm in de verleden tijd. Volgens de regel van ’t kofschip schrijf je de ik-vorm + de.

9 Beantwoord, want dit is een voltooid deelwoord. Volgens de regel van ’t kofschip eindigt dit voltooid deelwoord op -d.

10 Verdedigt, want dit is de persoonsvorm in de derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd. Je schrijft daarom de ik-vorm + t.

Opdracht 2

1 a psalmen

b extra’s

c pc’s

d mysteries en mysteriën

e displays

f individuen

g A4’s

h puppy’s

i macho’s

j geen meervoud

k biografieën

l trolleys

2 a psalmpje

b extraatje

c pc’tje

d mysterietje

e displaytje

f individuutje

g A4’tje

h puppy’tje

i machootje

j chocolaatje

k biografietje

l trolleytje

Opdracht 3

2 m’n rugzak

4 Bas’ record

7 spraytje

Opdracht 7

1 a Wat = betr. vnw m.i.a. Je kunt het vervangen door Dat wat.

b wat = vr. vnw. Het is deel van de vraag ‘Wat is het programma van de sportdag?’

c die = aanw. vnw. Je kunt er ‘kinderen’ achter denken.

d die = betr. vnw. Het verwijst terug naar ‘de nieuwe tv-serie’.

e dat = ondersch. vw. ‘Ik hoop’ is de hoofdzin; ‘ik een goed cijfer haal voor die geschiedenistoets’ is de bijzin. De zinnen worden verbonden door dat.

f Dat = aanw. vnw. Het woord verwijst naar de zin die ervoor staat.

2-3 Eigen werk.

Opdracht 8

1 Eigen zinnen, bijvoorbeeld:

a Die oude vrouw uit Amsterdam is fan van de koningin van Engeland.

b Ik wil graag naar dat concert, maar de kaartjes daarvoor zijn erg duur.

c Daniël is heel blij met de prijs die hij heeft gewonnen.

2-3 Eigen werk.

Opdracht 5

1 Desondanks / Ondanks dit feit = bwb

2 Hij / Zij / De reiziger = ond

3 Dat / Dit / Die plek = lv

4 Daarom / Om die reden = bwb

5 naar mijn verwachting mooi / slecht = nw. deel van het gezegde

6 daarom / daardoor = bwb

7 Hun / Aan die persoon = mv

8 Dan / Vanaf dat moment = bwb

Opdracht 6

1 bijzin: dat … zet = vzvzin (Ervan is voorlopig voorzetselvoorwerp.)

2 bijzin: dat … ligt = lvzin

3 bijzin: omdat … training = bwbzin

4 bijzin: of … dag = ondzin

5 bijzin: wat … hoopten = gezzin

6 bijzin: nadat … zijn = bwbzin

7 bijzin: Aan … toets = mvzin

8 bijzin: dat … reserveert = ondzin (Het is voorlopig onderwerp.)

9 bijzin: hoewel … worden = bwbzin

10 bijzin: wat … vind = lvzin

11 bijzin: dat … was = vzvzin (Erover is voorlopig voorzetselvoorwerp.)

12 bijzin: wat … is = gezzin

Opdracht 1

1 volgens de media = bwb

aan haar privacy = vzv

is gehecht = wwg

2 korte = bvb bij ‘stop’

in de richting van Rotterdam Centraal = bwb

zal doorrijden = wwg

3 de hond van zijn oma = bijstelling

wordt onrustig = nwg

4 Na lang beraad = bwb

van de schrijfwedstrijd = bvb bij ‘hoofdprijs’

aan een veertienjarige jongen = vzv

heeft toegekend = wwg

5 Die veelbelovende zanger = mv

is aangeboden = wwg

6 rond vluchtelingen = bvb bij ‘situatie’

helaas = bwb

is hetzelfde gebleven = nwg

Opdracht 2

Eigen zinnen, bijvoorbeeld

1 Mijn oma vertelt graag over wat ze in haar jeugd heeft meegemaakt.

2 Ik weet niet waarom hij boos op mij is.

3 Toen hij Sarah zag, werd Mirko knalrood.

4 Als je naam wordt genoemd door je mentor, mag je je schoolpasje komen ophalen.

5 Nurlaila zong al voordat ze kon praten.

6 Dat jij vanmorgen te laat kwam, verbaast mij zeer.

Opdracht 3

Eigen werk.

Opdracht 4

1 bijzin = Hoewel … werkt

vervangen door: Desondanks / Ondanks dit feit

2 bijzin = Wie … maakt

vervangen door: Hij / Zij / De reiziger enzovoort

3 bijzin = Waar … gelaten

vervangen door: Dat / Dit / Die plek

4 bijzin = Aangezien … is

vervangen door: Daarom / Om die reden

5 bijzin = zoals … verwacht

vervangen door: naar mijn verwachting mooi / slecht enzovoort

6 bijzin = omdat … tekortkomen

vervangen door: daarom / daardoor

7 bijzin = Wie … meehelpen

vervangen door: Hem /Haar / Aan die mensen enzovoort

8 bijzin = Zodra … verkeer

vervangen door: Dan / Vanaf dat moment

Opdracht 5

1 Het gedicht heeft versregels, die niet de hele pagina vullen.

Er is sprake van enjambement bij bijna alle versregels. Het gedicht is een vrij vers: er is geen vaste strofebouw, geen vast ritme en ook geen rijm. Het gedicht gaat over één gevoel of moment, namelijk ’s nachts niet kunnen slapen doordat je bent geraakt door een liefdesverklaring.

2 Deze uitspraak is niet juist, want in het gedicht komt hier en daar beeldspraak voor, zoals in versregel 4-5 ‘alsof je op een rijkoets ligt en als je erg ziek bent, een lijkwagen’ en versregel 20 ‘een dansend monster in je voeten’.

3 Het gedicht gaat over hoe je geraakt kunt zijn door een liefdesverklaring en hoe je daar ’s avonds in bed nog lang stil van kunt genieten terwijl je aan elkaar vraagt waarom je nog steeds niet gaat slapen.

4 De titel verwijst naar geraakt zijn, dat lang kan duren, maar ook naar letterlijk elkaar vasthouden als je samen in bed ligt. Het verwijst ook naar het Engelse woordje ‘still’, in het gedicht gaat het over nog steeds niet gaan slapen.

5 a Een logische manier om het gedicht in strofen te verdelen is drie kwatrijnen, daarna drie terzetten en ten slotte weer twee kwatrijnen. Een andere mogelijke indeling is zeven terzetten gevolgd door twee kwatrijnen.

b Het effect hiervan is dat er nog meer nadruk komt te liggen op het enjambement (de pauzes in de zinnen worden langer) en dat er meer nadruk komt op de tegenstelling die het woordje ‘Maar’ in versregel 22 aangeeft en op de laatste gedachte in het gedicht in de laatste strofe.

Opdracht 6

1 Bijvoorbeeld:

– Honderd keer meer stemmen dan anders. Wel duizend keer meer. (regel 10-11)

– … al kunnen ze een brief van de koning voorleggen. (regel 97)

– Mijn vader zou ontroostbaar zijn als een onverlaat iets, al is het maar één steen, aan zijn woning zou veranderen. (regel 112-113)

– Die avond huil ik liters tranen. (regel 177)

2 Bijvoorbeeld:

– Zeker? (…) Heel zeker? (…) Heel, heel zeker? (regel 18-22)

– Maar we liggen gewoon veilig in bed. En dat zeg ik ook: ‘We liggen gewoon veilig in bed.’

