Loading

Hoe algemeen is het stemrecht? Tijdlijn (1830-2004)

Stemmen en politiek

Het woord ‘politiek’ is afgeleid van het Griekse ‘polis’ en dat betekent ‘gemeenschap’ of ‘samenleving’. Politiek draait om de manier waarop een maatschappij zich organiseert. De burgers, de leden van die samenleving, staan centraal in dit systeem: wie kiest de leiders en op welke wijze? Kunnen alle burgers deelnemen aan verkiezingen? Hoe kunnen de burgers hun leiders controleren? Over deze en andere vragen bestaat meestal geen eensgezindheid: de organisatie van de samenleving is onderwerp van soms heftige discussies.

In de loop der tijden zijn aan de mogelijkheid om te kiezen uiteenlopende voorwaarden verbonden, zoals geslacht: overal ter wereld hebben mannen eerder stemrecht gekregen dan vrouwen. Andere criteria zijn leeftijd, rijkdom, etniciteit, opleidingsniveau, burgerlijke staat en nationaliteit. In sommige landen is stemmen verplicht, maar in de meeste niet.

Katholieke verkiezingsaffiche voor de wetgevende verkiezingen van 1925 die de politieke/ideologische tegenstelling links-rechts verbeeldt.

Verkiezingen zijn dé manier om een samenleving op een relatief vreedzame manier te organiseren, maar dat betekent niet dat er één blauwdruk bestaat die voor alle landen en voor alle tijden geldt. Op deze website nemen we België onder de loep. De nadruk ligt op de nationale, of nu de federale verkiezingen. Andere verkiezingen, zoals die voor Europa, het gewest, de provincie of de gemeente komen maar zijdelings aan bod. Af en toe kijken we ook eens naar andere landen.

Linksboven: Zetelverdeling in de Kamer van Volksvertegenwoordigers na de federale verkiezingen van 2007. Linksonder: Plakkersploeg met o.a. Edward Anseele jr. voor de verkiezingen van 1936, Stationsstraat Deinze. Rechts: Liberale verkiezingsaffiche voor de wetgevende verkiezingen van 1921. Lenin en Trotski spreken het volk toe.

In vergelijking met de meeste andere Europese landen, waar de macht nagenoeg volledig in handen was van de grootgrondbezitters, was de grondwet van de jonge Belgische staat relatief progressief. De grondwet was het resultaat van een compromis tussen enerzijds de conservatieve krachten van het ancien régime – de adel en de clerus – en anderzijds de liberale burgerij. De monarchie werd niet afgeschaft, maar de absolute macht van de vorst werd aan banden gelegd. De Senaat verving de aparte Kamer voor de adel. Wie zich verkiesbaar wilde stellen voor de Senaat moest echter zo’n hoog inkomen hebben dat in de praktijk alleen de adel of de allerrijksten in aanmerking kwamen. De Kamer van Volksvertegenwoordigers beantwoordde meer aan de nieuwe burgerlijke idealen. Van een echte democratie was echter nog lang geen sprake. Enkel mannen die een voldoende hoge cijns of belasting betaalden, mochten stemmen. Politieke macht was bijgevolg volledig gebaseerd op bezit of eigendom en geslacht. Van de ongeveer 4 miljoen Belgen mochten er amper 40.000, of 1 op 100, stemmen.

Gentse kiespropaganda voor de eerste nationale verkiezingen in 1830, toen het parlement nog Nationaal Congres heette.
Namenlijst van kiezers in Aalst, met aanduiding van beroep/’kwaliteit’, waardoor de sociologische samenstelling van het selecte clubje kiezers duidelijk tot uiting komt, 1824.

De oprichting van de Liberale Partij op 14 juni 1846 luidde een nieuwe fase in de Belgische politiek in. Voor het eerst gingen politici uit alle hoeken van het land over tot de vorming van een politieke partij, met als één van de belangrijkste taken het nationaal coördineren en organiseren van de verkiezingen. De Katholieke Partij volgde dit voorbeeld in 1869 en de socialistische Belgische Werkliedenparij in 1885. Via de partijen hoopten de politici de kiezers beter te kunnen mobiliseren en hun stemgedrag te kanaliseren.

De progressieve vleugel drukte een vrij zware stempel op het eerste liberale partijprogramma. Zo was er niet enkel sprake van uitgebreid openbaar onderwijs en een algemene lotsverbetering voor de minst bedeelden, maar kwam ook het stemrecht ter sprake. In artikel 1 van het programma werd gepleit voor een (voorzichtige) eerste uitbreiding van het stemrecht. Amper twee jaar later werd dit gedeeltelijk gerealiseerd.

Afbeelding rechts: Het eerste liberaal congres in 1846 in het Brusselse stadhuis stelt onder meer een uitbreiding van het stemrecht voor.

In de grondwet uit 1830 werd enkel de minimale kiesbelasting vermeld. In praktijk was die cijns hoger, maar dat veranderde heel snel in het beruchte revolutiejaar 1848. In dat jaar braken in Europa – onder meer in Frankrijk, Oostenrijk en Pruisen – protesten uit, gevoed door de publicatie in datzelfde jaar van het Communistisch Manifest van Karl Marx en Friedrich Engels. Dit manifest kreeg als ondertitel “Proletariers aller landen, verenigt U!”, zowat de meest mobiliserende politieke slogan aller tijden.

Links: het eerste Nederlandstalige handboek voor de kiezers, in 1871 uitgegeven door het Willemsfonds. Rechts: grafische voorstelling van de samenstelling van de kamer van volksvertegenwoordigers (1850-1851).

In België bleef het vrij rustig, maar de toppolitici namen uit voorzichtigheid toch een aantal maatregelen die de stabiliteit moesten garanderen. Eén daarvan was de verlaging van de kiescijns of -belasting tot het grondwettelijk minimum van 20 ‘florijnen’. Hoe meer mensen betrokken zouden zijn bij het bestuur, hoe minder kans op revolutionaire gedachten, was de redenering. Heel veel effect had die maatregel achteraf bekeken niet. Het aantal kiezers verdubbelde amper: 80.000 mannen of 2 % van de bevolking was nu stemgerechtigd.

Een radicalere, democratiserende onderstroom nam geen genoegen met deze voorzichtige maatregelen. Zo stelde de liberale republikein Lucien Jottrand al in 1848 voor om mannen én vrouwen die konden lezen en schrijven vanaf 21 jaar stemrecht toe te kennen. Alle anderen moesten vanaf 25 jaar stemrecht krijgen op basis van hun levenservaring. Het kiezerskorps moest voor Jottrand evenmin beperkt blijven tot de geboren Belgen: iedereen die drie volle jaren in België woonde, werkte en belastingen betaalde, had in zijn ogen het recht verdiend om te stemmen. Ook vooruitstrevende katholieken volgden deze denkpiste en ijverden voor een uitbreiding van het stemrecht. Een voor de hand liggend argument was dat, gezien de gelijkheid voor god, elk individu evenveel recht had op kiesinspraak. De progressieve liberalen – of progressisten – vertaalden dat in 1864 in het levensbeschouwelijk neutrale grondwetsartikel dat stelde dat “alle Belgen gelijk zijn voor de wet”.

