Loading

HET INTERNET EEN VEILIG DIGITAAL SPECIAL

Hoofdstuk 1

Internet is een netwerk van computernetwerken. Een computernetwerk is over het algemeen alleen beschikbaar binnen een organisatie of gebouw, een beperking die opgeheven wordt door een internet. Om een internet goed te laten werken is het nodig om afspraken te maken over protocollen. Een bijna universeel gebruikt protocol is het zogenaamde Internetprotocol (IP). Computers in verschillende computernetwerken kunnen dankzij die afspraken met elkaar communiceren.

Het internet is de benaming voor een zeer groot, de hele aarde omspannend openbaar netwerk van computernetwerken, waarvan de afspraken worden beschreven in de Requests for Comments die worden beheerd door de Internet Engineering Task Force. De oorsprong van het internet is terug te voeren tot ARPANET, een in 1969 in de Verenigde Staten gebouwd militair netwerk, dat later voor algemeen gebruik geschikt is gemaakt vanuit Amerikaanse universiteiten. Inmiddels is het internet een mondiaal fenomeen, dat het karakter van massamedium heeft gekregen. Als een van de succesfactoren wordt wel genoemd dat het volledige internet eigendom van niemand is, terwijl de fysieke onderdelen wel degelijk een eigenaar hebben.

In het dagelijkse spraakgebruik wordt met internet vaak het wereldwijde web bedoeld, maar dat is slechts een van de vele diensten die kunnen worden gebruikt via het internet. Andere bekende diensten zijn e-mail, IP-telefonie, FTP en Usenet.

1.1 Het woord internet

De term internet was oorspronkelijk een bijvoeglijk naamwoord, namelijk een afkorting van internetworking, dat wil zeggen: netwerken onderling verbindend. In de oorspronkelijke specificatie van TCP/IP, het basisinternetprotocol, uit 1974 is deze term al te vinden. Men had het bijvoorbeeld over internet-mail en internetverkeer. Hier betekende internet: werkend met TCP/IP, en het was een voorziening waar op sommige computernetwerken voor specifieke doeleinden bij tijd en wijle gebruik van werd gemaakt, als aanvulling op de faciliteiten van het computernetwerk zelf.

Door het ontstaan van een groot en explosief groeiend wereldwijd netwerk van via TCP/IP verbonden computers ging de term “internet” verwijzen naar dat specifieke netwerk, en het werd rond 1990 de officiële naam voor dat netwerk, een zelfstandig naamwoord, meestal met lidwoord en hoofdletter geschreven. In de daaropvolgende jaren werden alle andere vormen van computernetwerken naar de periferie verdrongen en groeide het internet uit tot een algemene voorziening zoals tv, radio en telefoon. De oorsprong van de voorziening en van de naam ervan verdwenen naar de achtergrond.

Sinds de nieuwe Nederlandse spelling van oktober 2005 wordt internet in het Nederlands in alle gevallen zonder hoofdletter geschreven.

1.2 Geboorte van het internet

In 1996 was het internet algemeen bekend bij het grote publiek, maar werd de term over het algemeen gebruikt als synoniem voor het wereldwijde web.

De grondslag voor het internet is ARPANET, een in 1969 door ARPA, een dienst van het Amerikaanse ministerie van Defensie, begonnen computernetwerk gebaseerd op packet switching. Men had ingezien dat met deze techniek en de toepassing van wachtrijtheorie en andere technieken voor gedistribueerde netwerken een erg robuust systeem op te zetten was. De term “Internet” werd in 1974 voor het eerst gebruikt in een document van Vinton Cerf en zijn manager, Bob Kahn, over TCP. Op 1 januari 1983 stapte ARPANET over van NCP naar TCP/IP als netwerkprotocol (waarbij IP staat voor Internet Protocol), en daarmee was de geboorte van het internet in zijn huidige technische vorm een feit. Het gebruik ervan verspreidde zich verder onder universiteiten en aan de overheid gelieerde instellingen, eerst in de Verenigde Staten, later ook in Canada, Europa en Japan. Het meeste gebruik vond plaats in de vorm van SMTP (email), FTP (bestandsoverdracht) en telnet (tekstuele interactieve sessies).

Intussen ontwikkelde de verwerkingskracht van computers en netwerken zich zo sterk dat grafische gebruikersomgevingen op computers gemeengoed werden en het zelfs haalbaar werd om op deze manier documenten en applicaties op afstand over het internet beschikbaar te stellen. Het basisprincipe hierbij is hypertekst, waarbij documenten aanklikbare verwijzingen naar elkaar bevatten.

Tim Berners-Lee en Robert Cailliau van het CERN zagen in dat hiervoor standaardtechnieken nodig waren die net als de TCP/IP-protocollen van het internet zelf platformafhankelijk zouden moeten zijn, en begonnen in 1991 het wereldwijde web-project, waarin ze zulke standaarden ontwikkelden (HTTP en HTML), software schreven om ze te gebruiken, en die software vrijelijk aan de wereld beschikbaar stelden. Gebruikers en ontwikkelaars elders in de wereld volgden, en de ontwikkeling van de Mosaicwebbrowser in 1993 aan het NCSA was de definitieve doorbraak. Het gebruik van documenten en diensten over het internet werd hiermee enorm vereenvoudigd.

In 1993 werd het gebruik van het internet, tot dusverre voorbehouden aan overheid en onderwijs, door de Amerikaanse overheid opengesteld voor bedrijven en particulieren. Het gebruik nam nu explosief toe. Pizza Hut was in 1994 een van de eerste bedrijven ter wereld die het www commercieel inzetten door de mogelijkheid te bieden om bestellingen online te doen. In 1996 was het internet algemeen bekend bij het grote publiek, maar werd de term over het algemeen gebruikt als synoniem voor het wereldwijde web.