(regel 23-24)

– Stom, stom, stom! (regel 61)

3 Hij leert de mensen graag iets bij. (regel 140-141)

4 Bijvoorbeeld:

Geen boom wordt omgehakt. Hij mag nog ziek zijn. In de Franciscusstraat sterven de bomen staand. (regel 98-99)

Nooit vergeet hij wat. Geen deur, geen raam, geen muur, geen broek, geen T-shirt, geen sokken. (regel 127-128)

5 De dichter gebruikt herhaling om verschillende gedachten aan elkaar te rijgen. Telkens herhaalt ze een woord/enkele woorden van de vorige gedachte om daarmee de volgende te beginnen. Bijvoorbeeld ‘ogen’ en ‘rood’ in ‘… omdat alles voor je ogen zo rood is. Je ogen zijn zo rood …’.

De dichter gebruikt ook herhaling door bepaalde formuleringen een aantal keer terug te laten komen: het fijne aan / het mooie aan / het bijzondere aan / het vreemde aan / het goede aan / het allermooiste aan.

6 De dichter beschrijft de tegenstelling tussen hoe kort het kan duren om ergens door geraakt te worden en hoelang het kan duren dat je daar nog aan terugdenkt en van nageniet. Ook beschrijft ze de tegenstelling tussen de twee effecten die het op je heeft als je bent (aan)geraakt: het is lawaaiig (het galmt na en stampt na) en toch ook stil (je wordt er stil van).

7 a Het gedicht draait om de vraag waarom we nog steeds niet gaan slapen.

b De twee gaan nog steeds niet slapen, omdat ze het moment willen vasthouden.

Blok 2

2 Fictie

Opdracht 1

1 Vastenavond is de laatste avond van carnaval. Een mombakkes is een masker.

Frank ligt op Vastenavond in bed met zijn zusje te luisteren naar de harde stemmen van verklede carnavalsvierders. Hij is van plan om naar beneden te gaan als ze slaapt. Hij wil erbij zijn als zijn ouders een aantal vermomde ‘gekken’ op bezoek krijgen. Hij wil zich niet terug naar boven laten sturen door zijn ouders.

2 Het verhaal speelt zich af in de slaapkamer / het huis van Frank. Het huis ligt vlak aan de straat en heeft in elk geval twee verdiepingen. De kamer van Frank heeft een houten vloer, een bed, twee ramen aan de straatkant van het huis een bureau met vier metalen documentenbakjes, drie bestekmappen en een leren onderlegger, waarachter aan de muur een grote poster hangt van het Guggenheimmuseum in New York. De deur is vanavond niet op slot.

Het huis staat in een dorp waarvan de naam niet wordt genoemd, maar wel de straatnamen Franciscusstraat, Gasthuisstraat en Kroonstraat. In het dorp staan verschillende huizen, ontworpen door de overgrootvader, grootvader en vader van de ik-persoon, allemaal architecten. De oudere huizen mogen niet worden veranderd. De huizen van de grootvader in de Gasthuisstraat maken de vader boos, omdat de bewoners er dingen aan hebben veranderd om ze ‘mooier’ te maken. De jongste huizen zijn modern, strak en hoog en met veel glas, helemaal naar de ‘efficiënte’ smaak van de vader.

3 De vader houdt zich afzijdig van de dorpelingen en voelt zich beter dan zij. De dorpelingen zijn, zo denkt Frank, bang voor zijn vader.

Heb je minstens twee van deze drie delen geciteerd?

– ‘Die hebben domme plannen …’ (regel 101-102)

– ‘Ik denk dat de bewoners weten dat hij komt controleren en dat ze bang voor hem zijn. Niet bang zoals voor een grote, grommende hond of een diepe afgrond of een donkere film met monsters, maar bang zoals voor mijn vader. Ik kan je niet zomaar een-twee-drie vertellen hoe dat precies is, maar ik kan je wel zeggen dat mijn vader erg boos kan kijken. Zijn blik vervult je met alle mogelijke soorten van angst. Ik ben er niet zeker van, maar volgens mij zijn er veel mensen bang voor hem.’ (regel 113-118)

– Volgens mijn vader hebben de mensen buiten weinig hersenen. (...) We praten met elkaar in plaats van met de mensen op straat. Hen wil ik niet kennen, zegt mijn vader. Alleen als hij zijn plannen heeft getekend, spreekt hij met hen af in zijn werkkamer. Ze bekijken de tekeningen en keuren ze goed. Mijn vaders plannen kun je niet afkeuren.’ (regel 121-126)

4 Frank is vaak bang voor zijn vader en heeft te lijden onder het dominante gedrag van zijn vader, maar toch bewondert hij hem. Al had hij eerst veel verdriet toen zijn vader zijn tekeningen van de muur scheurde om er een poster van het Guggenheimmuseum voor in de plaats te hangen, nu weet hij dat dat het mooiste cadeau is dat hij ooit heeft gekregen.

5 De vader is precies/ordelijk/netjes, dominant/intimiderend en arrogant/trots. Hij is precies, want hij vergeet nooit iets, doet alles altijd in de goede volgorde en zijn werk is altijd goed. Hij is dominant/intimiderend, want zijn zoon en de dorpsbewoners zijn bang voor hem, hij kan heel boos kijken en hij geeft Frank op zijn twaalfde verjaardag een pijnlijke handdruk en verscheurt zonder overleg Franks dierbaarste tekeningen. Hij is arrogant, omdat hij vindt dat hij intelligenter is dan alle anderen in het dorp (en dat geldt ook voor zijn zoon) en omdat hij anderen graag iets wil leren.

6 Bijvoorbeeld:

– Dan blaas ik de gedachte weg … (regel 8, metafoor)

– Als ze straks als een foetus enkele centimeters van me verwijderd ligt … (regel 32, vergelijking met als)

– ... alsof de vloer niet van hout, maar van flinterdun glas is. (regel 35-36, vergelijking met als)

– We zijn vier generaties grote hoofden … (regel 75-76, metonymia)

– … waar veel cijfers, oppervlakten, afstanden en berekeningen in kunnen. (regel 76-77, metafoor)

– Het is als een kind, zegt mijn vader. (regel 82-83, vergelijking met als)

– Volgens mijn vader hebben de mensen buiten weinig hersenen. (regel 121-122, metafoor)

– Het is alsof mijn keel dichtgeknepen wordt. (regel 159, vergelijking met als)

– Ik knik en luister naar zijn voetstappen, tot ze beneden door het tapijt in de living opgezogen worden. (regel 175-176, metafoor)

– Ik begrijp dat mijn vader wonden in mijn lichaam heeft geslagen. (regel 183-184, metafoor)

7 Ja, het verhaal wordt chronologisch verteld, maar er zijn wel terugverwijzingen, waarin de ik-persoon terugdenkt aan eerdere gebeurtenissen, zoals het rondrijden door het dorp en zijn twaalfde verjaardag.

8 Eigen werk. Heb je opgeschreven hoe jij denkt dat dit verhaal verdergaat? Bijvoorbeeld: Het lukt Frank om zijn plan uit te voeren, naar beneden te gaan en tegen zijn ouders te zeggen dat hij mee wil doen, maar het loopt toch anders dan hij verwachtte. Hij krijgt ruzie met zijn vader en durft zijn vader eindelijk te zeggen hoe hij echt over hem denkt.

