Loading

Op Niveau antwoorden VWO

Opdracht 3

1 a bood

b giletje

c hectisch

d Belijd

e gedeisd

f lokaliseren

g lijdzaam

h roze

i cactus

j retourtje

2 a, d

Opdracht 4

Eigen werk, bijvoorbeeld:

1 a – De schilder luisterde op zijn steiger naar de Hollandse hits uit zijn radiootje.

– De snelste stijger van deze week is het laatste nummer van de overleden zanger.

b – Korstjes krab ik meestal gedachteloos los.

– Langs de kust zag ik een grote krab lopen.

– Mijn broek is nu echt te krap geworden.

c – Mijn beste vriend eet champignons het liefst rauw.

– De overheid heeft na de ramp een periode van rouw aangekondigd.

d – Als je naar dat feest wilt, kun je maar beter vast beginnen met vleien.

– In de meubelzaak vlijen mijn broers zich neer op de grootste bank die er staat.

e – De uitspraak van de acteur in de media was helaas nogal boud.

– Met de bout en de moer kun je de deur heel precies afstellen.

2 Eigen uitwerking.

_______

Opdracht 1

Woordenlijst voor Wrts

1 capsule = cabine voor bemanning van een raket

2 conferentie = bijeenkomst, vergadering

3 formatie = gevormde groep (gesteenten)

4 gegadigde = belangstellende

5 geologie = wetenschap van de geschiedenis van de aarde

6 leverancier = iemand die iets levert

7 pionier = iemand die iets als eerste doet

8 slinken = kleiner worden

9 voorbehouden zijn aan = alleen bestemd zijn voor

10 voortraject = handelingen voorafgaand aan een gebeurtenis

Opdracht 2

1 a extreme opvattingen krijgen

b advies inwinnen

c uitdagen

d vrijmaken

e gebruiken

f een alleenrecht instellen

g stelselmatig lastigvallen

h naar een hogere klasse gaan

2 Eigen uitwerking, bijvoorbeeld:

a Open gesprekken in de klas kunnen radicalisering van jongeren voorkomen.

De hoogleraar heeft een nieuwe aanpak tegen radicalisme ontwikkeld.

b Het eerste consult bij de studiekeuzeadviseur is gratis.

De gemeenteraad legt het plan voor het nieuwe winkelcentrum ter consultatie voor aan de inwoners.

c De kalme doelman beantwoordde de provocatie van de aanvaller met een glimlach.

Die schrijver is een provocateur die vooral uit is op effectbejag.

d Veel mensen vinden dat de liberalisering van de postmarkt niet goed heeft uitgepakt.

Als een echte liberaal verzet de politicus zich tegen de voorgestelde belastingverhoging.

e De laatste jaren neemt de consumptie van duurzame producten toe.

Consumenten zijn bereid veel privacy in te leveren voor een beetje korting.

f De luchtvaartmaatschappij heeft een monopolie op vluchten naar het kleine eiland.

Uitgevers vrezen dat de grote online boekwinkel zich als een monopolist zal gaan gedragen.

g De stiefmoeder had behoorlijk te lijden onder de terreur van de puberdochter.

De man die van terrorisme wordt verdacht, mag het land niet verlaten.

h Bij promotie zal het team volgend jaar op een veel hoger niveau moeten spelen.

Na zijn universitaire studie ging Roy als promovendus verder in het onderzoek.