1.3 Het huidige internet

Afgezien van de complexe fysieke verbindingen die de infrastructuur van internet vormen, wordt het internet bij elkaar gehouden door bi- en multilaterale commerciële contracten zoals peeringovereenkomsten en de technische standaarden die de te gebruiken protocollen beschrijven.

De basisprotocollen, zoals TCP/IP, worden vastgesteld door de Internet Engineering Taskforce (IETF).

In tegenstelling tot oudere communicatieprotocollen is de set van protocollen die het internet gebruikt zo veel mogelijk onafhankelijk van het gebruikte fysieke medium. Hierdoor kan bijvoorbeeld TCP/IP-communicatie plaatsvinden over glasvezel-, koper- en radioverbindingen.

De basisprotocollen, zoals TCP/IP, worden vastgesteld door de Internet Engineering Taskforce (IETF). Deze komen tot stand via een publieke discussie. De IETF legt standaarden vast in documenten die RFC’s worden genoemd. Sommige van deze worden door de Internet Architecture Board (IAB) verheven tot internetstandaard. De meest gebruikte protocollen binnen internet zijn op dit moment IP, TCP, UDP, DNS, PPP, SLIP, ICMP, POP3, IMAP, SMTP, HTTP, HTTPS, SSH, Telnet, FTP, LDAP, SSL en TLS.

Populaire diensten die gebruikmaken van de hiervoor genoemde protocollen zijn bijvoorbeeld e-mail, Usenet, het wereldwijde web, Gopher, IRC en MUD. Van deze diensten worden e-mail en het wereldwijde web het meest gebruikt. Andere diensten bouwen hierop voort, zoals mailinglijsten en weblogs. E-mail en Usenet zijn echter niet toegangsafhankelijk van de bovenstaande protocollen, ze kunnen ook via andere netwerkprotocollen bereikt worden. Andere populaire diensten zijn van oorsprong bedrijfseigen ontwikkelingen. Voorbeeld hiervan is Skype.

1.4 Toegang tot het internet

Gebruikelijke methoden om toegang te krijgen tot het internet omvatten:

• Via een kabel, dus min of meer op een vaste plaats: de inbelverbinding, breedband (over een coaxkabel, glasvezelkabel of koperen kabel).

  • Draadloos, via wifi-hotspots.
  • Via het netwerk voor mobiele telefonie: mobiel internet (EDGE/2G/3G/4G).

Ook combinaties worden gebruikt, zoals thuis aangesloten zijn via een kabel, en daarmee een wifistation voor gebruik in huis creëren, of onderweg mobiel internet op een apparaat hebben, en van dat apparaat een wifistation maken (mobiele hotspot) voor gebruik op andere door de betreffende persoon en zijn eventuele gezelschap meegenomen apparaten.

Bij het, al of niet tegen betaling, beschikbaar stellen van internet, bijvoorbeeld aan bezoekers van een openbare gelegenheid, kan men onderscheiden:

• Het beschikbaar stellen van een computer met internetaansluiting. Dit gebeurt onder andere in bibliotheken en internetcafés.

• Het beschikbaar stellen van wifi. Dit gebeurt in/op sommige treinen, bussen, vliegvelden, stations, benzinestations, horecagelegenheden, en soms in de foyer van een bioscoop. Steeds meer luchtvaartmaatschappijen bieden op intercontinentale vluchten ook internet tegen betaling aan tijdens het vliegen.

1.5 Robuustheid van het internet

Het internet is vanaf het begin zo gebouwd dat het netwerk stabiel is en blijft. Als een verbinding wegvalt, zullen de pakketten door de vele routers langs een ander pad gestuurd worden. Daarom wordt verondersteld dat de stabiliteit van het internet moeilijk te beïnvloeden is door terroristen. Als een kabel wordt doorgesneden of een knooppunt wordt opgeblazen, zullen de datapakketten zonder gegevensverlies een andere route kiezen. Dit bleek inderdaad zo te zijn bij de aanslagen op 11 september 2001 in New York. Onder het World Trade Center lag een belangrijk knooppunt van het internet maar er werd na de vernietiging hiervan geen noemenswaardige vertraging geconstateerd in het algemene internetverkeer.

Een kritische blik op het internet in Nederland leert echter wel dat bijna al het internationale verkeer via Amsterdam Internet Exchange ((AMS-IX)) in Amsterdam loopt, een van de drukste internetknooppunten ter wereld. Zo zijn er vanuit Amsterdam verbindingen met onder andere Londen en Hamburg (easynet), met Düsseldorf, New York en Kopenhagen (KPN) en met Chicago, Praag en Stockholm (Netherlight). Mochten onverhoopt alle verbindingen naar Amsterdam wegvallen, dan moet al het internationale internetverkeer van en naar Nederland een omweg via bijvoorbeeld Rotterdam en Antwerpen maken. Overbelasting van dat deel van het netwerk is dan een logisch gevolg. Het Amsterdamse internetknooppunt is overigens verdeeld over zeven verschillende locaties, waardoor de kans op algehele uitval klein is.

1.6 Risico’s van het internet

De opmars van computernetwerken heeft ook zijn negatieve kanten:

  • Via de talrijke verbindingen kunnen spyware en virussen zich snel verspreiden. Systemen die veel gebruikt worden, zoals Windows en Android, worden vaker geviseerd.
  • Persoonlijke gegevens zijn vaak slecht beveiligd en daarmee gemakkelijk toegankelijk voor onbevoegden, wat gevolgen heeft voor de privacy van individuen.
  • Eens gedeelde informatie op het internet is moeilijk weer te verwijderen.
  • Het internet geeft een gevoel van anonimiteit wat voor sommige mensen aanleiding is om extremer te reageren dan anders.