1 Lezen

Opdracht 1

1 – het onderwerp aankondigen

– een kort, grappig of bijzonder verhaaltje vertellen

– een of meer vragen stellen

– de aanleiding voor het schrijven van de tekst noemen

2 – een korte samenvatting van de tekst

– een conclusie van de tekst

– een advies

3 – door het gebruik van een signaalwoord

– door herhaling

– door overgangszinnen met een verwijzing

– door aankondigende zinnen

4 Meestal staat de kernzin aan het begin of aan het eind van de alinea.

5 De kernzin kan de tweede zin van de alinea zijn, of kan in het midden van de alinea staan. Ook kunnen er twee kernzinnen zijn, of er ontbreekt een kernzin.

6 De rest van de alinea bestaat uit toelichting en/of voorbeelden.

7 De hoofdgedachte van een tekst is de belangrijkste mededeling over het onderwerp.

8 a-c

– informerende tekst – informeren – nieuwsbericht, verslag, zakelijke brief, informatieve tekst uit krant of tijdschrift

– uiteenzettende tekst – uitleg geven – schoolboektekst, achtergrondtekst in tijdschrift, handleiding, instructie, recept

– beschouwende tekst – mening laten vormen, na laten denken – ingezonden brief, achtergrondtekst in krant of tijdschrift, weblog of column

– betogende tekst – overtuigen – ingezonden brief, recensie, meningtekst in krant of tijdschrift

– aansporende of activerende tekst – overhalen – reclametekst, advertentie, folder, klachtenbrief

– amuserende tekst – amuseren – gedicht, verhaal, songtekst, jongerenroman

9 Een tekst is subjectief als de mening van de schrijver in de tekst voorkomt.

10 a toch: verband uitspraak-tegenstelling

b daardoor: verband oorzaak-gevolg

c want: verband uitspraak-reden

d om … te: verband middel-doel

Opdracht 5

1 a uitspraak-conclusie

b Uitspraak: ruimtetoerisme wordt in de toekomst steeds betaalbaarder.

Conclusie: ruimtetoerisme wordt toegankelijker voor een groot publiek.

2 a Voor ruimtereizen blijven zwaartekrachtslingers van andere planeten nodig om een eind in het zonnestelsel te komen.

b Sommige mensen … de kosmos.

3 Eigen antwoord, bijvoorbeeld: ‘Vakantie naar een planeet’.

4 a-c

– Om te beginnen: verband uitspraak-opsomming.

Uitspraak: Op relatief korte afstand valt er genoeg te ontdekken.

Opsomming: Mars en Venus zijn daar.

– Maar: verband uitspraak-tegenstelling.

Uitspraak: Mars en Venus lijken in sommige opzichten veel op de aarde.

Tegenstelling: in andere (opzichten) helemaal niet.

– Verder … en: verband uitspraak-opsomming.

Eerste deel: Mars en Venus zijn daar.

Tweede deel: de ijsmanen van Jupiter en Saturnus die grote ondergrondse oceanen hebben waarin primitief leven mogelijk zou kunnen zijn.

– want: verband uitspraak-reden.

Uitspraak: Jupiter zelf biedt genoeg spektakel.

Reden: in de dampkring raast al vier eeuwen een enorme storm rond.

– Kortom: verband uitspraak-samenvatting.

Uitspraak: De tekst van ‘Je hoeft ...’ tot en met ‘... storm rond’.

Samenvatting: er valt genoeg te kiezen.

5 Ruimtereizigers zullen met behulp van zwaartekrachtslingers van andere planeten in een raket of ruimtevliegtuig een ruimtereis naar verschillende planeten als Mars, Venus, Jupiter en Saturnus kunnen maken.

6 a – de grote rode vlek, een enorme anticycloon waarin de aarde wel drie keer past

– het prachtige poollicht

– de bliksem die duizend keer krachtiger is dan die bij ons

b Verder, En

7 Eigen antwoord, bijvoorbeeld: overtreffende trappen.

8 Ja, dat je in het ruimteschip moet blijven is de conclusie op basis van het feit dat de druk op Jupiter 2 miljoen keer zo hoog is als bij ons en je daardoor wordt verpletterd zodra je buiten het ruimteschip komt.

9 a Daardoor, doordat

b Daardoor

Oorzaak: door het duwen en trekken van de zware planeet is Europa’s baan elliptisch.

Gevolg: de kern wordt verwarmd.

doordat

Oorzaak: het ijsoppervlak is uit elkaar getrokken.

Gevolg: de lijnen die kriskras onder je voeten lopen, zijn warmere lagen die bloot kwamen.

10 Door de aanwezigheid van water en een warmtebron lijkt het binnenste van Europa geschikt te zijn voor buitenaards leven.

11 – pluimen water die de ruimte in worden geslingerd

– lijnen onder je voeten

– chaosgebieden waar dik en dun ijs zijn samengedrukt tot ijsbergachtige structuren die over het oppervlak bewegen

12 Je kunt het signaalwoord dus invoegen. De laatste zin is een conclusie van het voorafgaande.

13 – De druk en de temperatuur zijn hetzelfde als op de aarde.

– Oogverblindende bliksems schieten door de dampkring.

– Een verschroeiende temperatuur van honderden graden Celsius.

– Canyons, vulkanen en oude lavastromen.

– Kronen oftewel ringvormige formaties van soms wel 580 kilometer breed.

14 a want

b uitspraak-reden

c Uitspraak: Blijf vooral waar je bent.

Reden: Bij een uitbarsting kan de temperatuur oplopen tot 800 graden Celsius.

15 De tekst is subjectief. In de tekst staan uitspraken van de schrijver, zoals: happy few, grof geld, een reisje in superlatieven, er valt genoeg te ontdekken, hot, hot, hot. De mening van de schrijver kun je uit de tekst opmaken door zinnen als: Hoe cool zou dat zijn?

Opdracht 4

1 de aanleiding noemen voor het schrijven van de tekst

2 a mits

b Uitspraak: Musk zoek grote groepen vrijwilligers om over 46 tot 106 jaar zijn populatiedoel van 1 miljoen inwoners op de rode planeet te bereiken.

Voorwaarde: de reis naar Mars mag niet te duur zijn.

3 betrokken was bij de start van / bij het begin van

4 a door een overgangszin met een verwijswoord

b Het woord hij. Dat verwijst naar Elon Musk.

5 Eigen antwoord, bijvoorbeeld: De kosten zijn dezelfde als een gemiddelde woning in de Verenigde Staten. 200.000 dollar is dan redelijk, omdat het niet uitmaakt of je een huis koopt of naar Mars vertrekt om daar te leven.

6 a ja

b Het eerste woord maar geeft de volgende tegenstelling aan: Aan de ene kant ‘De mens heeft nog nooit voet op de planeet gezet’. Aan de andere kant ‘Daar komt in de nabije toekomst verandering in’.

Het tweede woord maar geeft de volgende tegenstelling aan: Aan de ene kant wat Musk niet zei (wat de kosten van de speciale raketten zijn), aan de andere kant wat hij wél zei (over samenwerken met NASA en Amerikaanse overheid).

7 a dus

b Uitspraak: De eerste … naar Mars.

Conclusie: Reizen naar Mars gaat gebeuren.

8 In 2024 zal een draagraket een passagierscabine in een baan om de aarde brengen en daarna brandstof en een capsule ophalen om de passagiers naar Mars te brengen.

9 a Belangrijkste overeenkomsten: Het plan is tussen 2024 en 2027 mensen op Mars af te zetten.

Elon Musk wordt in beide teksten genoemd.

b Belangrijkste verschillen: In tekst 3 worden ook de projecten van Inspiration Mars en Mars One genoemd. In tekst 4 worden alleen de plannen van Musk genoemd. In tekst 4 staat ook informatie over de prijs en de raket.