Opdracht 12

1 bijwoord: – voornaamwoordelijk bijwoord: waarmee

2 bijwoord: morgen voornaamwoordelijk bijwoord: daar…aan

3 bijwoord: ditmaal, niet, lang voornaamwoordelijk bijwoord: er…over

4 bijwoord: Gisteren, uitgebreid voornaamwoordelijk bijwoord: daar…over

5 bijwoord: wel, nooit voornaamwoordelijk bijwoord: daaraan

6 bijwoord: alweer voornaamwoordelijk bijwoord: er...aan

7 bijwoord: uiteindelijk voornaamwoordelijk bijwoord: daar…van

8 bijwoord: vanmorgen, toevallig voornaamwoordelijk bijwoord: er…langs

Opdracht 13

1 dat = betr. vnw; antecedent = Het meisje

2 Wat = betr. vnw m.i.a.

3 alles = onb. vnw, wat = betr. vnw; antecedent = alles

4 wat = vr. vnw

5 die = betr. vnw; antecedent = De natuurfoto’s, deze = aanw. vnw

6 Wie = betr. vnw m.i.a., dit = aanw. vnw

7 Wie = vr. vnw, dit = aanw. vnw

8 Wat = betr. vnw m.i.a., dat = aanw. vnw, wat = onb. vnw

9 dat = aanw. vnw, wat = betr. vnw; antecedent = het lekkerste

10 Wie = betr. vnw m.i.a., die = aanw. vnw

1 Spelling

Opdracht 1

1 a verergerd, verbeterd

b bewaart

c gefinisht, knarste

d beschouwt, belandden

e Verbiedt, ingeschreven

f verandert, verbaasd

g wachtte, gedoofd

h bespaard, richtte

i meldde, georganiseerd

j begrensd, interesseert

2 Eigen uitwerking.

Opdracht 2

1 verergeren, verbeteren, bewaren, beschouwen, veranderen, verbazen, besparen, begrenzen

2 Eigen uitwerking, bijvoorbeeld:

– De buurman is bang dat het ongemak eerst verergert (pv) voordat de situatie verbetert (pv).

– Ik heb alle kerstkaarten van vorig jaar bewaard (vdw).

– The Beatles worden door veel mensen beschouwd (vdw) als de grondleggers van de popmuziek.

– Het menu in de schoolkantine is al jaren niet meer veranderd (vdw).

– Het verbaast (pv) me niet dat er zo weinig mensen zijn.

– Met deze handige tips bespaart (pv) u veel energie.

– De gemeente begrenst (pv) het aantal studentenhuizen in deze populaire wijk.

Opdracht 3

1 a bood

b giletje

c hectisch

d Belijd

e gedeisd

f lokaliseren

g lijdzaam

h roze

i cactus

j retourtje

2 a, d

Opdracht 4

Eigen werk, bijvoorbeeld:

1 a – De schilder luisterde op zijn steiger naar de Hollandse hits uit zijn radiootje.

– De snelste stijger van deze week is het laatste nummer van de overleden zanger.

b – Korstjes krab ik meestal gedachteloos los.

– Langs de kust zag ik een grote krab lopen.

– Mijn broek is nu echt te krap geworden.

c – Mijn beste vriend eet champignons het liefst rauw.

– De overheid heeft na de ramp een periode van rouw aangekondigd.

d – Als je naar dat feest wilt, kun je maar beter vast beginnen met vleien.

– In de meubelzaak vlijen mijn broers zich neer op de grootste bank die er staat.

e – De uitspraak van de acteur in de media was helaas nogal boud.

– Met de bout en de moer kun je de deur heel precies afstellen.

2 Eigen uitwerking.

Opdracht 13

1 dat = betr. vnw; antecedent = Het meisje

2 Wat = betr. vnw m.i.a.

3 alles = onb. vnw, wat = betr. vnw; antecedent = alles

4 wat = vr. vnw

5 die = betr. vnw; antecedent = De natuurfoto’s, deze = aanw. vnw

6 Wie = betr. vnw m.i.a., dit = aanw. vnw

7 Wie = vr. vnw, dit = aanw. vnw

8 Wat = betr. vnw m.i.a., dat = aanw. vnw, wat = onb. vnw

9 dat = aanw. vnw, wat = betr. vnw; antecedent = het lekkerste

10 Wie = betr. vnw m.i.a., die = aanw. vnw

P1 week 37

P2

P3

W5

W7

W10

Opdracht 8

1 a schattige = bijvoeglijk naamwoord

b perfect = bijwoord

2 a nee

b Aan is geen voorzetsel, want het staat niet aan het begin van een zinsdeel en het hoort bij stuurt: aansturen.

3 a wat = betrekkelijk voornaamwoord

b wat = vragend voornaamwoord

c wat = onbepaald voornaamwoord

4 zin 1a: is = kww

zin 3b: is = hww, bekendgemaakt = zww, kan = zww

5-6 Eigen werk.