Net als in de fysieke wereld heeft internet ook lastvan vandalen. Een goed voorbeeld hiervan zijn de

  • "scriptkiddies".
  • Ongewenste informatie, bijvoorbeeld een handleiding voor het vervaardigen van explosieven, kan ook eenvoudig verspreid worden.
  • Het internet heeft indirect bijgedragen tot een enorme groei van het aantal servers die diensten verlenen over het internet en steeds meer elektriciteit vergen voor stroomvoorziening voor de elektronica en koeling. Een datacenter kan evenveel energie verbruiken als een fabriek.

Men hoopt een aantal van bovenstaande problemen te verhelpen door nieuwe protocollen te ontwikkelen met een verbeterde authenticatie en een sterkere encryptie. Een voorbeeld daarvan is AS2. Het ontwikkelen van zuiniger computerchips en efficiëntere software moet het elektriciteitsverbruik van servers afremmen.

Hoofdstuk 2

Geschiedenis van het internet in Nederland

In Nederland begon de geschiedenis van het internet op universiteiten. Deze waren al vanaf de begintijd verbonden met andere academische netwerken in Europa en de VS om wetenschappelijke data uit te wisselen. Dit gebeurde eerst via het ARPANET. Backbones werden aangelegd om het internet te versnellen en uit te breiden. Zo is in 1986 de SURFnet0 backbone aangelegd

2.1 Jaren 80

Vanaf VAX-computers (VAXmail) en diverse mainframes was het mogelijk internationaal e-mail uit te wisselen en ook grote bestanden (met ftp), wat onder onderzoekers in de bètawetenschappen toen al ingeburgerd was.

Personal computers waren eind jaren 80 nog niet wijdverspreid in academisch Nederland.

Personal computers waren eind jaren 80 nog niet wijdverspreid in academisch Nederland. Wel waren er lokalen met de Apple II en IBM PC waar studenten in bètavakken en later ook andere studenten achter een pc konden kruipen, aanvankelijk zonder netwerkverbinding. Verder waren er computerterminals aangesloten op universitaire mainframes met netwerkverbinding.

Ook BBS (bulletin board system) werd toen veel gebruikt om berichten te versturen.

In de beginjaren volgde Nederland de internationale ontwikkeling van internetapplicaties. Zo werd in 1989 het op UNIX gebaseerde e-mailprogramma Pine ontwikkeld, waarmee korte berichten konden worden verstuurd naar medestudenten of naar het buitenland, mits men over het adres beschikte. In 1993 werd een PC-DOS-versie van Pine ontwikkeld, waarmee men ook vanaf de eigen pc mails kon sturen. Wetenschappers en studenten konden vanaf 1991 het internet op met Gopher. Dat was een applicatie waarmee bibliotheken konden worden afgestruind naar publicaties en andere informatie (documenten). Usenet is de oorspronkelijke naam voor het netwerk van nieuwsgroepen, zoals we die vandaag de dag ook nog kennen. Usenet bestaat al vanaf 1979, maar onderzoekers en studenten gebruikten dit vooral vanaf 1989-1990. Ook BBS (bulletin board system) werd toen veel gebruikt om berichten te versturen.

2.2 Jaren 90

Na de invoering van het World wide web (www) in 1991 werd het mogelijk tekst en figuren gemakkelijk via internet over te brengen. Met de NCSA HTTP-server – later opgevolgd door de Apache-webserver – en de htmlopmaaktaal was een wetenschappelijke website (toen de enige toepassing) met e-mail- en ftp-server snel in de lucht.

Op 22 april 1993 werd de NCSA Mosaic browser geïntroduceerd

Op 22 april 1993 werd de NCSA Mosaic browser geïntroduceerd, gemaakt door Marc Andreessen en toen nog bedoeld voor computers met het besturingssysteem UNIX. Een opvolger van deze eerste browser werd de Netscape Navigator. Met deze browsers konden gemakkelijk webpagina’s worden bekeken: het multimediale internet was geboren. Dit ging nog redelijk snel, omdat veel wetenschappelijke websites vooral artikelen met grafieken als kleine bestanden bevatten en er aanvankelijk betrekkelijk weinig verkeer was. In december 1993 werd een versie voor pc’s onder Windows geïntroduceerd. Fotobestanden die (te) groot waren in verhouding tot de datatransmissiesnelheden van de netwerken, verschenen langzaam op het beeldscherm van de PC, zodat www voor de grap ook wel “world wide waiting” ging betekenen. Het was in de jaren negentig ook mogelijk om geluid (bijvoorbeeld een gesprek) via internet door te geven.

2.3 Internetproviders in Nederland

NLNet bood in 1989 aan bedrijven lokale dial-infaciliteiten. Het was in die tijd niet toegestaan internet publiek aan te bieden, je moest ten minste lid zijn van een besloten gebruikersgemeenschap. De HCC had zo'n besloten gemeenschap en bood voor haar leden ook dergelijke faciliteiten aan. Omdat de behoefte aan een openbaar en vrij internet door een aantal pioniers al vroeg werd gezien richtten Fred van Kempen, Bert Laverman, Jac Kersing, Michael Smoorenburg en Henk Klöpping al in 1992 Nederlands eerste publieke ISP op: de Stichting Internet Access (Internet Access Foundation IAF). Abusievelijk wordt wel aangenomen dat XS4ALL de eerste was, maar dat is aantoonbaar onjuist (zie onderzoek van journalist Egbert Zijlema). Pas in 1993 nam de hackersgroep Hack-Tic het initiatief om XS4ALL op te richten. Op 1 mei 1993 ging XS4ALL open voor het publiek. Vele studenten die tot nog toe alleen via academische netwerken toegang tot internet hadden, maar ook andere pcenthousiastelingen als “hackers, phone-freaks, programmeurs en cyberpunks” sloten zich aan bij de eerste ISP’s. Aangetrokken door het succes van het Internet openden al snel meer ISP’s hun deuren.