10 Eigen antwoord. Heb je je antwoord toegelicht?

Opdracht 4

1 Eigen voorbeelden, bijvoorbeeld:

Geluid: Door te grommen probeert een hond andere dieren af te schrikken.

Geur: Een kat plast op verschillende plekken om zo zijn territorium af te bakenen.

Kleur: Sommige kevers hebben felle kleuren, zodat vijanden denken dat ze giftig zijn.

Houding: Een hond die hoog op zijn poten staat, is zelfverzekerd.

2 Een aap is biologisch niet in staat om te spreken zoals wij dat doen. De mondkeelholte van een aap is daarvoor niet geschikt, en hij heeft niet de precieze controle over bijvoorbeeld zijn tong en lippen die nodig is om te spreken.

3 Eigen voorbeeld van lichaamstaal, zoals glimlachen (betekent: alles is goed) of ineengedoken houding (betekent: ik ben bang of onzeker).

4 Eigen uitwerking, bijvoorbeeld:

De gemeenschappen waarin mensen leven zijn veel complexer dan die van dieren. Dat vraagt ook om een complexer communicatiesysteem. (Waarschijnlijk was er sprake van een wisselwerking: de ontwikkeling van een complexer communicatiesysteem maakte ook weer verdere ontwikkeling van de samenleving mogelijk.)

Opdracht 3

1 a mensen met behulp van raketten de ruimte in sturen

b maakt veel indruk

c het zicht, de aandacht

d grootspraak, verzinsel(s)

2 een herbruikbare raket van SpaceX landde in januari 2016 nog iets te hard op de landingsplek op zijn boot (regel 16-17)

3 a door een signaalwoord

b In de eerste zin van alinea 3 staat het signaalwoord bovendien.

4 Ja, in het eerste deel van de zin staat dat de tweede poging beter ging. In het tweede deel staat dat de poging eindigde met een kapotte raket. Dit is een tegenstelling.

5 a dat er goede en minder goede pogingen zijn geweest

b herbruikbare raketten bouwen en gebruiken

6 Ruimtepioniers zetten zich in om in de toekomst naar Mars te kunnen reizen en miljoenen mensen op deze planeet te laten vestigen.

7 Nee, want het gaat in de alinea niet alleen om de plannen van Mars One. De alinea gaat over de plannen van Mars One en Elon Musk om naar of langs Mars te reizen en er mensen te laten vestigen.

8 Het gaat erom of de mens op Mars kan overleven in een nieuwe omgeving, in een kleine gemeenschap met een micro-ecosysteem.

9 a hetzelfde

b Uitspraak: Het gaat erom of we kunnen overleven in een nieuwe omgeving, in een kleine gemeenschap met een micro-ecosysteem, waar we ons eigen voedsel kweken en alles opnieuw opbouwen.

Vergelijking: wat menselijke verkenners deden in de prehistorie.

10 Commerciële bedrijven als SpaceX en Mars One hebben plannen om met groepen toeristen de dampkring te verlaten en naar Mars te gaan. Omdat deze commerciële ruimtevaart betaalbaar moet zijn, ontwikkelt SpaceX herbruikbare raketten. Het plan is om vanaf 2018 mensen mee te nemen op een flyby langs Mars. Het Nederlandse Mars One-project heeft als doel in 2027 mensen op Mars te brengen die gaan ontdekken of ze kunnen overleven in de nieuwe omgeving.

11 Ja, in deze alinea staat een soort conclusie, namelijk dat de dromen over reizen naar Mars geen gebakken lucht zijn.

12 a de lezer informeren

b een achtergrondartikel uit een tijdschrift

1 Lezen

Opdracht 1

1 – het onderwerp aankondigen

– een kort, grappig of bijzonder verhaaltje vertellen

– een of meer vragen stellen

– de aanleiding voor het schrijven van de tekst noemen

2 – een korte samenvatting van de tekst

– een conclusie van de tekst

– een advies

3 – door het gebruik van een signaalwoord

– door herhaling

– door overgangszinnen met een verwijzing

– door aankondigende zinnen

4 Meestal staat de kernzin aan het begin of aan het eind van de alinea.

5 De kernzin kan de tweede zin van de alinea zijn, of kan in het midden van de alinea staan. Ook kunnen er twee kernzinnen zijn, of er ontbreekt een kernzin.

6 De rest van de alinea bestaat uit toelichting en/of voorbeelden.

7 De hoofdgedachte van een tekst is de belangrijkste mededeling over het onderwerp.

8 a-c

– informerende tekst – informeren – nieuwsbericht, verslag, zakelijke brief, informatieve tekst uit krant of tijdschrift

– uiteenzettende tekst – uitleg geven – schoolboektekst, achtergrondtekst in tijdschrift, handleiding, instructie, recept

– beschouwende tekst – mening laten vormen, na laten denken – ingezonden brief, achtergrondtekst in krant of tijdschrift, weblog of column

– betogende tekst – overtuigen – ingezonden brief, recensie, meningtekst in krant of tijdschrift

– aansporende of activerende tekst – overhalen – reclametekst, advertentie, folder, klachtenbrief

– amuserende tekst – amuseren – gedicht, verhaal, songtekst, jongerenroman

9 Een tekst is subjectief als de mening van de schrijver in de tekst voorkomt.

10 a toch: verband uitspraak-tegenstelling

b daardoor: verband oorzaak-gevolg

c want: verband uitspraak-reden

d om … te: verband middel-doel

Opdracht 2

1 het onderwerp van de tekst aankondigen

2 a nauwkeurig onderzoeken/bestuderen

b heel gemakkelijk/kost geen moeite

3 De ene na de andere vergelijkingswebsite afspeuren om de beste deals te vinden. (regel 5-6)

4 het boeken en het reizen zelf

5 Je hoeft geen vergelijkingswebsites af, want de computer weet wat jij leuk vindt door het analyseren van je gezicht.

Je bent veel beter geïnformeerd als je aankomt.

6 Eigen antwoord, bijvoorbeeld: Als je vaker een boek koopt bij bol.com, dan selecteert de computer al boeken voor je waarvan hij denkt dat je die ook leuk vindt. Op deze manier werkt de gezichtsherkenningssoftware voor een vakantie ook.

7 a oorzaak-gevolg: Daardoor

uitspraak-reden: want

b Daardoor

Oorzaak: Gezichtsherkenningssoftware kan analyseren bij welke vakantielanden je een blij gezicht trekt.

Gevolg: De computer weet eerder dan jij wat je leuk vindt en een reis boeken wordt net zo simpel als een boek kopen bij bol.com.

want

Uitspraak: Je bent al veel beter geïnformeerd als je aankomt.

Reden: Je kunt straks vanuit je luie stoel met een virtualrealitybril op je hoofd alvast door het hotel wandelen, het zwembad bekijken en je kamer inspecteren.

8 a Ja, bijvoorbeeld is hier een signaalwoord.

b ‘Vliegen wordt een fluitje van een cent’ is een voorbeeld bij de uitspraak ‘Het reizen zelf wordt ook een stuk leuker’.

9 Alinea 2-3: makkelijker reis boeken

Alinea 4: makkelijker reizen

10 Rond 2050 zorgt de technologie ervoor dat de goede reis boeken snel gaat, je goed geïnformeerd op vakantie gaat en het reizen zelf leuker is.