In 1865 vonden de progressisten en de ontluikende socialisten elkaar en organiseerden samen een aantal meetings over het algemeen stemrecht in het Brusselse. Net als hun voorgangers koppelden zij de invoering van dat stemrecht aan zowel een informatieplicht door de politici, een vorm van wat nu openbaarheid van bestuur heet, als aan de invoering van verplicht en gratis algemeen onderwijs voor iedereen.

Voluit de Wet op het geheim van de stemming en de kiesfraude wou deze wet uit 1877 paal en perk stellen aan de kiesfraude. Sinds 1830 bestond het probleem dat de stemming niet echt geheim was. Kiezers werden op verkiezingsdag één voor één naar voor geroepen door de voorzitter van het kiesbureau en gaven daar een handgeschreven briefje af met de namen van hun favorieten. Het stembureau wist dus voor wie je had gestemd en dat kon in de daaropvolgende dagen tot wraakacties van de verliezers leiden. Bovendien werden de kiezers soms ook vooraf onder druk gezet om hun stembiljet nog voor de verkiezingsdag in te vullen onder het toeziend oog van katholieke of liberale politici of hun militanten.

Volgens de nieuwe wet moesten kandidaten zich minstens vijf dagen voor de verkiezingsdatum bekend maken, gesteund door een aantal andere kiesgerechtigden. Vervolgens werden de namen van de kandidaten op een officiële stembrief gedrukt, per partij, in alfabetische volgorde. De liberalen stonden in blauwe druk op de linkerhelft van het blad, de katholieken in het rood op de rechterhelft en de onafhankelijken in het zwart.

Propaganda uit Oudenaarde voor de verkiezing van een senator, geïnspireerd op het veelkleurig stembiljet dat toen in gebruik was.

Er kwam een afgeschermd stemhokje waarin de kiezer in alle anonimiteit zijn keuze kon maken, waarna hij zijn briefje nu zelf in een kiesurne deponeerde. Hierdoor was het in principe onmogelijk om achteraf te achterhalen wie voor wie had gestemd. De hele kiesverrichting werd gecontroleerd door getuigen en de telling gebeurde in een afzonderlijk lokaal.

Aan die procedure veranderde een eeuw lang bijna niets meer. De kleurtjes op de lijst verdwenen in 1894 en er kwamen meer lijsten bij, maar verder bleef alles in grote lijnen hetzelfde. De enige grote procedurewijziging die nog het vermelden waard is, is de introductie van het elektronisch stemmen. Getest in 1991 en operationeel sinds 1994, vervangt deze vorm van stemmen langzaamaan de papieren variant.

Links: De wet van 1877 voerde de geheime stemming in en legde de inrichting van de kieslokalen vast, zoals nu nog steeds van kracht.

De onrust in het debat rond de toekenning van het algemeen stemrecht nam in de jaren 1880 opnieuw toe. Maar algemeen stemrecht was voor zowel de liberale als de katholieke conservatieven onbespreekbaar. Een uitbreiding van het kiespubliek om (voorlopig) de rust te bewaren, leek de beste oplossing. De eerste voorstellen van de katholieke voorman Jules Malou, de progressistische leider Paul Janson en de liberalen Karel Buls, Léon Vanderkindere en Eugène Goblet d’Alviella stierven nog een stille dood. In 1883 vonden progressieve en conservatieve liberalen, die samen aan de macht waren, een compromis. Het gemeentelijk en provinciaal kiezerskorps werd uitgebreid met twee nieuwe categorieën van kiezers voor wie de minimumcijns geen kiesvoorwaarde meer zou zijn: de vrijgestelde kiezers en de bekwaamheidskiezers. De basisfilosofie achter deze uitbreiding was opnieuw de klassieke stelling dat enkel onderwijs de voedingsbodem kon zijn voor een nieuwe klasse van verantwoordelijke kiezers.

‘God in de kamer’: een artikel in het liberale Volksbelang hekelt de organisatie van het kiesexamen in de katholieke gemeenten.

Een eerste categorie bestond uit mannen die minimaal een diploma van het lager secundair onderwijs of een duidelijk omschreven equivalent konden voorleggen, aangevuld met diegenen die een ambt of functie vervulden of een bepaald beroep uitoefenden waarvoor ze dezelfde vaardigheden nodig hadden. Gek genoeg was die regeling helemaal niet nieuw. In 1830, bij de stichting van de Belgische staat, was voor één verkiezing gebruik gemaakt van hetzelfde criterium. Het allereerste parlement dat zo was verkozen, had die regeling echter onmiddellijk terug afgeschaft.

Een tweede categorie bestond uit mannen van minimum 18 jaar die geslaagd waren voor het kiesexamen dat jaarlijks werd afgenomen. Dat examen van kiesbekwaamheid baseerde zich op de leerstof voor de lagere school. Een jury beoordeelde elke kandidaat-kiezer op een schriftelijk (60 %) en een mondeling (40 %) examen. Je moest in totaal 60 % van de punten behalen.

Maar ook met deze maatregel nam het aantal kiezers slechts mondjesmaat toe.

Brief van de Kring der Liberale Bekwaamheidskiezers uit 1889 met gelukwensen en goede raad voor de geslaagden voor het kiesexamen.

De strijd voor het zuiver algemeen stemrecht – één man, één stem – had een principiële basis: alle burgers van het land moesten kunnen deelnemen aan verkiezingen en wel op een gelijkwaardige manier. Voor de socialistische partij kwam daar nog een strategisch argument bij: zonder algemeen stemrecht zou die partij nooit kunnen doorbreken, want haar kiespubliek bestond voor het overgrote deel uit arbeiders die niet konden deelnemen aan verkiezingen. In die strijd vonden de socialisten steun bij een deel van de liberale partij.

Fotoreportage van de staking voor het Algemeen Stemrecht, Gent, Sint-Pietersplein, 1893 (Huis van Alijn)

Het systeem van het cijnskiesrecht gaf in 1831 maar om en bij de 40.000 Belgen stemrecht voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Voor de 51 zetels in de Senaat waren amper 400 mensen verkiesbaar. Zelfs na een verlaging van de kiescijns bleef het aantal mensen dat kon stemmen zeer klein. Herhaaldelijk braken stakingen uit voor het algemeen stemrecht, die vooral in Wallonië een grote weerklank vonden. Op 11 april 1893 riep de leiding van de socialistische partij een algemene werkstaking uit.