Op 15 januari 1994 volgde De Digitale Stad Amsterdam. Deze gebruikte servers waar met een modem vanuit heel Nederland naartoe kon worden gebeld (interlokaal tarief dus). DDS had als voordeel dat het geheel gratis was en vanaf het begin een postbus ter beschikking stelde waarmee kon worden ge-e-maild. Dit ging met behulp van het programma Pine. In datzelfde jaar begonnen Dataweb en Bart Internet Services met het aanbieden van commerciële toegang, gevolgd door Luna.nl in 1996.

Op 1 januari 1996 begon VuurWerk Internet met het aanbieden van webhosting en domeinnaamregistratie. Als lokkertje plaatste VuurWerk Internet (een gekraakte) Cdfoongids van KPN online. Het online telefoonboek 'Webtel' werd al snel een groot succes, en een rechtszaak volgde waarin KPN Telecom Webtel verbood. De naam VuurWerk was toen al gevestigd. In de periode tussen 1996 en 1999 groeide het bedrijf uit tot de grootste webhostingprovider van de Benelux met een marktaandeel van 12% en ruim 65000 gehoste websites en domeinnamen. Versatel nam VuurWerk Internet over in 1999.

Hoofdstuk 3

Tim Berners-Lee

Timothy John (Tim) Berners-Lee (Londen, 8 juni 1955) is samen met zijn toenmalig manager, de Vlaming Robert Cailliau, de bedenker en grondlegger van het world wide web of wereldwijde web (www). Hieraan werkte hij toen hij consultant-software-engineer bij het CERN in Zwitserland was, van juni tot en met december 1990.[1] Als directeur van het World Wide Web Consortium (W3C) houdt hij toezicht op de ontwikkeling van webtalen en -protocollen als HTML, XML, CSS en HTTP.

Timothy John (Tim) Berners-Lee

3.1 Biografie

Berners-Lee werd geboren in Londen als zoon van wiskundige ouders die beide werkzaam waren bij de elektrotechnische onderneming Ferranti. Hij studeerde van 1973 tot 1976 natuurkunde aan The Queen’s College, onderdeel van de universiteit van Oxford.

3.2 Carrière

Midden jaren tachtig kwam Berners-Lee als consultant software-engineer in dienst van het CERN, het Europese laboratorium voor deeltjesfysica. Als software-engineer schreef hij daar het databasesysteem ENQUIRE, waarin hij hypertekst introduceerde – activeerbare hyperlinks om informatie te delen en te updaten tussen de gebruikers. Later werkte hij dit concept verder uit tot het World Wide Web – het combineren van hypertekst met het internet, een gedecentraliseerd netwerk dat in de jaren zestig door het Amerikaanse leger was ontwikkeld. Tevens schreef Berners-Lee de eerste webbrowser en startte de eerste webserver op een NeXTcube. Op 6 augustus 1991 lanceerde hij de allereerste website: http://info.cern.ch/ hypertext/WWW/TheProject.html.

In 1999 publiceerde hij Weaving the Web, een boek over het ontstaan van het web. Het werd in het Nederlands vertaald als De wereld van het World Wide Web.

Timothy John (Tim) Berners-Lee (Londen, 8 juni 1955) is samen met zijn toenmalig manager, de Vlaming Robert Cailliau, de bedenker en grondlegger van het world wide web of wereldwijde web (www)

Berners-Lee streeft naar een semantisch web, dat wil zeggen, een wereldwijd web waarin informatie inhoudelijk benoemd en ingedeeld is op een voor computers verwerkbare manier. Hoewel er in de academische wereld veel aandacht voor is, is het nog onduidelijk of het semantisch web eenzelfde succes zal worden als het www. BernersLee beschrijft het semantische web als een component van Web 3.0, de volgende fase van het wereldwijde web.

In 2009 werd Berners-Lee door de Britse overheid ingehuurd om toezicht te houden over een nieuw project: een website met daarin publiek beschikbare Britse data. Op 21 januari 2010 heeft Berners-Lee de site geopend. De site, data.gov.uk, bevat onder meer gegevens over verkeer, criminaliteit, de gezondheidszorg, huizenprijzen, werkgelegenheid en belastingen. In totaal staan er meer dan 3.000 datasets op de site. De data mag door iedereen worden gebruikt voor commerciële en niet-commerciële toepassingen. Op de site staan enkele applicaties die gebruikmaken van de data. Gebruikers kunnen bijvoorbeeld een iPhone-app downloaden om de dichtstbijzijnde apotheek te bezoeken. Er is ook een programma gemaakt voor mensen die op zoek zijn naar een baan bij de overheid. Zodra er ergens een vacature verschijnt, krijgen ze bericht per e-mail. Wie niet zelf kan programmeren, kan ideeën voor programma’s op de site achterlaten.

Tijdens de opening van de Olympische Spelen van 2012 in Londen verscheen hij, geëerd als bedenker van het wereldwijde web. In een interview maakte Berners-Lee duidelijk dat het internet een fundamenteel mensenrecht is, en het beschermd moet worden tegen politieke en commerciële interfentie.