Opdracht 3

1 a bood

b giletje

c hectisch

d Belijd

e gedeisd

f lokaliseren

g lijdzaam

h roze

i cactus

j retourtje

2 a, d

Opdracht 4

Eigen werk, bijvoorbeeld:

1 a – De schilder luisterde op zijn steiger naar de Hollandse hits uit zijn radiootje.

– De snelste stijger van deze week is het laatste nummer van de overleden zanger.

b – Korstjes krab ik meestal gedachteloos los.

– Langs de kust zag ik een grote krab lopen.

– Mijn broek is nu echt te krap geworden.

c – Mijn beste vriend eet champignons het liefst rauw.

– De overheid heeft na de ramp een periode van rouw aangekondigd.

d – Als je naar dat feest wilt, kun je maar beter vast beginnen met vleien.

– In de meubelzaak vlijen mijn broers zich neer op de grootste bank die er staat.

e – De uitspraak van de acteur in de media was helaas nogal boud.

– Met de bout en de moer kun je de deur heel precies afstellen.

2 Eigen uitwerking.

_______

Opdracht 1

Woordenlijst voor Wrts

1 capsule = cabine voor bemanning van een raket

2 conferentie = bijeenkomst, vergadering

3 formatie = gevormde groep (gesteenten)

4 gegadigde = belangstellende

5 geologie = wetenschap van de geschiedenis van de aarde

6 leverancier = iemand die iets levert

7 pionier = iemand die iets als eerste doet

8 slinken = kleiner worden

9 voorbehouden zijn aan = alleen bestemd zijn voor

10 voortraject = handelingen voorafgaand aan een gebeurtenis

Opdracht 2

1 a extreme opvattingen krijgen

b advies inwinnen

c uitdagen

d vrijmaken

e gebruiken

f een alleenrecht instellen

g stelselmatig lastigvallen

h naar een hogere klasse gaan

2 Eigen uitwerking, bijvoorbeeld:

a Open gesprekken in de klas kunnen radicalisering van jongeren voorkomen.

De hoogleraar heeft een nieuwe aanpak tegen radicalisme ontwikkeld.

b Het eerste consult bij de studiekeuzeadviseur is gratis.

De gemeenteraad legt het plan voor het nieuwe winkelcentrum ter consultatie voor aan de inwoners.

c De kalme doelman beantwoordde de provocatie van de aanvaller met een glimlach.

Die schrijver is een provocateur die vooral uit is op effectbejag.

d Veel mensen vinden dat de liberalisering van de postmarkt niet goed heeft uitgepakt.

Als een echte liberaal verzet de politicus zich tegen de voorgestelde belastingverhoging.

e De laatste jaren neemt de consumptie van duurzame producten toe.

Consumenten zijn bereid veel privacy in te leveren voor een beetje korting.

f De luchtvaartmaatschappij heeft een monopolie op vluchten naar het kleine eiland.

Uitgevers vrezen dat de grote online boekwinkel zich als een monopolist zal gaan gedragen.

g De stiefmoeder had behoorlijk te lijden onder de terreur van de puberdochter.

De man die van terrorisme wordt verdacht, mag het land niet verlaten.

h Bij promotie zal het team volgend jaar op een veel hoger niveau moeten spelen.

Na zijn universitaire studie ging Roy als promovendus verder in het onderzoek.

Opdracht 12

1 bijwoord: – voornaamwoordelijk bijwoord: waarmee

2 bijwoord: morgen voornaamwoordelijk bijwoord: daar…aan

3 bijwoord: ditmaal, niet, lang voornaamwoordelijk bijwoord: er…over

4 bijwoord: Gisteren, uitgebreid voornaamwoordelijk bijwoord: daar…over

5 bijwoord: wel, nooit voornaamwoordelijk bijwoord: daaraan

6 bijwoord: alweer voornaamwoordelijk bijwoord: er...aan

7 bijwoord: uiteindelijk voornaamwoordelijk bijwoord: daar…van

8 bijwoord: vanmorgen, toevallig voornaamwoordelijk bijwoord: er…langs

Opdracht 13

1 dat = betr. vnw; antecedent = Het meisje

2 Wat = betr. vnw m.i.a.

3 alles = onb. vnw, wat = betr. vnw; antecedent = alles

4 wat = vr. vnw

5 die = betr. vnw; antecedent = De natuurfoto’s, deze = aanw. vnw

6 Wie = betr. vnw m.i.a., dit = aanw. vnw

7 Wie = vr. vnw, dit = aanw. vnw

8 Wat = betr. vnw m.i.a., dat = aanw. vnw, wat = onb. vnw

9 dat = aanw. vnw, wat = betr. vnw; antecedent = het lekkerste

10 Wie = betr. vnw m.i.a., die = aanw. vnw

1 Spelling

Opdracht 1

1 a verergerd, verbeterd

b bewaart

c gefinisht, knarste

d beschouwt, belandden

e Verbiedt, ingeschreven

f verandert, verbaasd

g wachtte, gedoofd

h bespaard, richtte

i meldde, georganiseerd

j begrensd, interesseert

2 Eigen uitwerking.

Opdracht 2

1 verergeren, verbeteren, bewaren, beschouwen, veranderen, verbazen, besparen, begrenzen

2 Eigen uitwerking, bijvoorbeeld:

– De buurman is bang dat het ongemak eerst verergert (pv) voordat de situatie verbetert (pv).

– Ik heb alle kerstkaarten van vorig jaar bewaard (vdw).

– The Beatles worden door veel mensen beschouwd (vdw) als de grondleggers van de popmuziek.

– Het menu in de schoolkantine is al jaren niet meer veranderd (vdw).

– Het verbaast (pv) me niet dat er zo weinig mensen zijn.

– Met deze handige tips bespaart (pv) u veel energie.

– De gemeente begrenst (pv) het aantal studentenhuizen in deze populaire wijk.

Opdracht 3

1 a bood

b giletje

c hectisch

d Belijd

e gedeisd

f lokaliseren

g lijdzaam

h roze

i cactus

j retourtje

2 a, d

Opdracht 4

Eigen werk, bijvoorbeeld:

1 a – De schilder luisterde op zijn steiger naar de Hollandse hits uit zijn radiootje.

– De snelste stijger van deze week is het laatste nummer van de overleden zanger.

b – Korstjes krab ik meestal gedachteloos los.

– Langs de kust zag ik een grote krab lopen.

– Mijn broek is nu echt te krap geworden.

c – Mijn beste vriend eet champignons het liefst rauw.

– De overheid heeft na de ramp een periode van rouw aangekondigd.

d – Als je naar dat feest wilt, kun je maar beter vast beginnen met vleien.

– In de meubelzaak vlijen mijn broers zich neer op de grootste bank die er staat.

e – De uitspraak van de acteur in de media was helaas nogal boud.

– Met de bout en de moer kun je de deur heel precies afstellen.

2 Eigen uitwerking.

Opdracht 13

1 dat = betr. vnw; antecedent = Het meisje

2 Wat = betr. vnw m.i.a.

3 alles = onb. vnw, wat = betr. vnw; antecedent = alles

4 wat = vr. vnw

5 die = betr. vnw; antecedent = De natuurfoto’s, deze = aanw. vnw

6 Wie = betr. vnw m.i.a., dit = aanw. vnw

7 Wie = vr. vnw, dit = aanw. vnw

8 Wat = betr. vnw m.i.a., dat = aanw. vnw, wat = onb. vnw

9 dat = aanw. vnw, wat = betr. vnw; antecedent = het lekkerste

10 Wie = betr. vnw m.i.a., die = aanw. vnw

P1 week 37

P2

P3

W5

W7

W10

Opdracht 8

1 a schattige = bijvoeglijk naamwoord

b perfect = bijwoord

2 a nee

b Aan is geen voorzetsel, want het staat niet aan het begin van een zinsdeel en het hoort bij stuurt: aansturen.

