Loading

Summatieve opdrachten 19/13 25 t/m 29 maart 2019

Gooi het antwoordformulier niet weg!

KIJK WAT JE FOUT HEBT GEDAAN EN BESTUDEER DAT ONDERDEEL!

(Alles wat je niet tijdens de les hebt ingevuld, telt NIET mee!)

Opdracht 1

Persoonsvorm

Wat is de persoonsvorm?

1. Door de storm waaiden de pannen van het dak.

2. Ik sloeg de spijker op de kop.

3. Na de voorstelling bleven we nog even hangen.

4. September was dit jaar erg nat.

5. De leraar heeft het proefwerk nagekeken.

6. Hij zou dat wel even doen.

7. Ajax kan de volgende ronde nog halen.

8. Wennemars vergiste zich dit keer niet.

9. Zou jij dat even voor mij willen doen?

10. De opkomst viel erg mee.

Opdracht 2

Zinsdelen

Uit hoeveel zinsdelen bestaan de zinnen? (Schrijf het getal op!)

1. In het bejaardentehuis worden veel bejaarden door verplegers verzorgd.

2. Is die dure plant goed verzorgd door jou in de vakantie?

3. Is Jan alsnog naar zijn oma gegaan?

4. Mijn vader is vorige week geopereerd.

5. Is hij ook ontslagen bij de politie?

6. Bij de bakker is de dame gisteren geweest.

7. Is zij vorige week onderzocht in het ziekenhuis?

8. De druiventrossen worden geplukt in september.

9. Is vader toch naar zijn werk gegaan?

10. Onze vrienden zijn alweer op vakantie gegaan.

Opdracht 3

Naamwoordelijk gezegde

Wat is het koppelwerkwoord in de volgende zinnen?

1. Pieter is nooit een productieve werknemer geweest.

2. Breien is voor deze mannen heel makkelijk.

3. Na de schietpartij is de supermarkt snel beveiligd..

4. Volgens de minister blijft hulp aan Griekenland noodzakelijk.

5. Mijn broer is nu fan van de Beatles geworden.

6. Met twee linkerhanden word je nooit een goede bouwvakker.

7. Achteraf bleek deze kruiwagen de beste.

8. Tot grote verbazing werd onze collega na de loterijtrekking miljonair.

9. Met die bloemen is onze tuin prachtig dit jaar.

10. Breuken zijn voor deze klas heel moeilijk.

Opdracht 4

Werkwoordelijk gezegde

Wat is het zelfstandige werkwoord in deze zinnen?

1. Leon heeft volgende week zaterdag twee afspraken gemaakt.

2. De bewoners zongen een vrolijk lied.

3. Op de akker heeft de boer de aardappels gerooid.

4. De koks aten een dikke biefstuk.

5. Huilend heeft Erna een brief aan haar vriend geschreven.

6. De aanvallers belaagden het zwakke leger.

7. De postbode bezorgde een groot pakket.

8. In de ochtend heeft jouw docent een onvoldoende aan Lisa gegeven.

9. De hoofdrolspeelster kreeg een staande ovatie.

10. Voor elke dag heeft Rosa de juiste medicijnen ontvangen.

Opdracht 5

Onderwerp

Wat is het onderwerp in deze zinnen?

1. Mijn Spaanse vriend heeft nooit een portie bitterballen gegeten.

2. Iedere dag heeft de bakker zijn broden uitgestald.

3. Eergisteren heeft vader zijn auto verkocht aan een rijke man.

4. Gisteren heeft Thies zijn telefoon verloren in de drukke kroeg.

5. In de slagerij heeft de slager de biefstukken bereid.

6. Op de akker heeft de boer de aardappels gerooid.

7. In Guatamala heeft een orkaan een toeristenhotel verwoest.

8. Na afloop van de verjaardag is Sara naar huis gegaan.

9. Onze lieve zoon is gevlucht naar zijn oude oma.

10. In het bejaardentehuis worden veel bejaarden door verplegers verzorgd.

Opdracht 6

Lijdend voorwerp

Wat is het lijdend voorwerp in onderstaande zinnen?

1. Hoeveel boterhammen heb jij gisteren aan Wim gegeven?

2. Heeft Katrien voor jou ook een wintertrui uitgezocht?

3. Wie heeft de oude tafel uit huis gezet?

4. Heb jij de overhoring taal goed gemaakt?

5. Waarom doet zij de boodschappen niet?

6. Waarom heeft zij wel een mooie jurk gekregen?

7. Hebben de slagers dikke biefstukken verkocht?

8. Hebben de honden hun vacht al schoongelikt?

9. Wie heeft de lelijke plant uit huis gezet?

10. Heeft de bakker de broden al gebakken?

Opdracht 7

Meewerkend voorwerp

Wat is het meewerkend voorwerp in onderstaande zinnen?

1. Mijn oma schonk hem haar tuinmeubelen.

2. Onze ouders betalen een fikse toelage aan Theo.

3. Zij gaven het oude paard aan Dirk.

4. Moeder kocht voor vader een zonnebril.

5. De lieve kat gaf zijn baasje een kopje.

6. Mijn vader leende mij zijn bankpas.

7. Haar vriendin maakt een rode sjaal voor moeder.

8. De kinderen gaven de knuffels aan hun neefjes.

9. De vrolijke bediende serveerde haar klanten een uitsmijter.

10. Johan bracht zijn oude tante een vrolijk boek.

Opdracht 8

Voorzetselvoorwerp

Staat er een voorzetselvoorwerp in deze zinnen? JA of NEE?