La grève générale: Stakende mijnwerkers in Henegouwen , mei 1891 (IHOES, Seraing).
De Volkswil, 1892

Onder druk van al die manifestaties en van progressieve liberalen en socialisten kwam in datzelfde jaar een ingewikkeld compromis tot stand: het algemeen meervoudig stemrecht voor mannen vanaf 25 jaar. Elke Belg kreeg één stem, maar sommigen kregen er twee of zelfs drie naargelang hun opleidingsniveau of het bedrag aan belastingen dat ze betaalden.

  • 853.628 mannen : 1 stem
  • 293.679 mannen: 2 stemmen
  • 223.381 mannen: 3 stemmen

Het aantal kiezers vertienvoudigde, maar een minderheid van de kiezers had een meerderheid van de stemmen. De verkiezingen van 1894 verliepen volgens het nieuwe systeem. De socialistische partij deed haar intreden in het parlement met 28 zetels. Maar daarmee was de strijd voor het ‘zuiver algemeen stemrecht’ niet voorbij.

Afbeelding links: De schanddaden van het cijnskiesstelsel, vertaling van Les hontes du suffrage censitaire door Leon Defuisseaux. Vanaf de jaren 1880 kwam hevige kritiek op het cijnskiesstelsel vanuit socialistische hoek.

Afbeelding rechts: Liberale manifestatie in Mechelen in de aanloop naar de parlementsverkiezingen van 1898.

Sinds 1830 werden de winnaars van de verkiezingen aangeduid via een systeem van absolute meerderheid, wat in het begin goed werkte aangezien er nog geen kieslijsten waren. Vanaf 1877 kwamen die er wel en werden de zetels volgens een ingewikkelde telling op basis van die lijsten verdeeld. Die verdeling gebeurde zoals het nu nog steeds in onder meer het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten gangbaar is: via een winner-takes-all-systeem. Alle zetels van een bepaalde kiesomschrijving gaan naar de partij met de meeste stemmen.

Dit klinkt misschien eerlijk, maar dat is het eigenlijk niet. Dit systeem maakt het kleinere partijen en minderheidsgroepen bijna onmogelijk om een verkozene te krijgen. De oplossing ligt voor de hand: in plaats van alle zetels aan de grootste partij toe te kennen, de zetels verdelen in verhouding tot alle stemresultaten, waardoor ook de kleinere kandidaten kans maken op een zetel.

Affiche uit Harelbeke naar aanleiding van de verkiezingen in 1911. Liberalen en socialisten mobiliseren samen voor zowel algemeen enkelvoudig stemrecht als zuivere evenredige vertegenwoordiging.)

Dit was uiteraard niet naar de zin van die grootste partijen, maar progressieve liberalen, socialisten en christendemocraten hielden het been stijf. De katholieke regering onder leiding van Paul de Smet de Nayer slaagde er in 1899 in om met een wisselmeerderheid in het parlement de conservatieve katholieken en de doctrinaire liberalen buiten spel te zetten. Over de partijgrenzen van meer- en minderheid heen werd het wetsontwerp goedgekeurd. De eerstvolgende verkiezingen in 1900 leidden tot een zware nederlaag voor de katholieken (die weliswaar een meerderheid in de Kamer behielden) en zorgden voor een herschikking van het politieke landschap. De christendemocraten werden langzaamaan de belangrijkste fractie binnen de katholieke partij en binnen de liberale partij kregen de progressieve radicalen steeds meer macht. Algemeen enkelvoudig kiesrecht gekoppeld aan verplicht lager onderwijs leek binnen handbereik te liggen.

De strijd voor het algemeen enkelvoudig stemrecht kent verschillende hoogtepunten. In Vlaanderen bleven vooral de gebeurtenissen in Leuven op 18 april 1902 in het collectieve geheugen hangen. In de aanloop naar de verkiezingen van mei 1902 startten de socialisten een nieuwe campagne voor het algemeen enkelvoudig stemrecht. In november dienden ze samen met progressieve liberalen een wetsvoorstel in voor een herziening van de grondwet die moest leiden tot de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht. Buiten het parlement werden meetings en betogingen georganiseerd om de druk op te voeren.

Naarmate de datum van de parlementaire debatten over de grondwetsherziening dichterbij kwam, steeg de spanning. In Antwerpen, Gent en Luik raakten betogers gewond bij manifestaties. Maar er vielen ook doden in april 1902: 2 doden in Houdeng-Goegnies bij La Louvière en 3 doden in Brussel. Spoorlijnen en telefoondraden werden gesaboteerd en branden gesticht. De roep om een algemene werkstaking klonk steeds luider: op 14 april 1902 werd die ook effectief uitgeroepen.

Eene man, eene stem: Lied uit een bundel strijdliederen uitgegeven door de Gentse socialisten in 1902.

Op 18 april 1902 verwierp de Kamer van Volksvertegenwoordigers het voorstel tot grondwetsherziening: het algemeen enkelvoudig stemrecht zou er niet komen. Toen het nieuws bekend raakte, leidde dat op veel plaatsen tot rellen. Dat was ook het geval in Leuven, waar het herhaaldelijk tot een treffen kwam tussen betogers en politie. Op twee plaatsen in de stad opende de politie het vuur op de demonstranten: er vielen 6 doden en heel wat gewonden. De nacht van 18 april 1902 ging de geschiedenis in als ‘de bloednacht’.

Affiche van de Belgische Werkliedenpartij als herinnering aan de ‘martelaren’ voor het algemeen stemrecht (Stadsarchief Leuven).

Afbeelding links:Charge van de gendarmerie te paard voor het Volkshuis van Brussel tijdens een betoging voor algemeen stemrecht op 12 april 1902 (IHOES, Seraing).

Links: Foto van Emilie Claeys (1855-1943).

Het vrouwenstemrecht stond intussen nog altijd nergens. In 1894, tijdens het congres van Quaregnon, nam de Belgische Werkliedenpartij onder druk van de militante Emilie Claeys het vrouwenstemrecht op in haar eisenpakket. De Belgische Liga voor de Rechten van de Vrouw schaarde zich in 1895 voorzichtig achter dit idee, maar bleef heel behoedzaam. Het wetsvoorstel van Jules Destrée om vrouwenstemrecht in te voeren, botste vervolgens op een veto van de katholieken onder leiding van Charles Woeste en op de halfslachtige houding van de Liberale Partij. Zijn voorstel was dan ook kansloos. Voor de vrouwen was de maat meer dan vol.

