Loading

Nlds - Woordsoorten 5 t/m 10 mei 2019

Gooi het antwoordformulier niet weg!

KIJK WAT JE FOUT HEBT GEDAAN EN BESTUDEER DAT ONDERDEEL!

(Alles wat je niet tijdens de les hebt ingevuld, telt NIET mee!)

Opdracht 1

Lidwoorden

de of het?

1. … frame

2. … mobiel

3. … kaas

4. … logo

5. … communisme

6. … sentiment

7. … probeersel

8. … lustrum

9. … verwantschap

10. … overheid

Opdracht 2

Zelfstandig naamwoord

Hoeveel zelfstandige naamwoorden staan in de zinnen? (Schrijf het getal op!)

1. Snel rennen is mijn favoriete sport.

2. Ik heb mijn mail vandaag al drie keer gecheckt.

3. De professor wist geen raad met mijn antwoord.

4. De pragmatische aanpak van het fileprobleem inderdaad geleid tot minder files.

5. De Tweede Kamer is een gremium en ook gemeenteraden, of een ondernemingsraad binnen een bedrijf zijn voorbeelden van gremia.

6. Het is een genot om te luisteren naar deze eloquente spreker.

7. De onderneming heeft dit jaar een kleine winst gemaakt.

8. Wij hebben hem recent nog bezocht.

9. De duif heeft een kleine afwijking aan haar vleugel.

10. In de auto gaat meer dan vijftig liter benzine.

Opdracht 3

Bijvoeglijk naamwoord

Welk woord is een bijvoeglijk naamwoord?

1. De geplastificeerde kaarten lagen op de tafel in de hoek van het lokaal.

2. Dat schept een realistisch beeld van de maatschappij.

3. Deze razendsnelle auto staat te koop.

4. Moet je nu al je nieuwe fiets naar de fietsenmaker brengen?.

5. Gisteren wilde ik voor jou het houten beeldje uit de kringloopwinkel kopen..

6. Die rood geverfde deur is gisteren uit het kozijn gehaald.

7. Jij hebt je met die dure make-up wel mooi opgemaakt.

8. Dat moeilijke probleem heb jij slim opgelost!.

9. Als je wilt slagen voor dat lastige examen zul je heel hard moeten werken.

10. Mijn telefoon zit in een roze hoesje met een vakje voor betaalpasjes.

Opdracht 4

Voorzetsel

Hoeveel voorzetsels staan in de zinnen? (Schrijf het getal op!)

1. Naast de kooi van de papegaai staat een grote plantenbak.

2. Op het feest bij Janneke heb ik Marjet voor het eerst ontmoet.

3. We gingen met zijn allen naar de bioscoop in Enschede.

4. Vanaf de gang loop je via de keuken naar de badkamer toe.

5. Twee hondjes liepen een heel stuk met ons mee langs de rand van het bos.

6. Zonder eten ben ik vanmorgen van huis naar school gegaan.

7. De politie was snel ter plaatse, nadat de buren op nummer 10 het alarmnummer hadden gebeld met hun mobiele telefoon.

8. Voor die toets heb ik een goed cijfer gehaald dankzij de extra uitleg van mijn klasgenoot!

9. Bij Malle Pietje aan de Weerdingestraat kun je leuke cadeautjes vinden voor verjaardagen en andere feestjes.

10. Die verdediger van het andere team was al eerder uit de wedstrijd gehaald.

Opdracht 5

Persoonlijk voornaamwoord

Geef aan wat de persoonlijke voornaamwoorden zijn in de volgende zinnen.

1. 1. Kun je jouw spullen even op de kamer van Peter leggen?.

2. Waarom nodig je me niet uit voor dat feest?.

3. Wil hij dat ik aan je tafel kom zitten?

4. Op mijn feestje wil ik Jan niet zien!

5. Sommige mensen kunnen mij niet boeien.

6. Zij hebben hun huiswerk niet gemaakt.

7. Dat moet je niet aan hen vragen.

8. Vinden jouw ouders het wel goed?

9. Ik heb het hun net nog gevraagd.

10. Hun fietsen heb ik niet aangeraakt.

Opdracht 6

Bezittelijk voornaamwoord

Welk woord is een bezittelijk voornaamwoord?

1. Welke van de twee is nu haar tas?

2. Waarom heeft hij jouw huiswerk gemaakt?

3. Welke methode is naar zijn mening de beste?

4. Vorige week is hun stal in vlammen opgegaan.

5. Jouw tante had zoiets nooit van jou verwacht.

6. Na het overvloedig diner kwam onze kat met een bolle buik onder de tafel vandaan.

7. Weet jij welke vragen hij op ons tentamen stelt?

8. Onze hersenen zijn anders ontwikkeld dan die van de apen.

9. Ga jij met je moeder naar de stad?

10. Volgens mij heb jij je zaakjes aardig goed geleerd.

Opdracht 7

Wederkerend voornaamwoord

Wat is het wederkerend voornaamwoord?

Bij meerdere, dezelfde, geef aan: 1e, 2e of 3e!