3 a wat = betrekkelijk voornaamwoord

b wat = vragend voornaamwoord

c wat = onbepaald voornaamwoord

4 zin 1a: is = kww

zin 3b: is = hww, bekendgemaakt = zww, kan = zww

5-6 Eigen werk.

Opdracht 9

1 een = lw

2 kwam = hww

3 nadat = ondersch. vw

4 via = vz

5 die = betr. vnw

6 veiligheid = znw

7 Hij = pers. vnw

8 is = kww

9 los = bw

10 overige = bnw

11 zijn = bez. vnw

12 iedereen = onb. vnw

13 beklimmen = znw

14 illegaal = bnw

15 dat = ondersch. vw

16 zich = wederkerend vnw

17 deze = aanw. vnw

18 ook = bw

19 want = nevensch. vw

20 zei = zww

Opdracht 10

1 De vetgedrukte woorden bestaan uit twee delen.

2 Het eerste deel van elk woord is een bijwoord.

3 Het tweede deel van elk woord is een voorzetsel.

Opdracht 11

1 a daar…over

b Daar…aan

c ermee

d waarover

2 Eigen zinnen, bijvoorbeeld:

a Mijn ouders zijn erg tevreden over hem.

b Aan haar heb ik helemaal niet gedacht.

c Is hij met hen naar de rector gegaan?

d Heb jij gehoord over wie Dante en Maarten het hadden?

Opdracht 12

1 bijwoord: – voornaamwoordelijk bijwoord: waarmee

2 bijwoord: morgen voornaamwoordelijk bijwoord: daar…aan

3 bijwoord: ditmaal, niet, lang voornaamwoordelijk bijwoord: er…over

4 bijwoord: Gisteren, uitgebreid voornaamwoordelijk bijwoord: daar…over

5 bijwoord: wel, nooit voornaamwoordelijk bijwoord: daaraan

6 bijwoord: alweer voornaamwoordelijk bijwoord: er...aan

7 bijwoord: uiteindelijk voornaamwoordelijk bijwoord: daar…van

8 bijwoord: vanmorgen, toevallig voornaamwoordelijk bijwoord: er…langs

Opdracht 10

1 De vetgedrukte woorden bestaan uit twee delen.

2 Het eerste deel van elk woord is een bijwoord.

3 Het tweede deel van elk woord is een voorzetsel.

Opdracht 11

1 a daar…over

b Daar…aan

c ermee

d waarover

2 Eigen zinnen, bijvoorbeeld:

a Mijn ouders zijn erg tevreden over hem.

b Aan haar heb ik helemaal niet gedacht.

c Is hij met hen naar de rector gegaan?

d Heb jij gehoord over wie Dante en Maarten het hadden?

Opdracht 12

1 bijwoord: – voornaamwoordelijk bijwoord: waarmee

2 bijwoord: morgen voornaamwoordelijk bijwoord: daar…aan

3 bijwoord: ditmaal, niet, lang voornaamwoordelijk bijwoord: er…over

4 bijwoord: Gisteren, uitgebreid voornaamwoordelijk bijwoord: daar…over

5 bijwoord: wel, nooit voornaamwoordelijk bijwoord: daaraan

6 bijwoord: alweer voornaamwoordelijk bijwoord: er...aan

7 bijwoord: uiteindelijk voornaamwoordelijk bijwoord: daar…van

8 bijwoord: vanmorgen, toevallig voornaamwoordelijk bijwoord: er…langs

Opdracht 4

1-3 a Joodse gevangenen in Litouwen groeven een tunnel / ze konden ontsnappen aan de nazi’s

zodat = onderschikkend voegwoord.

b Joodse gevangenen in Litouwen groeven een tunnel / ze konden ontsnappen aan de nazi’s waardoor = bijwoord.

c Joodse gevangenen in Litouwen groeven een tunnel / ze konden ontsnappen aan de nazi’s en = nevenschikkend voegwoord.

4 zin c

5 Je kunt het onderwerp en de persoonsvorm in een nevengeschikte zin (twee hoofdzinnen) niet van elkaar scheiden door er een zinsdeel tussen te plaatsen. Kijk maar naar […] in de volgende zinnen:

– Joodse gevangenen in Litouwen […] groeven een tunnel.

– Ze […] konden ontsnappen aan de nazi’s.

Dat kan in de bijzinnen van zin a en b wel.

Opdracht 5

1 De repetitie van het koor ging niet door = hoofdzin

veel mensen zich hadden afgemeld = bijzin

omdat = onderschikkend voegwoord

2 Ga je vanmiddag mee naar de stad = hoofdzin

heb je al andere plannen = hoofdzin

of = nevenschikkend voegwoord

3 Jill heeft net een nieuwe telefoon = hoofdzin

hij is nu al kapot = hoofdzin

ze hem heeft laten vallen = bijzin

maar = nevenschikkend voegwoord

doordat = onderschikkend voegwoord

4 Weet jij = hoofdzin

je het naamwoordelijk gezegde van een zin kunt vinden = bijzin

hoe = ander verbindingswoord, namelijk bijwoord

5 haar moeder jarig was = bijzin

verraste Deborah haar met een dagje uit = hoofdzin

Toen = onderschikkend voegwoord

6 Onze klas heeft vandaag een tussenuur = hoofdzin

de docent Latijn op werkweek is = bijzin

het laatste uur valt ook nog uit = hoofdzin

omdat = onderschikkend voegwoord

en = nevenschikkend voegwoord

7 het zo veel heeft geregend = bijzin

staat het water in de rivieren heel hoog = hoofdzin

Doordat = onderschikkend voegwoord

8 Op de luchthaven van München vond de politie een koffer met 40.000 euro = hoofdzin

vergeten was door een 78-jarige Duitser = bijzin

die = ander verbindingswoord, namelijk betrekkelijk voornaamwoord

9 Wij hebben geen muziekles = hoofdzin

er een vervanger is gevonden voor de zieke docente = bijzin

totdat = onderschikkend voegwoord

10 Ik weet niet = hoofdzin

ik het zo leuk had gevonden = bijzin

mijn ouders mij hadden weggebracht naar dat kamp = bijzin

of = onderschikkend voegwoord

als = onderschikkend voegwoord

Piet (onderwerp) slaat de hond (lijdend voorwerp). = onderwerp voert de handeling uit = bedrijvende zin

De hond (onderwerp) wordt door Piet (bwb) geslagen. = lijdende zin

Opdracht 6

1 Zin a staat in de lijdende vorm, zin b in de bedrijvende vorm.

2 a De patiënt = ond

wordt onderzocht = wwg

door de arts = bwb

b De arts = ond

onderzoekt = wwg

de patiënt = lv

– Het onderwerp van zin a De patiënt is in zin b het lijdend voorwerp.

– De bijwoordelijke bepaling die in zin a begint met door is in zin b het onderwerp.

– De persoonsvorm wordt uit zin a staat niet in zin b en het voltooid deelwoord onderzocht is in

zin b veranderd in de persoonsvorm onderzoekt.

3 a Zin a staat in de onvoltooide tijd. Het onderzoek vindt nog plaats.

b Voltooide tijd: De patiënt is door de arts onderzocht.

4 De bedrijvende vorm, want die is vaak makkelijker te lezen en te begrijpen.

Opdracht 7

1 lijdende vorm, ovt

Na afloop van de race bestormde de pers de autocoureur.