De voornaamste vrouwengroeperingen bundelden in de daaropvolgende jaren hun krachten. In februari 1913 richtten de twee grootste organisaties, het Belgisch Feministisch Verbond voor het Stemrecht van de Vrouw en de Belgische Liga voor de Rechten van de vrouw, samen de Belgische Federatie voor het Stemrecht van de Vrouw op. Vrouwenorganisaties uit het hele politieke spectrum sloten zich aan: de Katholieke Liga voor de Rechten van de Vrouw, de Société belge pour l’Amélioration du Sort de la Femme, de Union belge pour le Suffrage, de Union des Femmes Gantoises en de Antwerpse Vrouwenvereniging. Hun eis om toegang te krijgen tot de stemhokjes kreeg vanuit partijpolitieke hoek de steun van de socialisten en van de Liberale Vlaamsche Volksbond. De Federatie sloot zich aan bij de Internationale Alliantie voor het Stemrecht en de Burgerrechten van de Vrouw. De Eerste Wereldoorlog onderbrak dit proces echter heel abrupt.

De invoering van het algemeen meervoudig stemrecht voor mannen in 1893 was hoogstens een adempauze in de strijd voor het ‘zuiver algemeen stemrecht’. Van 1893 tot 1914 hielden talloze manifestaties, optochten en stakingen de druk op de ketel. De laatste grote actie was de algemene staking van 1913, uitgeroepen door de socialistische beweging.

Socialistische volksvertegenwoordigers, 1919, arrondissement Dendermonde, met o.a. Gustaaf Pets, Hippoliet Vandemeulebroucke, Juul De Brouwer, Emiel De Backer.
De regering Delacroix, het kabinet van Loppem: de eerste regering na de Eerste Wereldoorlog, Brussel,1919. V.l.n.r.: Léon Delacroix, Louis Franck, Fulgence Masson, Joseph Wauters, Jules Renkin, Emile Vandervelde, Albéric Ruzette, Paul Hymans, Henri Jaspar, Edward Anseele, Charles.

In 1914 veranderde de politieke situatie drastisch: door de Duitse inval sloot men de rangen en werden de binnenlandse problemen tijdelijk in de koelkast geplaatst. Bij het begin van de oorlog was er een homogeen katholieke regering aan de macht, maar begin 1916 breidde die uit naar een regering van nationale eenheid: liberalen en socialisten traden toe. Die uitbreiding stond ook voor de eenheid van het land tegen de Duitse vijand.

België in perspectief - Selectief overzicht van de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht:

  • Nieuw-Zeeland : 1893 (toen nog onderdeel van het Britse Rijk)
  • Noorwegen : 1913
  • Denemarken : 1915
  • Uruguay : 1918
  • Nederland : 1919
  • België: 1919
  • Turkije : 1934
  • Jamaica : 1944
  • Israël : 1948
  • Canada: 1960
  • Brazilië: 1988
  • Koeweit: 2005
  • Bhutan: 2008

Bij het einde van de oorlog was het besef gegroeid dat de vooroorlogse draad niet zomaar kon opgepikt worden. De eerste naoorlogse regering van katholieken, liberalen en socialisten besliste tot de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen vanaf 21 jaar. Op 16 november 1919 werden de eerste verkiezingen volgens de nieuwe regeling gehouden. De grondwettelijke regeling ervan volgde later

En de vrouwen? De drie grote politieke partijen konden elkaar vinden over de uitbreiding van het stemrecht voor mannen. Voor de vrouwen lag dat anders: katholieken waren voor, liberalen en socialisten tegen. Zij vreesden dat vrouwen in zeer grote mate voor de katholieken zouden stemmen. Er kwam een compromis uit de bus: vrouwen kregen stemrecht voor de gemeente.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1921 trokken voor het eerst meer dan twee miljoen vrouwen naar het stembureau. 196 Vrouwen werden verkozen, ongeveer 1% van het totale aantal gemeenteraadsleden. Uiteindelijk zouden 6 van hen burgemeester worden en 13 van hen kregen een schepenmandaat.

Links: De allereerste vrouwelijke burgemeester was Léonie Keingiaert de Gheluvelt (1885-1966). Ze werd burgemeester van Geluveld, een West-Vlaamse gemeente die vandaag deel uitmaakt van Zonnebeke. Van 1932 tot 1938 vervulde ze een tweede ambtstermijn als burgemeester. Ze schreef ook artikels voor het feministische tijdschrift Le Féminisme chretien de Belgique. Na Wereldoorlog II was ze in Geluveld nog schepen van financiën en onderwijs. Rechts: spotprent in Pallieter van Léonie Keingiaert 'De Eerste Burgemeesteres'.

Selectief overzicht van landen met de eerste vrouwelijke burgemeester

  • 1862: Verenigde Staten
  • 1893: Nieuw-Zeeland
  • 1908: Groot-Brittannië
  • 1918: Rusland
  • 1921: België
  • 1924: Spanje
  • 1927: Brazilië
  • 1936: Canada
  • 1946: Nederland

Naast gemeenteraadsverkiezingen waren er in 1921 ook parlementsverkiezingen. In tegenstelling tot de gemeenteraadsverkiezingen hadden vrouwen toen nog geen stemrecht, maar ze konden wel verkozen worden.

Marie Spaak-Janson (1873-1960) kwam als eerste vrouw in het Belgisch parlement: ze werd gecoöpteerd senator voor de socialistische partij. Haar kleindochter, Antoinette Spaak, zou later de eerste vrouwelijke voorzitter worden van een politieke partij.
De “Vrouwenkrans” van de Katholieke Volksbond van het kiesarrondissement Veurne-Diksmuide-Oostende sluit zich aan “bij de beweging tot het bekomen van het vrouwenstemrecht”, 1919.

De verkiezingen van 1929 brachten voor het eerst een rechtstreeks verkozen vrouw in het Belgische parlement, Lucie Dejardin (1875-1945). Dejardin werd geboren in Luik in een familie van mijnwerkers en werkte zelf ook in de mijnindustrie. Als syndicale militante werd ze in 1926 gemeenteraadslid in Luik voor de socialistische partij. In 1929 was ze kandidaat voor de Kamer op de socialistische lijst, ze werd verkozen en bleef lid van de Kamer tot 1936. Na de Tweede Wereldoorlog kwam ze terug in het parlement.

Selectief overzicht van andere landen:

  • Ierland 1918
  • Duitsland 1919
  • België 1929
  • Brazilië 1933
  • Australië 1943
  • Frankrijk 1945
  • Argentinië 1951
  • Egypte 1957

België telt vandaag (december 2018) 57 vrouwen in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, dat is 38%; Daarmee staat België op de 22ste plaats in de wereld. De lijst wordt aangevoerd door Rwanda waar meer dan 61% van de verkozenen vrouwen zijn. In Europa is Zweden koploper met iets meer dan 46%. In 21 landen is de president of de eerste minister een vrouw.

Afbeelding links: Portret van Lucie Dejardin rond 1930, Cami Stone.