3.3 Prijzen/onderscheidingen

Berners-Lee heeft voor zijn werk verschillende prijzen gewonnen:

  • de Japanprijs (2002)
  • de Millennium Technology Prize (2004)
  • een koninklijke onderscheiding: op 16 juli 2004 is hij tot ridder geslagen door de Britse koningin Elizabeth II. Hij kreeg hierbij de titel van Ridder Commandeur, de op één na hoogste rang in de Orde van het Britse Rijk.
  • Op 20 oktober 2009 is hem een door de Vrije Universiteit Amsterdam een eredoctoraat toegekend, voort zijn “essentiële bijdrage aan de ontwikkeling, introductie en groei van het wereldwijde web, dat diepgaande invloed heeft op het sociale, economische, culturele en publieke leven”.
  • Hetzelfde jaar werd hij eredoctor van de Universiteit vanLuik, samen met Robert Cailliau.
  • In 2012 werd hij voor zijn bijdrage aan het Internet geëerd door opgenomen te worden in de Internet Hall of Fame.

Hoofdstuk 4

AMSTERDAM INTERNET EXCHANGE

De Amsterdam Internet Exchange (AMS-IX) is het belangrijkste internetknooppunt van Nederland en heeft na IX.br het grootste ledental.[1] Een zeer groot deel van het internetverkeer met het buitenland en de gegevensstroom tussen Nederlandse internetproviders wordt afgehandeld via het netwerk van AMS-IX. Het onderling uitwisselen van verkeer tussen providers wordt peering genoemd.

AMSTERDAM INTERNET EXCHANGE

4.1 Ontstaan

AMS-IX ontstond in de vroege jaren negentig en werd op 29 december 1997 door de twintig deelnemende interneten carrier-bedrijven formeel opgericht als vereniging; het is een onafhankelijke organisatie zonder winstoogmerk. In september 2013 is het aantal deelnemers (webhosters, cloud- en contentproviders) toegenomen tot 617.

4.2 Ontwikkeling

AMS-IX begon in 1994 als pilotproject van SURFnet op de locaties Nikhef en SARA in het Science Park in Amsterdam Oost/Watergraafsmeer. In 2001 werd de infrastructuur van AMS-IX uitgebreid met Telecity II in Amsterdam Zuidoost en GlobalSwitch in Amsterdam Slotervaart tot een web van vier centrale punten die onderling via optische verbindingen verbonden zijn. In december 2007 werd de vijfde locatie geopend en kwam het datacentrum van euNetworks erbij, dat dienstdoet als zowel core- als edge-locatie. Equinix-Am1 in Amsterdam Zuidoost volgde in april 2008 als zesde locatie. Ook is het vanaf een aantal regionale peering-locaties mogelijk om verkeer met AMS-IX deelnemers uit te wisselen.

De verbindingen kunnen zodanig geschakeld worden dat onderhoud aan een verbinding mogelijk is en dat indien een van de centrale punten of een verbinding uitvalt de andere grotendeels het netwerk in de lucht kunnen houden. Desalniettemin viel bij een stroomstoring in Amsterdam op 29 mei 2006 een groot deel van het Nederlandse internetverkeer uit. Eveneens was er 13 mei 2015 een storing als gevolg van een fout van een installatiemonteur bij onderhoudswerkzaamheden

AMS-IX is qua aantal aangesloten partijen en hoeveelheid verkeer het op één na grootste internetknooppunt ter wereld

AMS-IX is qua aantal aangesloten partijen en hoeveelheid verkeer het op één na grootste internetknooppunt ter wereld. Op 4 november 2008 had AMS-IX 308 aangesloten leden op 565 poorten. De huidige stand is 668 leden op 1263 poorten met een totale capaciteit van 11,7147 Tbit/s (2 januari 2014). De hoogst behaalde snelheid tot nu toe is 5,026 Tbit/s (20 november 2016). De hoogste snelheid in 2009 was ruim 800 Gbit/s.

Hoofdstuk 5

IP-ADRES

Een IP-adres, waarin IP staat voor Internet Protocol, is een adres waarmee een NIC (network interface card of controller), of in het Nederlands 'netwerkkaart', van een host in een netwerk eenduidig geadresseerd kan worden binnen het TCP/IP-model, de standaard van “het” internet.

Elke computer die is aangesloten op het internet of netwerk heeft een nummer waarmee deze zichtbaar is voor alle andere computers op het internet. Men kan dit vergelijken met telefoonnummers. Om het mogelijk te maken dat computers elkaar kunnen vinden en identificeren, hebben deze hun eigen nummer nodig. Deze nummers zijn de IP-adressen. Een IP-adres op internet is meestal gekoppeld aan een bedrijf of instantie. Zo is het te achterhalen waar bewerkingen onder een IP-adres vandaan komen. Bij mensen die vanuit huis werken identificeert het IP-adres hun internetprovider. Bijdragen op het internet zijn hierdoor bijna nooit werkelijk anoniem. De persoon achter een IP-adres is in de meeste gevallen te achterhalen, soms direct, maar soms alleen met medewerking van justitie. Deze vraagt vervolgens bij de betreffende provider op wie dat adres op dat moment gebruikte.

5.1 Adresruimte

Tot nu toe gebruikt men voornamelijk IP-adressen die bestaan uit 32 bits, het zogenaamde Internet Protocol versie 4-systeem (IPv4). In de praktijk blijkt dit systeem echter te weinig bruikbare adressen op te leveren. Daarom heeft men Internet Protocol versie 6 (IPv6) ontwikkeld, met IP-adressen bestaande uit 128 bits.