2 bedrijvend, vvt

Een belangrijke fout in het computerprogramma was door de ingenieur over het hoofd gezien.

3 lijdend, vtt

Hebben de verhuizers alle spullen al in de gereedstaande vrachtwagen geladen?

4 bedrijvend, ott

Verschillende groenten worden door de vader van Julian in een kas in de achtertuin gekweekt.

5 bedrijvend, ovt

Uit waarnemingen van onderzoekers bleek dat complexe opdrachten met gemak door chimpansees uitgevoerd konden worden.

6 lijdend, ott

In deze winkel bewaakt men de spullen dag en nacht met camera’s.

7 lijdend, vvt

Helaas had de leverancier vorig jaar niet alle schoolboeken op tijd bezorgd.

8 bedrijvend, vtt

Een paar dagen geleden zijn door die zanger twee nieuwe liedjes tegelijk uitgebracht.

Opdracht 6

1 Zin a staat in de lijdende vorm, zin b in de bedrijvende vorm.

2 a De patiënt = ond

wordt onderzocht = wwg

door de arts = bwb

b De arts = ond

onderzoekt = wwg

de patiënt = lv

– Het onderwerp van zin a De patiënt is in zin b het lijdend voorwerp.

– De bijwoordelijke bepaling die in zin a begint met door is in zin b het onderwerp.

– De persoonsvorm wordt uit zin a staat niet in zin b en het voltooid deelwoord onderzocht is in

zin b veranderd in de persoonsvorm onderzoekt.

3 a Zin a staat in de onvoltooide tijd. Het onderzoek vindt nog plaats.

b Voltooide tijd: De patiënt is door de arts onderzocht.

4 De bedrijvende vorm, want die is vaak makkelijker te lezen en te begrijpen.

Opdracht 7

1 lijdende vorm, ovt

Na afloop van de race bestormde de pers de autocoureur.

2 bedrijvend, vvt

Een belangrijke fout in het computerprogramma was door de ingenieur over het hoofd gezien.

3 lijdend, vtt

Hebben de verhuizers alle spullen al in de gereedstaande vrachtwagen geladen?

4 bedrijvend, ott

Verschillende groenten worden door de vader van Julian in een kas in de achtertuin gekweekt.

5 bedrijvend, ovt

Uit waarnemingen van onderzoekers bleek dat complexe opdrachten met gemak door chimpansees uitgevoerd konden worden.

6 lijdend, ott

In deze winkel bewaakt men de spullen dag en nacht met camera’s.

7 lijdend, vvt

Helaas had de leverancier vorig jaar niet alle schoolboeken op tijd bezorgd.

8 bedrijvend, vtt

Een paar dagen geleden zijn door die zanger twee nieuwe liedjes tegelijk uitgebracht.

Opdracht 8

1 a schattige = bijvoeglijk naamwoord

b perfect = bijwoord

2 a nee

b Aan is geen voorzetsel, want het staat niet aan het begin van een zinsdeel en het hoort bij stuurt: aansturen.

3 a wat = betrekkelijk voornaamwoord

b wat = vragend voornaamwoord

c wat = onbepaald voornaamwoord

4 zin 1a: is = kww

zin 3b: is = hww, bekendgemaakt = zww, kan = zww

5-6 Eigen werk.

Opdracht 9

1 een = lw

2 kwam = hww

3 nadat = ondersch. vw

4 via = vz

5 die = betr. vnw

6 veiligheid = znw

7 Hij = pers. vnw

8 is = kww

9 los = bw

10 overige = bnw

11 zijn = bez. vnw

12 iedereen = onb. vnw

13 beklimmen = znw

14 illegaal = bnw

15 dat = ondersch. vw

16 zich = wederkerend vnw

17 deze = aanw. vnw

18 ook = bw

19 want = nevensch. vw

20 zei = zww

4 Ons = mv

is beloofd = wwg

voor de herkansing van de rekentoets = bwb

van de rekentoets = bvb bij ‘herkansing’

een stiltelokaal = ond

5 Op de actiedag voor Haïti = bwb

voor Haïti = bvb bij ‘actiedag’

zijn verkocht = wwg

zelfgemaakte schilderijtjes van leerlingen = ond

zelfgemaakte = bvb bij ‘schilderijtjes’

van leerlingen = bvb bij ‘schilderijtjes’

aan ouders en leraren = mv

6 Die pas geopende kledingwinkel = ond

pas geopende = bvb bij ‘kledingwinkel’

schijnt failliet te zijn = nwg

nu = bwb

alweer = bwb

Opdracht 2

1 Waren in zin 2 is een persoonsvorm. Zijn in zin 6 is een infinitief.

2 Eigen antwoord, bijvoorbeeld:

We moeten op tijd zijn, anders zijn we er geweest.

3 Je ziet het verschil door de zin in een andere tijd te zetten (de tijdproef). Dan verandert de persoonsvorm/veranderen de persoonsvormen. In de voorbeeldzin bij vraag 2 wordt de zin dan:

‘We moesten op tijd zijn, anders waren we er geweest.’

Bij zijn als infinitief staat er altijd een ander werkwoord in de zin dat de persoonsvorm is.

Opdracht 3

1 Het bouwplan van voorbereiden bestaat uit drie delen.

Iemand | bereidt | iets | voor. (‘Bereidt’ en ‘voor’ horen bij elkaar.)

2 Het bouwplan van toestaan bestaat uit vier delen.

Iemand | staat | iets | toe | aan iemand. (‘Staat’ en ‘toe’ horen bij elkaar.)

3 a Deze uitspraak is goed.

b Aandoen heeft meerdere betekenissen. Bij de betekenissen ‘aantrekken’ (kleding aandoen) en ‘aansteken’ (het licht aandoen) heeft het bouwplan drie delen: iemand doet iets aan.

Bij de betekenis ‘veroorzaken’ heeft het bouwplan vier delen: iemand doet iemand anders iets aan. Bijvoorbeeld: Benjamin heeft Carlijn veel verdriet aangedaan.

Opdracht 4

1-3 a Joodse gevangenen in Litouwen groeven een tunnel / ze konden ontsnappen aan de nazi’s zodat = onderschikkend voegwoord.

b Joodse gevangenen in Litouwen groeven een tunnel / ze konden ontsnappen aan de nazi’s waardoor = bijwoord.

c Joodse gevangenen in Litouwen groeven een tunnel / ze konden ontsnappen aan de nazi’s en = nevenschikkend voegwoord.

4 zin c

5 Je kunt het onderwerp en de persoonsvorm in een nevengeschikte zin (twee hoofdzinnen) niet van elkaar scheiden door er een zinsdeel tussen te plaatsen. Kijk maar naar […] in de volgende zinnen:

– Joodse gevangenen in Litouwen […] groeven een tunnel.

– Ze […] konden ontsnappen aan de nazi’s.

Dat kan in de bijzinnen van zin a en b wel.