De slogan die de strijd voor algemeen stemrecht het best verwoordde – één man , één stem – mag letterlijk genomen worden: vrouwen kwamen heel lang niet in beeld. Er waren wel pleidooien voor deelname van vrouwen aan het politieke leven, maar die bleven marginaal en hadden weinig impact.

Liberale propaganda uit 1949, de jacht op de stem van de vrouw is open.

Het begon al voor het ontstaan van België: de Franse Revolutie van 1789 wekte de indruk dat de gelijkheid van man en vrouw voor de deur stond. Zo eisten een groep Brusselse en Luikse vrouwen in 1790 dat ook vrouwen konden zetelen in een nationale vergadering. Maar die eis bleek utopisch: in het België van 1830 bleven de vrouwen politiek buitenspel staan.

Kinderen roepen in liberale kiespropaganda op om te stemmen voor hun mama.

De eis voor vrouwenstemrecht kaderde in een breder opzet om vrouwen te emanciperen, waarbinnen ook initiatieven rond onderwijs voor vrouwen werden genomen. Die kwamen vooral uit liberale hoek. In de socialistische beweging botste een principiële opstelling pro vrouwenstemrecht met een praktijk die van dat stemrecht niet echt een strijdpunt maakte. Ook binnen de katholieke beweging bestond de spanning tussen een principiële opstelling en een aarzelende praktijk.

Na de Eerste Wereldoorlog sloten de drie grote politieke families een compromis: socialisten en liberalen haalden het algemeen enkelvoudig stemrecht (voor mannen) binnen. Katholieken kregen het gemeentelijk stemrecht voor vrouwen én het passief stemrecht op alle andere politieke niveaus. Passief betekent dat vrouwen zelf niet konden stemmen, maar wel verkozen konden worden.

Verkiezingsdruk mét vrouwen voor de wetgevende en provinciale verkiezingen van 1949.

In de periode tussen de twee wereldoorlogen veranderde er nauwelijks iets. Pas in 1948 kregen vouwen in België volwaardig stemrecht. Ze oefenden dat voor het eerst uit in 1949. De eerste stembusgang van vrouwen veranderde weinig of niets aan de politieke machtsverhoudingen. Nu de strijd om stemrecht voor vrouwen achter de rug was, diende zich een nieuwe aan: die voor een gelijke vertegenwoordiging in de verschillende bestuursniveaus.

België in perspectief - Selectief overzicht van het jaartal waarin landen vrouwen volledig kiesrecht geven

  • 1906 Finland
  • 1915 Denemarken
  • 1917 Nederland
  • 1918 Duitsland
  • 1919 Oostenrijk
  • 1920 Verenigde Staten
  • 1922 Ierland
  • 1928 Groot-Brittannië
  • 1931 Spanje
  • 1932 Brazilië
  • 1934 Turkije
  • 1944 Frankrijk
  • 1947 Argentinië
  • 1948 België
  • 1949 Costa Rica
  • 1963 Afghanistan
  • 1967 Congo
  • 1971 Zwitserland
  • 1975 Angola
  • 2002 Bahrein
  • 2015 Saudi Arabië

Afbeelding rechts: Muur met slogans tegen Leopold III, 1950.

Verkiezingen zijn een wijdverspreide vorm van inspraak van burgers in het bestuur, maar ze zijn niet de enige mogelijke vorm. Zo zijn er ook referenda of volksraadplegingen, waarbij de bevolking zich rechtstreeks kan uitspreken over een politiek probleem. Referenda kunnen raadplegend (niet-bindend) of bindend zijn. In het eerste geval kan de overheid de uitslag in principe naast zich neerleggen.

In vergelijking met verkiezingen zijn referenda eerder zeldzaam, hoewel er landen zijn met een lange traditie van volksraadplegingen. Het bekendste voorbeeld is Zwitserland. Daar bestaan referenda op lokaal, regionaal en nationaal niveau. De onderwerpen zijn zeer verscheiden: van toetreding tot de Verenigde Naties in 2002, vier autoloze zondagen per jaar in 2003, tot invoering van één ziekenfonds in 2007.

Affiche uitgegeven in 1950 door de Belgische Socialistische Partij (BSP) voor een volksraadpleging over de koningskwestie.

Sommige referenda hebben een weerklank die verder gaat dan het land zelf waarin het wordt georganiseerd: zo kreeg het ‘minarettenreferendum’, waarbij een meerderheid van de Zwitsers in 2009 stemde tegen de verdere bouw van moskeeën in het land, internationale aandacht. Wellicht het bekendste referendum is dat van 23 juni 2016, waarbij een kleine meerderheid van de Britten stemde voor het verlaten van de Europese Unie.

Het eerste referendum in België werd georganiseerd in 1950, in een poging om de ‘koningskwestie’ op te lossen. Van bij het begin van de Tweede Wereldoorlog lagen de Belgische regering en de toenmalige koning Leopold III met elkaar overhoop. Ook na het einde van de oorlog raakte het conflict niet opgelost, integendeel: het leidde tot steeds grotere spanningen in het land.

Rijkswacht en betogers tegenover elkaar in Brussel tijdens de 1 mei-stoet van 1950.

Op 12 maart 1950 kon de bevolking zich in een niet-bindend referendum uitspreken over de vraag: “Zijt U de mening toegedaan dat Koning Leopold III de uitoefening van zijn grondwettelijke machten zou hernemen?”. In Vlaanderen vond 72 % van wel, in Wallonië was een meerderheid tegen. Op Belgisch niveau betekende dat een meerderheid van bijna 58 % voor de terugkeer van Leopold III. Het referendum loste de problemen niet op: na aanhoudende spanningen deed de koning afstand van zijn macht ten voordele van zijn zoon Boudewijn.

Brief van een psycholoog uit Den Haag aan de Belgische eerste minister Gaston Eyskens. De briefschrijver waarschuwt voor “emotioneel stemgedrag, zeker bij vrouwen” bij de volksraadpleging over de koningskwestie, 1949.

De gemeenteraadsverkiezingen van 1957 in Belgisch-Congo, waaraan voor het eerst mannelijke kiezers van Congolese origine mochten deelnemen. Deze foto’s werden gemaakt door de overheid, voor propagandadoeleinden.

In 1908 gaf Leopold II het bestuur over Congo door aan de Belgische Staat . Vanaf dat moment had het Belgische parlement wetgevende bevoegdheid over Belgisch-Congo. In 1948 kregen vrouwen in België eindelijk stemrecht, maar daarmee kregen niet alle mensen onder Belgisch bestuurlijk gezag gelijke stemrechten. In Belgisch-Congo was de situatie helemaal anders: er waren geen verkiezingen, Congolezen konden niet stemmen.

Verkiezingen Belgisch-Congo, 1957.