Opdracht 9

1 een = lw

2 kwam = hww

3 nadat = ondersch. vw

4 via = vz

5 die = betr. vnw

6 veiligheid = znw

7 Hij = pers. vnw

8 is = kww

9 los = bw

10 overige = bnw

11 zijn = bez. vnw

12 iedereen = onb. vnw

13 beklimmen = znw

14 illegaal = bnw

15 dat = ondersch. vw

16 zich = wederkerend vnw

17 deze = aanw. vnw

18 ook = bw

19 want = nevensch. vw

20 zei = zww

Opdracht 10

1 De vetgedrukte woorden bestaan uit twee delen.

2 Het eerste deel van elk woord is een bijwoord.

3 Het tweede deel van elk woord is een voorzetsel.

Opdracht 11

1 a daar…over

b Daar…aan

c ermee

d waarover

2 Eigen zinnen, bijvoorbeeld:

a Mijn ouders zijn erg tevreden over hem.

b Aan haar heb ik helemaal niet gedacht.

c Is hij met hen naar de rector gegaan?

d Heb jij gehoord over wie Dante en Maarten het hadden?

Opdracht 12

1 bijwoord: – voornaamwoordelijk bijwoord: waarmee

2 bijwoord: morgen voornaamwoordelijk bijwoord: daar…aan

3 bijwoord: ditmaal, niet, lang voornaamwoordelijk bijwoord: er…over

4 bijwoord: Gisteren, uitgebreid voornaamwoordelijk bijwoord: daar…over

5 bijwoord: wel, nooit voornaamwoordelijk bijwoord: daaraan

6 bijwoord: alweer voornaamwoordelijk bijwoord: er...aan

7 bijwoord: uiteindelijk voornaamwoordelijk bijwoord: daar…van

8 bijwoord: vanmorgen, toevallig voornaamwoordelijk bijwoord: er…langs

Opdracht 10

1 De vetgedrukte woorden bestaan uit twee delen.

2 Het eerste deel van elk woord is een bijwoord.

3 Het tweede deel van elk woord is een voorzetsel.

Opdracht 11

1 a daar…over

b Daar…aan

c ermee

d waarover

2 Eigen zinnen, bijvoorbeeld:

a Mijn ouders zijn erg tevreden over hem.

b Aan haar heb ik helemaal niet gedacht.

c Is hij met hen naar de rector gegaan?

d Heb jij gehoord over wie Dante en Maarten het hadden?

Opdracht 12

1 bijwoord: – voornaamwoordelijk bijwoord: waarmee

2 bijwoord: morgen voornaamwoordelijk bijwoord: daar…aan

3 bijwoord: ditmaal, niet, lang voornaamwoordelijk bijwoord: er…over

4 bijwoord: Gisteren, uitgebreid voornaamwoordelijk bijwoord: daar…over

5 bijwoord: wel, nooit voornaamwoordelijk bijwoord: daaraan

6 bijwoord: alweer voornaamwoordelijk bijwoord: er...aan

7 bijwoord: uiteindelijk voornaamwoordelijk bijwoord: daar…van

8 bijwoord: vanmorgen, toevallig voornaamwoordelijk bijwoord: er…langs

Opdracht 4

1-3 a Joodse gevangenen in Litouwen groeven een tunnel / ze konden ontsnappen aan de nazi’s

zodat = onderschikkend voegwoord.

b Joodse gevangenen in Litouwen groeven een tunnel / ze konden ontsnappen aan de nazi’s waardoor = bijwoord.

c Joodse gevangenen in Litouwen groeven een tunnel / ze konden ontsnappen aan de nazi’s en = nevenschikkend voegwoord.

4 zin c

5 Je kunt het onderwerp en de persoonsvorm in een nevengeschikte zin (twee hoofdzinnen) niet van elkaar scheiden door er een zinsdeel tussen te plaatsen. Kijk maar naar […] in de volgende zinnen:

– Joodse gevangenen in Litouwen […] groeven een tunnel.

– Ze […] konden ontsnappen aan de nazi’s.

Dat kan in de bijzinnen van zin a en b wel.