Opdracht 5

1 De repetitie van het koor ging niet door = hoofdzin

veel mensen zich hadden afgemeld = bijzin

omdat = onderschikkend voegwoord

2 Ga je vanmiddag mee naar de stad = hoofdzin

heb je al andere plannen = hoofdzin

of = nevenschikkend voegwoord

3 Jill heeft net een nieuwe telefoon = hoofdzin

hij is nu al kapot = hoofdzin

ze hem heeft laten vallen = bijzin

maar = nevenschikkend voegwoord

doordat = onderschikkend voegwoord

4 Weet jij = hoofdzin

je het naamwoordelijk gezegde van een zin kunt vinden = bijzin

hoe = ander verbindingswoord, namelijk bijwoord

5 haar moeder jarig was = bijzin

verraste Deborah haar met een dagje uit = hoofdzin

Toen = onderschikkend voegwoord

6 Onze klas heeft vandaag een tussenuur = hoofdzin

de docent Latijn op werkweek is = bijzin

het laatste uur valt ook nog uit = hoofdzin

omdat = onderschikkend voegwoord

en = nevenschikkend voegwoord

7 het zo veel heeft geregend = bijzin

staat het water in de rivieren heel hoog = hoofdzin

Doordat = onderschikkend voegwoord

8 Op de luchthaven van München vond de politie een koffer met 40.000 euro = hoofdzin

vergeten was door een 78-jarige Duitser = bijzin

die = ander verbindingswoord, namelijk betrekkelijk voornaamwoord

9 Wij hebben geen muziekles = hoofdzin

er een vervanger is gevonden voor de zieke docente = bijzin

totdat = onderschikkend voegwoord

10 Ik weet niet = hoofdzin

ik het zo leuk had gevonden = bijzin

mijn ouders mij hadden weggebracht naar dat kamp = bijzin

of = onderschikkend voegwoord

als = onderschikkend voegwoord

Opdracht 6

1 Zin a staat in de lijdende vorm, zin b in de bedrijvende vorm.

2 a De patiënt = ond

wordt onderzocht = wwg

door de arts = bwb

b De arts = ond

onderzoekt = wwg

de patiënt = lv

– Het onderwerp van zin a De patiënt is in zin b het lijdend voorwerp.

– De bijwoordelijke bepaling die in zin a begint met door is in zin b het onderwerp.

– De persoonsvorm wordt uit zin a staat niet in zin b en het voltooid deelwoord onderzocht is in

zin b veranderd in de persoonsvorm onderzoekt.

3 a Zin a staat in de onvoltooide tijd. Het onderzoek vindt nog plaats.

b Voltooide tijd: De patiënt is door de arts onderzocht.

4 De bedrijvende vorm, want die is vaak makkelijker te lezen en te begrijpen.

Opdracht 7

1 lijdende vorm, ovt

Na afloop van de race bestormde de pers de autocoureur.

2 bedrijvend, vvt

Een belangrijke fout in het computerprogramma was door de ingenieur over het hoofd gezien.

3 lijdend, vtt

Hebben de verhuizers alle spullen al in de gereedstaande vrachtwagen geladen?

4 bedrijvend, ott

Verschillende groenten worden door de vader van Julian in een kas in de achtertuin gekweekt.

5 bedrijvend, ovt

Uit waarnemingen van onderzoekers bleek dat complexe opdrachten met gemak door chimpansees uitgevoerd konden worden.

6 lijdend, ott

1 Volgens meteorologen = bwb

bedreigt = wwg

een zeer zware storm = ond

zeer zware = bvb bij ‘storm’

de oostkust van de Verenigde Staten = lv

van de Verenigde Staten = bvb bij ‘oostkust’

2 Vorig weekend = bwb

waren = wwg

wij = ond

op bezoek = bwb

bij familie = bwb

in Winsum, ten noorden van Groningen = bwb

ten noorden van Groningen = bvb bij ‘Winsum’

3 Freek Vonk, de bekende tv-presentator = ond

de bekende tv-presentator = bijstelling

is dol = nwg

net als ik = bwb

op wilde dieren = vzv

wilde = bvb bij ‘dieren’

4 Ons = mv

is beloofd = wwg

voor de herkansing van de rekentoets = bwb

van de rekentoets = bvb bij ‘herkansing’

een stiltelokaal = ond

5 Op de actiedag voor Haïti = bwb

voor Haïti = bvb bij ‘actiedag’

zijn verkocht = wwg

zelfgemaakte schilderijtjes van leerlingen = ond

zelfgemaakte = bvb bij ‘schilderijtjes’

van leerlingen = bvb bij ‘schilderijtjes’

aan ouders en leraren = mv

6 Die pas geopende kledingwinkel = ond

pas geopende = bvb bij ‘kledingwinkel’

schijnt failliet te zijn = nwg

nu = bwb

alweer = bwb

Opdracht 6

1 a Eigen antwoord, bijvoorbeeld:

– Het lijkt wel of de hitte van de stad zich op mijn zolder verzamelt. (regel 16-17)

– Hij klinkt als zo’n nieuwslezer uit de vorige eeuw. (regel 115)

– ‘Ja, om negen uur gaan we van start met Stress en Gezondheid.’

‘Klinkt als een vertaalde Engelse roman. Psychologie?’ (regel 140-141)

– Het is alsof ze ruziemaken zonder boos te worden. (regel 193-194)

– Bovendien heeft hij kleine zwarte krulletjes die glimmen alsof hij ze met olijfolie heeft ingesmeerd. (regel 76-77)

b Eigen antwoord, bijvoorbeeld:

– Ik zou het midden van mainstream kunnen zijn. Een grijze muis. (regel 6-7)

– Hij lijkt zo weggelopen uit een boek van Sherlock Holmes met zijn bruine ribbroek en geruite colbert. (regel 104-105)

– Ze doen me aan Bert en Ernie denken. (regel 175-176)

2 Eigen werk, bijvoorbeeld:

– Het voelen van enorm veel hitte in de kamer wordt vergeleken met het verzamelen van een grote hoeveelheid van iets op een plaats.

– De stem van Scrabble wordt vergeleken met de stem van een ouderwetse nieuwslezer.

– De naam van een vak wordt vergeleken met de titel van een Engelse roman.

– Het voeren van een discussie wordt vergeleken met ruziemaken.

– Glimmende haren worden vergeleken met iets wat glimt doordat het is ingesmeerd met olijfolie.

– Een persoon die door een onopvallend uiterlijk niet opvalt tussen andere mensen wordt vergeleken met een grijze muis die niet opvalt tussen andere grijze muizen.

– Het uiterlijk van Scrabble wordt vergeleken met dat van Sherlock Holmes.

– De kleine Scrabble en de lange, magere Mi-Lan worden vergeleken met Bert en Ernie.

3 a metafoor

b vergelijking zonder als

c personificatie

d metafoor

e metonymia

f personificatie

g vergelijking met als

Credits:

Created with images by John Schnobrich - "together now" • Wetsun - "Stop" • Luis Alvarez Marra - "Stop" • Orxan Musayev - "STOP!" • PollyDot - "ladybird group seven-spot ladybird coccinella septempunctata beetle" • Nietjuh - "still life paper no person" • stuartlchambers - "Big Sur-30" • infopaul70 - "gate to haven" • AMagill - "My bike" • jplenio - "nature waters lake" • jtbradford - "Mountain Bike 01" • Gadini - "cork wine stopper cork stoppers cork cork" • bradleygee - "Stop Sign" • MikeSpeaks - "Stop" • pasja1000 - "birds pink flaming" • GREG KANTRA - "I Miss California" • pasja1000 - "birds pink flaming" • Capri23auto - "chicken hen poultry" • Kevin Schmid - "Excited about life" • silviarita - "smoothies fruits colorful" • SyN+H - "winter grass" • Myriams-Fotos - "hatching chicks egg shell break bill" • Lun Liu - "Gold central" • jplenio - "nature waters lake"

Report Abuse

If you feel that this video content violates the Adobe Terms of Use, you may report this content by filling out this quick form.

To report a Copyright Violation, please follow Section 17 in the Terms of Use.