1. Ben je boos over die opmerking?

2. De Olympische Spelen van 2016 zullen in Rio worden gehouden.

3. Hij denkt aan zijn vakantieliefde.

4. Hij gaat naar zijn werk.

5. Hij is getrouwd met zijn grote liefde.

6. Hij staat stil bij het stoplicht.

7. Mijn oma hield erg van bieten.

8. Zij hingen aan zijn lippen.

9. Zij kan goed overweg met haar schoonmoeder.

10. Zij wachten op de boot naar Terschelling.

Opdracht 9

Bijwoordelijke bepaling

Hoeveel bijwoordelijke bepalingen staan in deze zinnen?

1. Ik ga met de camper naar Spanje.

2. Met goed weer gaan we altijd in de Waal zwemmen.

3. Vroeger speelden we vaak op straat.

4. De verliezers kregen een leuke verrassing van de voorzitter.

5. In verband met het onderzoek zette de recherche het strand af met hekken.

6. Het Nederlands vrouwenelftal verloor in Helsinki in de laatste minuten van de verlenging de have finale.

7. Volgende week heeft deze supermarkt weer leuke aanbiedingen.

8. Komen jouw ouders morgen ook op de ouderavond?

9.In de buurt van Lelystad ontdekte de politie gisteren bij toeval een wietplantage.

10. Morgen beginnen de lessen weer om half negen.

Opdracht 10

Bijvoeglijke bepaling

Hoeveel bijvoeglijke bepalingen staan in deze zinnen?

1. Twee werknemers van een waardetransportbedrijf zijn vanochtend neergeschoten.

2. Zij kreeg voor haar verjaardag een prachtige, nieuwe laptop.

3. In het vroege voorjaar viel hij op de A2 in slaap achter het stuur.

4. Mevrouw Jansen is een goede rector.

5. Vijftig leerlingen uit 4 havo gaan dit jaar naar Praag.

6. Door het actieve beleid van de brandweer konden branden tijdens de paasdagen worden voorkomen.

7. De nieuwe fiets van mijn opa rijdt verschrikkelijk soepel.

8. De tennisbanen in het centrum van de binnenstad moeten verplaatst worden naar de oostkant van onze stad.

9. De stad ligt in het oosten van de provincie Gelderland.

10. De professor gaf een korte en heldere verklaring voor het verschijnsel.

Opdracht 11

Bijstelling

Met welk woord begint de bijstelling in onderstaande zinnen?

1. Wageningen, de stad waar de Duitsers capituleerden, is ook bekend door de Wageningen Universiteit.

2. Sven, de slimste jongen van de klas, is ook heel goed in schaatsen.

3. Deze Apple, de meest verkochte tablet, ga ik morgen bestellen.

4. De Donau, de op één na langste rivier van Europa, mondt uit in de Zwarte Zee.

5. David Pefko, de auteur van "Het voorseizoen", heeft de Inktaap 2013 gewonnen.

6. Ik heb dat boek online bij Selexyz.nl, die handige webshop, gekocht.

7. Kees van Kooten, de schrijver van het Boekenweekgeschenk van 2013, vindt dat Nederland een begeesterde politicus nodig heeft..

8. Robbie Williams, ex-lid van Take That, heeft een prachtig optreden gegeven.

9. Op de site van Six Flags, het bekende attractiepark, kunnen liefhebbers van alle attracties van het park genieten.

10. Carla, de zus van Marije, heeft gisteren haar rijbewijs gehaald.

Opdracht 12

Werkwoordspelling

Zet de werkwoorden in de o.t.t. tenzij uit de zin blijkt dat het een voltooid deelwoord of een werkwoord in de o.v.t. is.

1. Aan het einde van de negentiende eeuw (ontwerpen) _____ H.H. Collier fietsen die hij, om aan te geven dat ze van zeer hoge kwaliteit waren, de naam 'Matchless' (ongeëvenaard) gaf.

2. In 1904 bouwde AJS al een motorfiets, maar dat bedrijf ging in de jaren '20 failliet. Collier (trachten) _____ het bedrijf te redden en kocht het op.

3. Soldaten hebben, bij wijze van spreken, tijdens de Tweede Wereldoorlog van hot naar her (racen) _____ op de snelle machines.

4. In eerste instantie kocht het Engelse leger motorfietsen van Triumph, maar de Triumph-fabriek werd in 1940 (bombarderen) _____.

5. Die wielrenner (rijden) _____ wel erg hard door de Benelux-tunnel.)

6. Het is duidelijk dat het bord met de maximumsnelheid hem niet (ontmoedigen) __________.

7. Soms (verbeelden) _____ je vriend zich dat hij een wielrenner in de Tour de France is.

8. (Aanvaarden) _____ maar dat Utrecht die dag vrijwel onbereikbaar is, want er zal heel wat publiek op afkomen!

9. Boeren mogen vanaf heden onbeperkt melk produceren. Dat proces wordt met melkrobots (automatiseren) _____.

10. Waar een boer vroeger een band met zijn koeien had, (managen) _____ hij nu vooral zijn 'quantified cows'.!

willembunnik@gmail.com

© 2019 - W. Bunnik

Credits:

Created with an image by Engin_Akyurt - "pen color paint"

Report Abuse

If you feel that this video content violates the Adobe Terms of Use, you may report this content by filling out this quick form.

To report a copyright violation, please follow the DMCA section in the Terms of Use.