Opdracht 5

1 De repetitie van het koor ging niet door = hoofdzin

veel mensen zich hadden afgemeld = bijzin

omdat = onderschikkend voegwoord

2 Ga je vanmiddag mee naar de stad = hoofdzin

heb je al andere plannen = hoofdzin

of = nevenschikkend voegwoord

3 Jill heeft net een nieuwe telefoon = hoofdzin

hij is nu al kapot = hoofdzin

ze hem heeft laten vallen = bijzin

maar = nevenschikkend voegwoord

doordat = onderschikkend voegwoord

4 Weet jij = hoofdzin

je het naamwoordelijk gezegde van een zin kunt vinden = bijzin

hoe = ander verbindingswoord, namelijk bijwoord

5 haar moeder jarig was = bijzin

verraste Deborah haar met een dagje uit = hoofdzin

Toen = onderschikkend voegwoord

6 Onze klas heeft vandaag een tussenuur = hoofdzin

de docent Latijn op werkweek is = bijzin

het laatste uur valt ook nog uit = hoofdzin

omdat = onderschikkend voegwoord

en = nevenschikkend voegwoord

7 het zo veel heeft geregend = bijzin

staat het water in de rivieren heel hoog = hoofdzin

Doordat = onderschikkend voegwoord

8 Op de luchthaven van München vond de politie een koffer met 40.000 euro = hoofdzin

vergeten was door een 78-jarige Duitser = bijzin

die = ander verbindingswoord, namelijk betrekkelijk voornaamwoord

9 Wij hebben geen muziekles = hoofdzin

er een vervanger is gevonden voor de zieke docente = bijzin

totdat = onderschikkend voegwoord

10 Ik weet niet = hoofdzin

ik het zo leuk had gevonden = bijzin

mijn ouders mij hadden weggebracht naar dat kamp = bijzin

of = onderschikkend voegwoord

als = onderschikkend voegwoord

Piet (onderwerp) slaat de hond (lijdend voorwerp). = onderwerp voert de handeling uit = bedrijvende zin

De hond (onderwerp) wordt door Piet (bwb) geslagen. = lijdende zin

Opdracht 6

1 Zin a staat in de lijdende vorm, zin b in de bedrijvende vorm.

2 a De patiënt = ond

wordt onderzocht = wwg

door de arts = bwb

b De arts = ond

onderzoekt = wwg

de patiënt = lv

– Het onderwerp van zin a De patiënt is in zin b het lijdend voorwerp.

– De bijwoordelijke bepaling die in zin a begint met door is in zin b het onderwerp.

– De persoonsvorm wordt uit zin a staat niet in zin b en het voltooid deelwoord onderzocht is in

zin b veranderd in de persoonsvorm onderzoekt.

3 a Zin a staat in de onvoltooide tijd. Het onderzoek vindt nog plaats.

b Voltooide tijd: De patiënt is door de arts onderzocht.

4 De bedrijvende vorm, want die is vaak makkelijker te lezen en te begrijpen.

Opdracht 7

1 lijdende vorm, ovt

Na afloop van de race bestormde de pers de autocoureur.

2 bedrijvend, vvt

Een belangrijke fout in het computerprogramma was door de ingenieur over het hoofd gezien.

3 lijdend, vtt

Hebben de verhuizers alle spullen al in de gereedstaande vrachtwagen geladen?

4 bedrijvend, ott

Verschillende groenten worden door de vader van Julian in een kas in de achtertuin gekweekt.

5 bedrijvend, ovt

Uit waarnemingen van onderzoekers bleek dat complexe opdrachten met gemak door chimpansees uitgevoerd konden worden.

6 lijdend, ott

In deze winkel bewaakt men de spullen dag en nacht met camera’s.

7 lijdend, vvt

Helaas had de leverancier vorig jaar niet alle schoolboeken op tijd bezorgd.

8 bedrijvend, vtt

Een paar dagen geleden zijn door die zanger twee nieuwe liedjes tegelijk uitgebracht.

Opdracht 6

1 Zin a staat in de lijdende vorm, zin b in de bedrijvende vorm.

2 a De patiënt = ond

wordt onderzocht = wwg

door de arts = bwb

b De arts = ond

onderzoekt = wwg

de patiënt = lv

– Het onderwerp van zin a De patiënt is in zin b het lijdend voorwerp.

– De bijwoordelijke bepaling die in zin a begint met door is in zin b het onderwerp.

– De persoonsvorm wordt uit zin a staat niet in zin b en het voltooid deelwoord onderzocht is in

zin b veranderd in de persoonsvorm onderzoekt.

3 a Zin a staat in de onvoltooide tijd. Het onderzoek vindt nog plaats.

b Voltooide tijd: De patiënt is door de arts onderzocht.