Die situatie veranderde toen de Congolese onafhankelijkheid in zicht kwam. De verandering begon bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1957 en brak helemaal door bij de provinciale en nationale verkiezingen van 1960, die zouden leiden naar de onafhankelijkheid. Maar wie zou mogen stemmen? Zowel aan blanke als aan zwarte zijde waren pleidooien te horen voor deelname van mannen én vrouwen aan de verkiezingen.

Verkiezingen Belgisch-Congo, 1957.

Maar de praktijk was anders: bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1957 mochten enkel mannen stemmen en dan nog maar vanaf 25 jaar. Ook de provinciale en nationale verkiezingen van 1960 waren een mannelijke aangelegenheid: enkel mannelijke Congolezen vanaf 21 jaar mochten stemmen. Amper twaalf jaar na de invoering van het stemrecht voor vrouwen in België kreeg de uitsluiting van Congolese vrouwen nauwelijks enige aandacht. Zij mochten pas in 1967 gaan stemmen.

Aan de vorming van het eerste Europees parlement in 1958 kwam helemaal geen verkiezing te pas. Alle toenmalige lidstaten vaardigden een aantal verkozenen uit het nationale parlement af naar Europa, allemaal aangeduid op basis van nationale wetgeving en interne afspraken. Pas twintig jaar later, in 1979, werden de Europarlementairen voor het eerst rechtstreeks verkozen. Op basis van zijn inwonersaantal krijgt elk land een aantal zetels toegewezen, met een minimum van 6, zodat ook de kleine landen een redelijke vertegenwoordiging hebben. In het Europees parlement zijn anno 2019 751 zitjes voorzien. De grootste slokop is Duitsland, met 96 zetels. België heeft recht op 21 zetels, eerlijk verdeeld over de Vlaamse, Franstalige en Duitstalige gemeenschap.

Na de verkiezingen van 2019 wijzigt de samenstelling van het parlement en verschuiven een aantal zetels ten gevolge van de Brexit. De 73 zetels van het Verenigd Koninkrijk verdwijnen en een 20-tal hiervan wordt herverdeeld onder de andere lidstaten.

Het stemrecht voor het Europees Parlement valt samen met dat voor het nationale (of federale) parlement, met één belangrijke extra regeling. Burgers uit de EU die in een andere lidstaat wonen, mogen daar hun stem uitbrengen op een kandidaat uit dat land en mogen zich zelfs in die lidstaat kandidaat stellen.

Links: Verkiezingsdrukwerk van econoom Louis Baeck (CVP/Europese Volkspartij) in het kader van de eerste Europese verkiezingen in 1979. Rechts: affiche uitgegeven in 1979 door de Belgische Socialistische Partij (BSP Brugge) voor de Europese verkiezingen (Karel Van Miert en Willem Content)

De rol en invloed van het Europees Parlement is doorheen de voorbij 60 jaar continu toegenomen. Net als alle parlementen heeft het Europees Parlement een wetgevende functie, keurt het begrotingen al dan niet goed, controleert het de uitvoerende macht of de Europese Commissie en spreekt het zich uit over internationale verdragen tussen de EU en derden, zoals handelsverdragen en toetredingen.

Liberale verkiezingspropaganda voor de Europese verkiezingen van 1979.

In de geschiedenis van het stemrecht speelt het criterium leeftijd een belangrijke rol. En dat is dubbel: op welke leeftijd mag je stemmen en hoe oud moet je zijn om verkozen te kunnen worden? Soms vallen beide samen, soms ook niet. Sinds 1981 is de stemgerechtigde leeftijd 18 jaar, daarvoor lag die op 21 jaar. In de 19de eeuw lag de grens nog op 25 jaar. De leeftijd waarop je verkiesbaar was, lag meestal hoger dan die waarop je kon kiezen. Sinds begin 2014 is dat niet meer zo: zowel voor de gemeente, de deelstaten als het federale parlement ligt de leeftijdsgrens nu op 18 jaar, zowel om te mogen kiezen als om verkiesbaar te zijn. Er blijft nog één uitzondering: voor het Europees Parlement mag je stemmen op 18 jaar, maar om verkozen te kunnen worden moet je 21 jaar zijn.

De huidige regeling is zeker niet definitief: vandaag draait de discussie over de verlaging van de stemgerechtigde leeftijd van 18 naar 16 jaar. Dat is in sommige landen al het geval, zoals in Brazilië en Oostenrijk. Bij ons is de discussie nog in volle gang. De politieke partijen zijn verdeeld over de kwestie. In Vlaanderen zijn CD&V, Open VLD, Sp.a, Groen en PVDA voorstander, NVA is tegen. In Franstalig België zijn MR en Ecolo voor, PS en CdH zijn tegen.

Affiche van de jongerenafdeling van de socialistische partij voor stemrecht op 16 jaar, zonder datum.

Een leeftijdsgrens stellen voor deelname aan verkiezingen is een lastige discussie: zijn mensen op 16-jarige leeftijd in staat om deel te nemen aan het politieke leven? Maar anderzijds: is dat het geval voor iedereen die 18 is? Zowel de Raad van Europa als het Europees Parlement hebben de leeftijd van 16 al vooropgesteld. En voor referenda mogen 16-jarigen al stemmen in België. Om het nog complexer te maken: moet er dan ook niet gedacht worden aan een bovengrens, een leeftijd waarop mensen niet meer mogen gaan stemmen? In Nederland wordt daarover al nagedacht.

Kaartje minimum stemgerechtigde leeftijd, wereldwijd.

Terug naar de discussie over de leeftijdsgrens van 16. Wat zijn de belangrijkste argumenten?

Tegen

  • jongeren zelf zijn geen vragende partij
  • jongeren van 16 jaar zijn niet ‘rijp’ genoeg

Voor

  • 16-jarigen stemrecht geven zal meer jongerenthema’s op de politieke agenda krijgen
  • 16-jarigen mogen vandaag al veel dingen die volwassenen mogen, zoals een eigen bankrekening hebben
  • het zal de interesse voor de politiek bij de groep jongeren tussen 16 en 18 doen groeien

Voor Bruno Vanobbergen, tot voor kort kinderrechtencommissaris, is het duidelijk: “Stemrecht op 16 is kwestie van tijd”.