5.2 IPv4

In IPv4 is een IP-adres een reeks van 32 bits

In IPv4 is een IP-adres een reeks van 32 bits. De adresruimte van IPv4 bevat daarom maximaal 232 = 4.294.967.296 IP-adressen. Dat is minder dan er mensen op aarde zijn. In werkelijkheid is het beschikbare aantal adressen minder, want in de praktijk worden bepaalde adressen als broadcastadres of netwerkadres gebruikt en is een deel van de adresruimte als privé-adresruimte voor bijvoorbeeld testdoeleinden gereserveerd, zoals beschreven staat in RFC 1918. Dit deel wordt niet over het internet gerouteerd. Verder zijn hele reeksen IP-adressen toegekend aan bedrijven en providers, bijvoorbeeld een reeks van 65.536 adressen, terwijl dat bedrijf niet zo veel adressen nodig heeft.

Het is gebruikelijk een IP-adres uit IPv4 op te delen in vier groepen van 8 bits en deze weer te geven in de vorm van door punten gescheiden decimale getallen, bijvoorbeeld 192.0.2.197. Dit is korter dan de 32 bits en eenvoudiger te lezen. Elk van de vier getallen ligt tussen 0 en 255 (28 - 1), 0 en 255 beide inbegrepen. Voor de mens zijn zulke combinaties van vier getallen echter ook nog moeilijk te onthouden. Daarom wordt het DNS gebruikt om IP-adressen in leesbare en makkelijker te onthouden namen zoals nl.wikipedia.org om te zetten en vice versa.

In principe bestaat een IP-adres in IPv4 uit een netwerkgedeelte, gevolgd door een hostgedeelte. Het netwerkgedeelte geeft aan welk netwerk bedoeld is en het hostgedeelte geeft de host (bv. een pc of een router) aan binnen het netwerk. De reeks van IP-adressen binnen een subnet wordt meestal als volgt weergegeven. In een adres dat decimaal wordt aangegeven met G.H.K.L/M, waarbij G-M gehele getallen zijn, geeft het getal M aan hoeveel bits van het adres voor het netwerkgedeelte zijn (M ligt dus tussen 0 en 32); de rest van de 32 bits is voor het hostgedeelte.

Bij bijvoorbeeld 192.0.2.197/32 zijn alle bits voor het netwerkgedeelte en is er sprake van een enkele host. Indien een subnet 192.0.2.0/24 als allocatie heeft, zijn de eerste 24 bits uit het adres, dus de eerste drie door punten gescheiden decimale getallen, voor het netwerkgedeelte, en de laatste 8 bits voor de hosts binnen het subnet. Hierdoor zijn er in dit voorbeeld 28=256 adressen voor adressering van individuele hosts. (N.B.: het eerste adres, 192.0.2.0, en het laatste, 192.0.2.255, vallen normaal gesproken af omdat ze dan het (sub-)netwerkadres resp. het broadcastadres zijn.)

5.2.1 NAT

Onder andere om de schaarste aan adresruimte binnen IPv4 tegemoet te komen, is network address translation (NAT), ook wel IP-masquerading genoemd, ontwikkeld. Hiermee kunnen de hosts van een intranet met IPadressen uit de privé-adresruimte van RFC 1918 worden geadresseerd, terwijl de NAT-router dit naar buiten toe presenteert als één enkel IP-adres van de routeerbare adresruimte, dus slechts één IP-adres hoeft werkelijk gerouteerd en toegekend te worden, terwijl honderden hosts hier gebruik van kunnen maken. Men kan dit vergelijken met het systeem van een interne telefooncentrale. Er is slechts één buitenlijn (één IP-adres) maar vele gebruikers die via die telefooncentrale verbonden zijn met de buitenwereld. Voor alle andere gebruikers op het internet is er maar één IP-adres zichtbaar. Een groot nadeel van NAT is dat standaard alleen uitgaande verbindingen mogelijk zijn. Het mogelijk maken van binnenkomende verbindingen vergt specifieke oplossingen die niet altijd even goed werken.

5.2.2 Speciale adressen

Speciale IP-adressen binnen IPv4 zijn onder meer:

  • 0.0.0.0 “Deze host op dit netwerk”, mag standaard niet verzonden worden, behalve als bronadres in een procedure waarbij een host het eigen IP-adres leert.
  • 127.0.0.1 Het meest gebruikte adres voor localhost, maar andere adressen binnen 127.0.0.0/8 kunnen er ook voor gebruikt worden.
  • 10.0.0.0/8, 172.16.0.0/12 en 192.168.0.0/16 De volgens RFC 1918 voor privé-netwerken gereserveerde reeksen van IP-adressen.
  • 192.0.2.0/24, 198.51.100.0/24 en 203.0.113.0/24 Deze blokken zijn volgens RFC 5737 gereserveerd voor gebruik in documentatie.

5.3 IPv6

In IPv6 zijn er 128 bits beschikbaar voor een IP-adres

Een structurele oplossing voor de schaarste in adresruimte van IPv4 is te vinden in de opvolger hiervan: IPv6. In IPv6 zijn er 128 bits beschikbaar voor een IP-adres, en is de theoretische bovengrens dus 2128 ~ 3,4×1038 IPadressen. Net als bij IPv4 geldt dat in de praktijk weer adressen gebruikt worden als netwerkadres en broadcastadres, maar evengoed is het aantal toe te kennen IPadressen hiermee enorm groot: triljarden adressen per persoon.