4 De bedrijvende vorm, want die is vaak makkelijker te lezen en te begrijpen.

Opdracht 7

1 lijdende vorm, ovt

Na afloop van de race bestormde de pers de autocoureur.

2 bedrijvend, vvt

Een belangrijke fout in het computerprogramma was door de ingenieur over het hoofd gezien.

3 lijdend, vtt

Hebben de verhuizers alle spullen al in de gereedstaande vrachtwagen geladen?

4 bedrijvend, ott

Verschillende groenten worden door de vader van Julian in een kas in de achtertuin gekweekt.

5 bedrijvend, ovt

Uit waarnemingen van onderzoekers bleek dat complexe opdrachten met gemak door chimpansees uitgevoerd konden worden.

6 lijdend, ott

In deze winkel bewaakt men de spullen dag en nacht met camera’s.

7 lijdend, vvt

Helaas had de leverancier vorig jaar niet alle schoolboeken op tijd bezorgd.

8 bedrijvend, vtt

Een paar dagen geleden zijn door die zanger twee nieuwe liedjes tegelijk uitgebracht.

Opdracht 8

1 a schattige = bijvoeglijk naamwoord

b perfect = bijwoord

2 a nee

b Aan is geen voorzetsel, want het staat niet aan het begin van een zinsdeel en het hoort bij stuurt: aansturen.

3 a wat = betrekkelijk voornaamwoord

b wat = vragend voornaamwoord

c wat = onbepaald voornaamwoord

4 zin 1a: is = kww

zin 3b: is = hww, bekendgemaakt = zww, kan = zww

5-6 Eigen werk.

Opdracht 9

1 een = lw

2 kwam = hww

3 nadat = ondersch. vw

4 via = vz

5 die = betr. vnw

6 veiligheid = znw

7 Hij = pers. vnw

8 is = kww

9 los = bw

10 overige = bnw

11 zijn = bez. vnw

12 iedereen = onb. vnw

13 beklimmen = znw

14 illegaal = bnw

15 dat = ondersch. vw

16 zich = wederkerend vnw

17 deze = aanw. vnw

18 ook = bw

19 want = nevensch. vw

20 zei = zww

4 Ons = mv

is beloofd = wwg

voor de herkansing van de rekentoets = bwb

van de rekentoets = bvb bij ‘herkansing’

een stiltelokaal = ond

5 Op de actiedag voor Haïti = bwb

voor Haïti = bvb bij ‘actiedag’

zijn verkocht = wwg

zelfgemaakte schilderijtjes van leerlingen = ond

zelfgemaakte = bvb bij ‘schilderijtjes’

van leerlingen = bvb bij ‘schilderijtjes’

aan ouders en leraren = mv

6 Die pas geopende kledingwinkel = ond

pas geopende = bvb bij ‘kledingwinkel’

schijnt failliet te zijn = nwg

nu = bwb

alweer = bwb

Opdracht 2

1 Waren in zin 2 is een persoonsvorm. Zijn in zin 6 is een infinitief.

2 Eigen antwoord, bijvoorbeeld:

We moeten op tijd zijn, anders zijn we er geweest.

3 Je ziet het verschil door de zin in een andere tijd te zetten (de tijdproef). Dan verandert de persoonsvorm/veranderen de persoonsvormen. In de voorbeeldzin bij vraag 2 wordt de zin dan:

‘We moesten op tijd zijn, anders waren we er geweest.’

Bij zijn als infinitief staat er altijd een ander werkwoord in de zin dat de persoonsvorm is.

Opdracht 3

1 Het bouwplan van voorbereiden bestaat uit drie delen.

Iemand | bereidt | iets | voor. (‘Bereidt’ en ‘voor’ horen bij elkaar.)

2 Het bouwplan van toestaan bestaat uit vier delen.

Iemand | staat | iets | toe | aan iemand. (‘Staat’ en ‘toe’ horen bij elkaar.)

3 a Deze uitspraak is goed.

b Aandoen heeft meerdere betekenissen. Bij de betekenissen ‘aantrekken’ (kleding aandoen) en ‘aansteken’ (het licht aandoen) heeft het bouwplan drie delen: iemand doet iets aan.

Bij de betekenis ‘veroorzaken’ heeft het bouwplan vier delen: iemand doet iemand anders iets aan. Bijvoorbeeld: Benjamin heeft Carlijn veel verdriet aangedaan.