Kiescampagnes namen doorheen de jaren steeds grootsere vorm aan. De partijen haalden alles uit de kast in hun strijd om de kiezer en schuwden daarbij geen enkel middel. De financiering van deze massale inzet van propaganda was op zijn best dubieus te noemen en dat werd in 1989 voor de eerste keer grondig aangepakt. De wet D’Hoore voerde een regeling in voor de financiering van de partijen én van de nationale/federale verkiezingscampagnes. De private financiering werd sterk aan banden gelegd en vervangen door een subsidieregeling op basis van het aantal zetels in de Kamer en de Senaat. Er kwam een uitgavenplafond per partij, per regio en per kandidaat en de wijze waarop je campagne mocht voeren, werd strikter afgebakend. In 1994 werd de financiering van de kiescampagnes voor de gemeenteraadsverkiezingen aangepakt. In de daaropvolgende 20 jaar werden de regels verder verfijnd en aangescherpt. Zo geldt in de 4 maanden voorafgaand aan de verkiezingen – de zogenaamde sperperiode – onder meer een absoluut verbod op afficheren op commerciële plakborden, op het lanceren van telefonische campagnes en op het uitdelen van gadgets zoals speelkaarten, ballonnen, lucifers, balpennen, bladwijzers, kalenders en boodschappentassen. Radio- en televisiereclame zijn aan banden gelegd en overheidsmededelingen mogen geen verborgen propaganda voor de zittende bewindsploeg zijn.

Links: CVP-politicus Wilfried Martens, van april 1979 tot maart 1992 eerste minister van België, voert campagne, van deur tot deur. Rechts: Zeppelin met verkiezingspropaganda voor de toenmalige PVV, 1974.

Een Europese richtlijn uit 2018 legt dan weer heel strikte regels op rond de privacy van de kiezers, waardoor het gebruik en de verwerking van persoonsgegevens voor campagnedoeleinden aan strenge voorwaarden wordt gekoppeld.

Hevige verkiezingscampagnes , hevige supporters…
Links: Stoet met oldtimers, verkiezingspropaganda PVV, 1974. Midden: Verkiezingsgadgets van de PVV, jaren 1960. Rechts: Affiche uitgegeven in 1989 door de Socialistische Partij (SP) voor de Europese verkiezingen.

Een vergelijkbaar debat woedde en woedt nog steeds rond de organisatie en bekendmaking van opiniepeilingen. Deze pogen immers niet enkel de kiesresultaten te voorspellen, maar hebben ook een impact op het kiesgedrag zelf, doordat mensen zich onbewust laten beïnvloeden door de resultaten van zo’n peiling. In 1985 werd een eerste wet op de opiniepeilingen gestemd, die naast een sperperiode van 30 dagen ook een aantal objectiviteits- en kwaliteitseisen oplegde. Ook deze regelgeving werd in de daaropvolgende jaren verder aangepast en bijgewerkt.

Links: Affiche uitgegeven in 1989 door de Europese Groenen voor de Europese verkiezingen. Rechts: Karel Van Miert deelt rozen uit, verkiezingscampagne jaren 1980.

De vervrouwelijking van de kieslijsten verliep decennialang heel stroef. De wet Smet-Tobback uit 1994 wou daar iets aan doen en beoogde een evenwichtige vertegenwoordiging op de kieslijsten. Vanaf 1994 werd de verplichting ingevoerd om de kieslijsten voor minimum 1/4 uit vrouwen te laten bestaan en vanaf 1999 mochten nog maximaal 2/3 van de kandidaten op een lijst van hetzelfde geslacht zijn.

Stem Vrouw zette in 2017 de genderverhoudingen in de politiek nog eens duidelijk in de verf (gegevens: overheidsdatabank Pinakes).

In 2002 werd deze maatregel verder aangescherpt. Elke regionale, federale en Europese lijst moest vanaf dan evenveel mannen als vrouwen tellen en de eerste twee plaatsen dienden naar een vrouw en een man te gaan. De gemeentelijke kieslijsten volgden wat later, met Wallonië en Brussel in 2005 en Vlaanderen in 2010. Wallonië en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gingen in 2018 nog een stap verder en voerden een verplicht ‘ritssysteem’ in voor de hele lijst. Brussel trok als eerste datzelfde jaar de lijn ook door naar de uitvoerende macht en bepaalde dat ook de schepencolleges minimaal voor 1/3 uit vrouwen (of mannen) moeten bestaan.

Het resultaat van deze maatregelen? Nemen we nu de Belgische gemeentebesturen anno 2017. Vrouwen leveren 50 % van de OCMW-raadsleden, 37 % van de gemeenteraadsleden, 34 % van de schepenen en amper 16 % van de burgemeesters. 98 burgermoeders tegenover 516 burgervaders … Er is duidelijk nog werk aan de winkel.

Anno 2019 kan je je ook de vraag stellen of het kiesrecht geen rekening moet gaan houden met genderneutraliteit. Een volgend discussiepunt?

Afbeelding rechts: Politiek drukwerk van De Volksunie uit 1964. De VU, in 1954 opgericht als Vlaams-nationalistische partij, woog jarenlang op het communautaire debat in België.

De communautaire breuklijn of de twist tussen de twee taalgemeenschappen heeft eveneens zijn stempel gedrukt op onze democratie. Al in de 19e eeuw was het duidelijk dat Noord en Zuid niet steeds dezelfde visie en aanpak deelden, laat staan dat beiden het eens raakten over een verdeling van baten en lasten. Dit leidde vanaf de jaren 1970 tot een reeks staatshervormingen, met als doel groeiende autonomie voor de regio’s en gemeenschappen. Zo ontstonden niet minder dan vijf deelparlementen: het Vlaams Parlement, het Parlement van de Franstalige Gemeenschap, het Waals Parlement, het Brussels Parlement en het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap. Oorspronkelijk werden ze samengesteld uit leden van het nationale parlement, maar sinds 1995 worden parlementsleden voor de deelparlementen rechtstreeks verkozen en kunnen parlementsleden niet langer in meer dan één parlement zetelen.

Pamflet (zonder datum, circa 1973-1974) waarin de Volksunie oproept tot federalisme en fel uitvaart tegen de Waalse eerste minister Leburton die geen Nederlands sprak.
Pamflet (zonder datum, circa 1973-1974) waarin de Volksunie oproept tot federalisme en fel uitvaart tegen de Waalse eerste minister Leburton die geen Nederlands sprak.

Wie mag nu gaan stemmen voor welk parlement? Voor het Vlaams Parlement stemmen alle stemgerechtigde mannen en vrouwen met de Belgische nationaliteit die in een Vlaamse gemeente wonen en de Vlamingen die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wonen. Het Brussels Parlement wordt samengesteld door de kiesgerechtigden uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het Waals Parlement door die uit Wallonië. Voor het parlement van de Duitstalige Gemeenschap wordt rechtstreeks gekozen door de kiezers van de kantons Eupen en Sankt Vith. Het parlement van de Franstalige Gemeenschap wordt niet rechtstreeks verkozen, maar bestaat uit alle verkozenen uit het Waals Parlement, aangevuld met 19 Franstalige verkozenen uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Met de invoering van het niet-bindend lokaal (gemeentelijk of provinciaal) referendum doet een eerste vorm van directe democratie zijn intrede. Deze wet maakt het mogelijk om, indien voldoende burgers een vraag van lokaal belang onderschrijven, de gemeente- of provinciebesturen die vraag rechtstreeks aan hun inwoners te laten voorleggen. Ook de besturen zelf kunnen, als ze dat willen, op eigen initiatief een vraag voorleggen en een referendum organiseren. In 1999 werd deze wet verder aangescherpt en werden de voorwaarden verzwaard.