5.4 Soorten adressen

Soorten IP-adressen waartussen men wel onderscheid maakt:

  • Dynamisch IP-adres versus statisch IP-adres. Als een NIC een statisch IP-adres heeft, blijft dit adres telkens hetzelfde; als het een dynamisch IP-adres is, wordt het dynamisch toegewezen, bijvoorbeeld met het DHCP-protocol, en kan het in de loop van de tijd veranderen. Dynamische IP-adressen worden vaak voor inbelaccounts (dialups) en mobiele internetverbindingen gebruikt.
  • Privé-IP-adres versus routeerbaar IP-adres. Een privé-IP-adres is een adres uit de in RFC 1918 beschreven adresruimte.
  • • IP-adres volgens IPv4 versus IP-adres volgens IPv6.

5.5 IP-blokkering

Omdat IP-adressen door internetapplicaties makkelijk te raadplegen zijn (meestal wordt hier de “REMOTE_ADDR"-variabele voor gebruikt), zijn veel internetapplicaties ook in staat een IP-adres te blokkeren van de website of om permissies in te trekken voor dat IP-adres. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren bij het spelen van een internetgame, waarbij de gebruiker valsspeelt.

5.6 Privacy

Een IP-adres is op zichzelf geen persoonsgegeven, maar kan dat wel worden, in combinatie met andere gegevens.[6] In dat geval is de Databeschermingsrichtlijn inzake privacy van toepassing.

Hoofdstuk 6

HET WERELDWIJDE WEB

Het oorspronkelijke World Wide Web logo

Het wereldwijde web (www), ook wel met de Engelse term "world wide web" aangeduid, maar meestal kortweg het web, houdt in:

  • een aantal technische afspraken voor het wereldwijdover het internet aanbieden en verbinden van allerhande documenten en computertoepassingen;
  • de verzameling documenten en toepassingen die we-reldwijd volgens dit systeem over het internet worden aangeboden.

6.1 Het www als technologie

De oorspronkelijke technische afspraken waar het www uit bestaat zijn de volgende:

  • de URL: een uniforme adresseringsmethode voor pagina’s, zowel gebruikt voor vaste documenten als voor veranderlijke inhoud, ongeacht waar op het internet ze staan en ongeacht hoe ze worden aangeboden;
  • HTML: een documentopmaaktaal die naast opgemaakte tekst, afbeeldingen, video's en andere multimedia, ook hyperlinks (aanklikbare verwijzingen) en formulieren ondersteunt, beide gebaseerd op URL’s
  • HTTP: een netwerkprotocol voor het ophalen van documenten

Sinds het ontstaan van het www is er aan deze afspraken flink gesleuteld; het W3C-consortium is opgericht om ze netjes te beheren. Ook zijn er allerlei aanvullende technische afspraken voor het www gemaakt, waarvan een deel door W3C beheerd wordt (bijvoorbeeld XML, XHTML, XML Schema, XSLT, RDF), maar sommige niet (bijvoorbeeld robots.txt en JavaScript). Het doel van het www was om internetgebruik eenvoudiger te maken. De gebruiker kan een wereldwijd, willekeurig groot netwerk van documenten en applicaties benaderen door niets anders te doen dan verwijzingen te volgen en formulieren in te vullen, en zonder voor elke applicatie weer aparte software te hoeven installeren; alles gaat met de webbrowser.

Een hyperlink is een verwijzing naar een pagina in een pagina

Veelgebruikte termen:

  • Een webpagina is een pagina op het web; pagina’s kunnen een vaste of een veranderlijke inhoud hebben.
  • Een website is een samenhangende verzameling pagina’s, meestal op dezelfde computer.
  • Een webapplicatie is een verzameling pagina’s die samen een toepassing vormt.
  • Een hyperlink is een verwijzing naar een pagina in een pagina; hiermee wordt de navigatie tussen de webpagina’s verzorgd.
  • Een zoekmachine is een webapplicatie waarmee naar pagina’s kan worden gezocht (bv. Google, StartPage, Bing).
  • Een webbrowser, een programma waarmee de gebruiker het web benadert, moet het volgende kunnen:
  • aan de hand van een URL een document ophalen via HTTP of soms via een ander netwerkprotocol zoals FTP, Gopher of NNTP; • het opgehaalde document aan de gebruiker tonen, als die pagina HTML is, platte tekst, of een afbeelding, bijvoorbeeld in een HTMLpagina;
  • plug-ins en aparte applicaties ondersteunen voor het weergeven van andere soorten documenten, zoals video, PDF-documenten, enzovoorts;
  • JavaScript interpreteren en uitvoeren.

6.1.1 URL’s

URL’s (Uniform Resource Locators) zijn adressen van webpagina’s. Ze bevatten meestal

  • de naam van het te gebruiken netwerkprotocol
  • de naam of het nummer van de te benaderen computer
  • een rest die de locatie van de pagina op de computer aangeeft; dit geeft in een applicatie vaak een bepaalde handeling aan.

Bijvoorbeeld: http://nl.wikipedia.org/w/index.php?title= Wereldwijde_web&action=submit geeft een webpagina aan die benaderd wordt via HTTP, op de computer nl.wikipedia.org, met een voor de aldaar in werking zijnde webapplicatie specifieke nadere aanduiding. Een URL kan ook verwijzen naar een protocol of documenttype dat de webbrowser zelf niet ondersteunt, bv, irc://irc.freenode.net/wikipedia-nl; in zo'n geval kan de browser een externe applicatie opstarten.

6.1.2 HTTP

HTTP (het Hypertext Transfer Protocol) is het netwerkprotocol dat speciaal ontwikkeld is voor het www. Zoals de naam al zegt is het specifiek bedoeld voor het ophalen van hypertekstdocumenten (meestal geschreven in HTML).