Opdracht 4

1-3 a Joodse gevangenen in Litouwen groeven een tunnel / ze konden ontsnappen aan de nazi’s zodat = onderschikkend voegwoord.

b Joodse gevangenen in Litouwen groeven een tunnel / ze konden ontsnappen aan de nazi’s waardoor = bijwoord.

c Joodse gevangenen in Litouwen groeven een tunnel / ze konden ontsnappen aan de nazi’s en = nevenschikkend voegwoord.

4 zin c

5 Je kunt het onderwerp en de persoonsvorm in een nevengeschikte zin (twee hoofdzinnen) niet van elkaar scheiden door er een zinsdeel tussen te plaatsen. Kijk maar naar […] in de volgende zinnen:

– Joodse gevangenen in Litouwen […] groeven een tunnel.

– Ze […] konden ontsnappen aan de nazi’s.

Dat kan in de bijzinnen van zin a en b wel.

Opdracht 5

1 De repetitie van het koor ging niet door = hoofdzin

veel mensen zich hadden afgemeld = bijzin

omdat = onderschikkend voegwoord

2 Ga je vanmiddag mee naar de stad = hoofdzin

heb je al andere plannen = hoofdzin

of = nevenschikkend voegwoord

3 Jill heeft net een nieuwe telefoon = hoofdzin

hij is nu al kapot = hoofdzin

ze hem heeft laten vallen = bijzin

maar = nevenschikkend voegwoord

doordat = onderschikkend voegwoord

4 Weet jij = hoofdzin

je het naamwoordelijk gezegde van een zin kunt vinden = bijzin

hoe = ander verbindingswoord, namelijk bijwoord

5 haar moeder jarig was = bijzin

verraste Deborah haar met een dagje uit = hoofdzin

Toen = onderschikkend voegwoord

6 Onze klas heeft vandaag een tussenuur = hoofdzin

de docent Latijn op werkweek is = bijzin

het laatste uur valt ook nog uit = hoofdzin

omdat = onderschikkend voegwoord

en = nevenschikkend voegwoord

7 het zo veel heeft geregend = bijzin

staat het water in de rivieren heel hoog = hoofdzin

Doordat = onderschikkend voegwoord

8 Op de luchthaven van München vond de politie een koffer met 40.000 euro = hoofdzin

vergeten was door een 78-jarige Duitser = bijzin

die = ander verbindingswoord, namelijk betrekkelijk voornaamwoord

9 Wij hebben geen muziekles = hoofdzin

er een vervanger is gevonden voor de zieke docente = bijzin

totdat = onderschikkend voegwoord

10 Ik weet niet = hoofdzin

ik het zo leuk had gevonden = bijzin

mijn ouders mij hadden weggebracht naar dat kamp = bijzin

of = onderschikkend voegwoord

als = onderschikkend voegwoord

Opdracht 6

1 Zin a staat in de lijdende vorm, zin b in de bedrijvende vorm.

2 a De patiënt = ond

wordt onderzocht = wwg

door de arts = bwb

b De arts = ond

onderzoekt = wwg

de patiënt = lv

– Het onderwerp van zin a De patiënt is in zin b het lijdend voorwerp.

– De bijwoordelijke bepaling die in zin a begint met door is in zin b het onderwerp.

– De persoonsvorm wordt uit zin a staat niet in zin b en het voltooid deelwoord onderzocht is in

zin b veranderd in de persoonsvorm onderzoekt.

3 a Zin a staat in de onvoltooide tijd. Het onderzoek vindt nog plaats.

b Voltooide tijd: De patiënt is door de arts onderzocht.

4 De bedrijvende vorm, want die is vaak makkelijker te lezen en te begrijpen.

Opdracht 7

1 lijdende vorm, ovt

Na afloop van de race bestormde de pers de autocoureur.

2 bedrijvend, vvt

Een belangrijke fout in het computerprogramma was door de ingenieur over het hoofd gezien.

3 lijdend, vtt

Hebben de verhuizers alle spullen al in de gereedstaande vrachtwagen geladen?

4 bedrijvend, ott

Verschillende groenten worden door de vader van Julian in een kas in de achtertuin gekweekt.

5 bedrijvend, ovt

Uit waarnemingen van onderzoekers bleek dat complexe opdrachten met gemak door chimpansees uitgevoerd konden worden.