1. Vermaak je je een beetje bij je vrienden?

2. Bas en Hidde nemen zich elke dag voor om niet te veel te kletsen tijdens mijn les.

3. Francien verslikt zich in die enorme zuurtjes van jou.

4. Wij bemoeien ons niet met jouw zaken!

5. Jullie hoeven je niet druk te maken over zijn cijfers, hoor.

6. Die jongens uit drie havo moeten zich een beetje inhouden, vind ik.

7. Ik heb geen idee waar hij zich weer aan ergert.

8. Moet je je nog wassen, vandaag?

9. Wij laten ons niet zo gemakkelijk overhalen.

10. Jij weet je nooit wat te herinneren van wat ik vertel.

Opdracht 8

Vragend voornaamwoord

Geef aan wat het vragend voornaamwoord in de onderstaande zinnen is.

1. Ik weet niet welke opdrachten je moet maken.

2. Wat voor een hond hebben jullie eigenlijk?

3. Kan jouw moeder uitzoeken welke bus ik moet nemen naar school?

4. Mag ik zien wat voor cd's je hebt geleend?

5. Wat voor een hond hebben jullie eigenlijk?

6. Kun jij me vertellen wiens idee dat was?

7. Hoe weet ik welk beroep bij mij past?

8. Weet jij wie zich voor de wedstrijd hebben ingeschreven?

9. Ik vraag me weleens af wat een huis in het Gooi nou eigenlijk kost.

10. Wie hoor ik daar?

Opdracht 9

Aanwijzend voornaamwoord

Geef aan wat het aanwijzend voornaamwoord in de onderstaande zinnen is.

1. Deze ketting vind ik het mooist.

2. Ik vind dat vrolijke meisje erg leuk.

3. Hij heeft net zulke mooie schoenen als Mark.

4. Dit vind ik erg leuk.

5. Ik vind deze niet moeilijk.

6. Niet iedereen heeft naar Lingo gekeken op die avond.

7. Uiteraard is dat programma nog te bekijken op internet.

8. Deze week ga ik een ander boek lezen.

9. Is Joost er al? Nee, die heb ik nog niet gezien.

10. Zulke dingen kun je niet ongestraft doen.

Opdracht 10

Betrekkelijk voornaamwoord

Geef aan wat het betrekkelijk voornaamwoord in de onderstaande zinnen is.

1. De sollicitant die als eerste reageerde, was ook de beste.

2. De rechters wie de vraag was voorgelegd, spraken zich duidelijk uit.

3. De stagiair vertelde enthousiast over het plan dat hij ’s nachts bedacht had.

4. Fenna wilde graag naar de speeltuin, wat haar moeder een uitstekend idee vond.

5. Wie niet mee wil doen, kan hier op ons wachten.

6. Het deftige dametje dat jou aansprak, woont in die villa verderop.

7. In dat boek staat alles wat je moet weten.

8. Een leerling die spiekt, verdient een slecht cijfer!

9. In de vakantie kon ik lang uitslapen, wat ik heel erg fijn vond.

10. De vakantie die achter ons ligt, was veel te kort.

Opdracht 11

Voegwoord

Geef aan wat het voegwoord in de onderstaande zinnen is.

1. Aangezien het vliegtuig vertraging had, waren we te laat.

2. Hoewel hij niet van haar houdt, wil hij toch met jaar trouwen.

3. Ik ga naar huis, want ik ben ziek.

4. Jan is moe en Els is ziek.

5. Nadat ik was vertrokken, haalden ze de lekkere koeken boven

6. Sinds ik in België woon, ben ik vaker ziek.

7. Ik wil Nederlands leren, maar ik heb geen tijd.

8. Terwijl ik aan het afwassen was, kwam hij binnen.

9. Ik heb een tent gekocht, want ik hou van kamperen.

10. We komen naar de les of we blijven thuis.

Opdracht 12

Alle woordsoorten

Benoem de woorden die tussen haakjes staan.

1. (Misschien) hadden wij dat beter wel kunnen doen.

2. Wanneer is Tibor (jarig)?

3. Het slot (van) die film valt wat tegen.

4. Zet de (televisie) maar op de tafel.

5. Iedereen vond het voorstel van (haar) goed.

6. (Gisteren) heb ik naar enkele pittige debatten in de Tweede Kamer zitten kijken.

7. Gisteren heb ik naar enkele (pittige) debatten in de Tweede Kamer zitten kijken.

8. Gisteren heb ik (naar) enkele pittige debatten in de Tweede Kamer zitten kijken.

9. Het laatste debat dat ik zag, was (leerzaam) voor wie wil leren debatteren.

10. Het laatste debat (dat) ik zag, was leerzaam voor wie wil leren debatteren.

willembunnik@gmail.com

© 2019 - W. Bunnik

Credits:

Created with an image by ulleo - "calendar 2019 year"

Report Abuse

If you feel that this video content violates the Adobe Terms of Use, you may report this content by filling out this quick form.

To report a copyright violation, please follow the DMCA section in the Terms of Use.