In praktijk is het vooral de bevolking die van deze mogelijkheid gebruik maakt. De voorwaarden zijn echter niet min: minstens 10 % van de inwoners van de gemeente (tot 20 % in de minst bevolkte gemeenten) moet het verzoek ondertekenen, en 10 % (tegenover 40 % in de beginjaren) van de kiezers moet komen opdagen voor het referendum geldig is en de resultaten publiek worden gemaakt.

Sommige thema’s, zoals de heffing van belastingen en persoonlijke kwesties, zijn uitgesloten, maar verder kan eigenlijk best veel. Toch vallen de resultaten eerder magertjes uit tot nog toe. Zowel over de formulering van de vraag, waarop met ja of neen moet kunnen geantwoord worden, als over de interpretatie van het resultaat en de mate waarin politici bereid moeten zijn om daadwerkelijk rekening te houden met het resultaat, is nog veel onenigheid.

De meeste volksraadplegingen gingen tot nog toe over nutsvoorzieningen (zoals openbaar vervoer en de aanleg van parkeergarages) en over openbare werken in het algemeen, zoals de bouw van een cultureel centrum of een bibliotheek. Ook over grote stadsprojecten zoals de aanleg van de Oosterweelverbinding in Antwerpen werd al een referendum georganiseerd.

Heel lang was het vanzelfsprekend dat alleen mensen met de Belgische nationaliteit mochten stemmen. Twee evoluties stelden die evidentie in vraag. Door de stelselmatige uitbreiding van de Europese Unie kwamen steeds meer mensen uit andere EU-lidstaten in België wonen. In 1996 ging op dit vlak een Europese regeling van kracht: burgers uit een EU-lidstaat kregen stemrecht voor gemeentelijke verkiezingen. Het gaat daarbij zowel om actief als passief stemrecht, zowel om mogen kiezen als verkozen mogen worden.

Links: Verkiezingsdrukwerk uit 2004 waarin het Vlaams Blok zich tegen het migrantenstemrecht uitspreekt (uit de collectie van ADVN - Archief voor nationale bewegingen). Rechts: affiche uitgegeven door het Anti-Fascistisch Front, 1991.

Een tweede ontwikkeling was het groeiend aantal mensen van buiten de Europese Unie dat in België kwam wonen. Vanaf de jaren 1960 ging het vooral om ‘gastarbeiders’, later kwamen daar nog vluchtelingen en asielzoekers bij. En dan is er ook nog een groeiend aantal ‘expats’: mensen uit landen als Japan en de Verenigde Staten die hier dikwijls goedbetaalde jobs hebben in bedrijven of die werken in één van de internationale organisaties die in België gevestigd zijn. Vanaf 2004 mogen zij ook stemmen bij gemeenteraadsverkiezingen, maar ze moeten zich wel vooraf laten registreren. Relatief weinig mensen doen dat.

In beide gevallen ging het om uitbreiding van het stemrecht zonder opkomstplicht terwijl voor Belgen stemrecht mét opkomstplicht bleef bestaan. De discussie stemrecht versus stemplicht laaide weer op: moet je mensen die stemrecht hebben ook verplichten om dat recht uit te oefenen? Zowel voor- als tegenstanders dragen heel wat argumenten aan.

Argumenten pro:

  • opkomstplicht doet de interesse in politiek toenemen
  • belangstelling van de kiezer is gebonden aan zijn/haar sociale positie; bij kiezers die lager op de sociale ladder staan, is er minder interesse voor actieve deelname aan het democratische spel; opkomstplicht compenseert dat
  • opkomstplicht stimuleert de informatiewinning door de kiezer
  • opkomstplicht beperkt de toename van andere politieke middelen, zoals straatgeweld
  • opkomstplicht doet de partijen luisteren naar de niet-geïnteresseerde kiezer
  • opkomstplicht geeft verkiezingen een grotere legitimiteit
  • opkomstplicht betekent maar een kleine inperking van de individuele vrijheid
  • opkomstplicht verhindert ‘free riding’ (je wil wel de voordelen van de democratie, maar niet de nadelen, zoals gaan kiezen).
Button met tekst: Stemrecht voor gastarbeiders, 1982.

Argumenten contra:

  • opkomstplicht vertekent het verkiezingsresultaat in het nadeel van de mensen die wel politiek geïnteresseerd zijn
  • er gaat meer aandacht naar de campagne
  • partijen moeten meer inspanningen doen om de kiezers te overtuigen om te gaan stemmen
  • hoge opkomst is gevaarlijk voor de democratie omdat dan veel niet-geïnteresseerden gaan stemmen voor bijvoorbeeld populistische of extremistische partijen
  • opkomstplicht zondigt tegen het ideaal van de individuele vrijheid en is dus ondemocratisch
  • opkomstplicht beschadigt het vertrouwen van de burger in de politiek; is nadelig voor de politieke participatie en vergroot zo de kloof met de burger
  • Belgen die in het buitenland wonen hebben stemrecht, maar geen opkomstplicht
Het Vlaams Blok profileert zich in zijn verkiezingsdrukwerk als antimigratiepartij (uit de collectie van ADVN - Archief voor nationale bewegingen).

En hoe zit het in de rest van de wereld? In de meeste landen bestaat geen opkomstplicht. In sommige landen waar die wél bestaat, wordt ze afgedwongen. Dat gebeurt meestal met een geldboete, soms met een gevangenisstraf en in het unieke geval van Noord-Korea met de doodstraf. In een aantal andere landen met opkomstplicht wordt die niet afgedwongen. België behoort daartoe: wie hier niet komt stemmen, wordt in de praktijk met rust gelaten.

Afbeelding links: Enkele migrantendiscussiëren met een kiesformulier in de hand over het migrantenstemrecht. Jaren 1990. (Fililp Claus)

Bronnen

Tenzij anders vermeld, komen de illustraties uit de collecties van Rijksarchief, Liberas en Amsab-ISG.

Colofon

Deze digitale tentoonstelling is uitgewerkt door het Rijksarchief (Geertrui Elaut), Liberas (Bart D’hondt) en Amsab-Instituut voor Sociale Geschiedenis (Mario Van Driessche en Piet Creve).

Report Abuse

If you feel that this video content violates the Adobe Terms of Use, you may report this content by filling out this quick form.

To report a copyright violation, please follow the DMCA section in the Terms of Use.