Kenmerkend voor HTTP is dat het in principe kortlopende verbindingen maakt, waarbij steeds een enkele webpagina opgevraagd of ingestuurd wordt. Dit is verschillend van bijvoorbeeld FTP, waarbij een verbinding wordt opgezet waarover vervolgens documenten kunnen worden opgevraagd of verstuurd tot de verbinding expliciet wordt afgesloten.

6.1.3 HTML

HTML (HyperText Markup Language) is begonnen als een eenvoudige opmaaktaal voor tekst, met hyperlinks die URL’s bevatten. Al snel werden plaatjes en formulieren ondersteund. Allerlei verdere uitbreidingen volgden, in HTML zelf (bijvoorbeeld frames) en met behulp van nieuwe talen zoals JavaScript, CSS. Er zijn verschillende versies van HTML. De recentste heet HTML5, de opvolger van XHTML.

6.2 Geschiedenis van het www

Zoals eerder vermeld is het concept van het www is ontwikkeld vanaf 1989 door Tim Berners-Lee, een softwareontwikkelaar van de gebruikersondersteuningsafdeling van CERN, het Europese instituut voor kernfysica in Genève, en diens projectmanager Robert Cailliau. Doel van het www was om de informatie-uitwisseling te vergemakkelijken tussen de wetenschappers die samenwerken in de veelal internationale projecten van CERN. Het doel was om een wikiachtige omgeving op te zetten waarin projectdocumentatie en andere informatie wordt aangemaakt en bijgehouden in een gemeenschappelijk gemaakte hypertext die direct over het internet te bekijken en te wijzigen is.

Aangenomen mocht worden dat elke deelnemer een computer met internetverbinding had, maar niet mocht worden aangenomen dat elke deelnemer ook hetzelfde soort computer met dezelfde soort grafische mogelijkheden en hetzelfde besturingssysteem had; vandaar dat het www van meet af aan platformonafhankelijk is geweest. In november 1990 was het concept ver genoeg ontwikkeld om er een formeel project van te maken, en daarom werd hier toen een voorstel voor ingediend.[1] Op 6 augustus 1991 plaatste Tim een kort overzicht over het project op de nieuwsgroep alt.hypertext. Hiermee werd het project ook publiekelijk toegankelijk. Daarom wordt deze datum ook gezien als de geboortedatum van het wereldwijd web.

WorldWideWeb (aan elkaar) was de naam voor het project, voor de software die Berners-Lee ervoor schreef (op de NeXT in Objective-C), en voor het geheel van documenten dat via deze software beschikbaar werd gesteld. Daarna werd de code omgezet naar C zodat ook voor andere platforms www-software geschreven kon worden. Het NCSA maakte op basis van deze code in 1992 de grafische webbrowser Mosaic, die de doorbraak voor het www betekende. Het ontwikkelde ook eigen webserversoftware (NCSA HTTPd) en voerde tal van innovaties door. Binnen een jaar steeg het aantal webservers van een handjevol naar duizenden en werd het www een standaardvoorziening die even belangrijk was als e-mail. Zowel de code van CERN als die van NCSA waren open source, waardoor het ook voor derden (zoals Microsoft) relatief gemakkelijk was om www-software te ontwikkelen.

6.3 Inhoud

Het web bevat wereldwijd enkele miljarden pagina’s met informatie en ontspanning, webpagina's genaamd, die zijn georganiseerd in websites en worden aangeboden op webservers. Een website hoeft niet per definitie op een webserver opgeslagen te zijn. De site moet wel te benaderen zijn door de server. Iedereen die per computer op het web is aangesloten, kan op een simpele manier de sites en pagina’s doorzoeken. Een webserver is een dienstverlenende computer. De computer waaraan informatie wordt doorgegeven noemt men een client (Engels voor: cliënt, klant). Om gebruik te kunnen maken van de diensten van zo'n server zijn een webbrowser, een modem of netwerkkaart en een internetverbinding nodig.

Het plaatsen van een website op het web is eenvoudig en vindt bijvoorbeeld plaats met behulp van FTP (File Transfer Protocol). Daarnaast zijn er allerlei nog gebruikersvriendelijker methoden zoals weblogs en forums. Dit heeft tot gevolg dat de inhoud van het web niet altijd betrouwbaar is. Er staat veel onjuiste informatie op.

Via de webpagina’s kunnen ook andere bestanden dan HTML-pagina’s worden aangeboden. Het web is een grote verzamelplaats van o.a. afbeeldingen, muziek en films van uiteenlopende aard. Met behulp van speciale mediaplayers kunnen deze bestanden op de computer worden beluisterd en bekeken. Met zoekmachines als Google, Bing en StartPage kan naar deze bestanden op het web worden gezocht. Het web biedt schrijvers en kunstenaars een goedkoop middel hun werk aan een breed publiek te presenteren. Maar ook anderen dan de rechthebbenden kunnen materiaal eenvoudig aanbieden; veel van zulk aanbod is illegaal, en de film- en muziekindustrie besteedt veel moeite om dat te bestrijden.

6.4 Surfen

Het bekijken van websites noemt men surfen.

6.5 Wetenswaardigheid

• De naam World Wide Web is uitgevonden door Tim Berners-Lee, en werd voor het eerst gebruikt (aan elkaar geschreven) in een intern CERN-memo in 1990, en doorgezet ondanks de protesten van de projectmanager, Robert Cailliau, die zei dat de Engelstalige afkorting 'WWW' (in het Engels uitgesproken als double-u double-u double-u) langer is dan de naam zelf.

(bron: wikipedia)

WWW.GACEBOOK.COM/VEILIGDIGITAAL

©2019 Veilig Digitaal

Created By
Veilig Digitaal
Appreciate