6 lijdend, ott

1 Volgens meteorologen = bwb

bedreigt = wwg

een zeer zware storm = ond

zeer zware = bvb bij ‘storm’

de oostkust van de Verenigde Staten = lv

van de Verenigde Staten = bvb bij ‘oostkust’

2 Vorig weekend = bwb

waren = wwg

wij = ond

op bezoek = bwb

bij familie = bwb

in Winsum, ten noorden van Groningen = bwb

ten noorden van Groningen = bvb bij ‘Winsum’

3 Freek Vonk, de bekende tv-presentator = ond

de bekende tv-presentator = bijstelling

is dol = nwg

net als ik = bwb

op wilde dieren = vzv

wilde = bvb bij ‘dieren’

4 Ons = mv

is beloofd = wwg

voor de herkansing van de rekentoets = bwb

van de rekentoets = bvb bij ‘herkansing’

een stiltelokaal = ond

5 Op de actiedag voor Haïti = bwb

voor Haïti = bvb bij ‘actiedag’

zijn verkocht = wwg

zelfgemaakte schilderijtjes van leerlingen = ond

zelfgemaakte = bvb bij ‘schilderijtjes’

van leerlingen = bvb bij ‘schilderijtjes’

aan ouders en leraren = mv

6 Die pas geopende kledingwinkel = ond

pas geopende = bvb bij ‘kledingwinkel’

schijnt failliet te zijn = nwg

nu = bwb

alweer = bwb

Opdracht 6

1 a Eigen antwoord, bijvoorbeeld:

– Het lijkt wel of de hitte van de stad zich op mijn zolder verzamelt. (regel 16-17)

– Hij klinkt als zo’n nieuwslezer uit de vorige eeuw. (regel 115)

– ‘Ja, om negen uur gaan we van start met Stress en Gezondheid.’

‘Klinkt als een vertaalde Engelse roman. Psychologie?’ (regel 140-141)

– Het is alsof ze ruziemaken zonder boos te worden. (regel 193-194)

– Bovendien heeft hij kleine zwarte krulletjes die glimmen alsof hij ze met olijfolie heeft ingesmeerd. (regel 76-77)

b Eigen antwoord, bijvoorbeeld:

– Ik zou het midden van mainstream kunnen zijn. Een grijze muis. (regel 6-7)

– Hij lijkt zo weggelopen uit een boek van Sherlock Holmes met zijn bruine ribbroek en geruite colbert. (regel 104-105)

– Ze doen me aan Bert en Ernie denken. (regel 175-176)

2 Eigen werk, bijvoorbeeld:

– Het voelen van enorm veel hitte in de kamer wordt vergeleken met het verzamelen van een grote hoeveelheid van iets op een plaats.

– De stem van Scrabble wordt vergeleken met de stem van een ouderwetse nieuwslezer.

– De naam van een vak wordt vergeleken met de titel van een Engelse roman.

– Het voeren van een discussie wordt vergeleken met ruziemaken.

– Glimmende haren worden vergeleken met iets wat glimt doordat het is ingesmeerd met olijfolie.

– Een persoon die door een onopvallend uiterlijk niet opvalt tussen andere mensen wordt vergeleken met een grijze muis die niet opvalt tussen andere grijze muizen.

– Het uiterlijk van Scrabble wordt vergeleken met dat van Sherlock Holmes.

– De kleine Scrabble en de lange, magere Mi-Lan worden vergeleken met Bert en Ernie.

3 a metafoor

b vergelijking zonder als

c personificatie

d metafoor

e metonymia

f personificatie

g vergelijking met als

Credits:

Created with images by John Schnobrich - "together now" • pasja1000 - "birds pink flaming" • GREG KANTRA - "I Miss California" • pasja1000 - "birds pink flaming" • Capri23auto - "chicken hen poultry" • Kevin Schmid - "Excited about life" • silviarita - "smoothies fruits colorful" • SyN+H - "winter grass" • Myriams-Fotos - "hatching chicks egg shell break bill" • Lun Liu - "Gold central" • jplenio - "nature waters lake"

Report Abuse

If you feel that this video content violates the Adobe Terms of Use, you may report this content by filling out this quick form.

To report a Copyright Violation, please follow Section 17 in the Terms of Use.