Loading

Leeg Geheugen Photo's & Tekst ©Sjaak Verboom

Mensen zonder geheugen, zo worden ze wel genoemd. Mijn eigen geheugen was leeg toen ik aan deze waanzinnige queeste begon. Hoe oud was ik? Eénentwintig, misschien tweeëntwintig jaar. Niets had ik meegemaakt.

Opgegroeid in een vooraf beschreven wereld waar je wist waar je aan toe was. Ik hoorde bij de 'wij' die veilig leefden in de omstrengeling van onze eigen zuil. Aten en dronken. Huwden, geboren deden worden en stierven op Zijn tijd. Een beschreven wereld.

Toen werd ik eenentwintig - volwassen zeiden ze de volwassenen - en toen brandden mijn ogen. Het was hetzelfde vuur als tijdens mijn kinderjaren, dezelfde rook, dezelfde tranen in mijn ogen - hoe vaak stookten wij niet stiekem vuurtjes?

Maar nu zag ik achter die blauwe rook een andere wereld: Een jong kind naast een moeder van honderd jaar. Tussen haar benen spoot een straal bloed uit een kip zonder kop. Haar tandeloze mond lachte, ze stookte het vuur hoog op, roosterde vlees, bood mij een bout. Ik zag haar zwartberoete handen, het kind nestelde zich op mijn schoot.

Niet veel later reed ik opnieuw naar hen toe, maar het land was leeg, het kind verdwenen, het vuur gedoofd. Zigeuners hebben geen blijvende stad. Ik stond op het lege landje en keek naar de horizon.

Die lijn, daar waar de hemel de aarde raakt is voor hen geen begrenzing, dacht ik. Voor nomaden is de horizon een weg waarover een mens kan gaan.

Waarover ik leerde gaan.

Vele jaren later, aan het eind van die weg, landde ik in Irian Jaya. Verder kan een mens niet reizen. Onze dag is hun nacht. Daar brandde opnieuw een vuur. Een kind speelde eindeloos met een vogeltje dat hij met pijl en boog geschoten had. Hij spreidde de vleugeltjes, een zuchtje wind streelde mijn wang. Toen stond hij op, plukte kalm de veertjes en roosterde het beestje boven het vuur. Tussen het moment van de jacht en het moment van oppeuzelen lag uren.

De tijd, die lijken ze daar niet te kennen. Maar dat is bedrog.

Alles wat een begin heeft is onderworpen aan de tijd en daarmee de vergankelijkheid. Zie dat pasgeboren kind in Uganda. Het denkt nergens aan. Het herinnert zich niets. Het ligt daar, bijna blank. Dat handje, die gespreide vingertjes alsof het alles tegelijk wil omvatten. Vijftien of twintig jaar geleden was de hand van de moeder zoals die van haar kind, bijna blank, zonder lidtekens.

In Ethiopië spelen kinderen ondanks de hitte in de felle zon. Ze plukken pluisjes in het veld en rennen en lachen. Ze spelen met de wind en de wind speelt met hen.

‘Ik reis niet. Ik wil niet reizen. Hier werd ik geboren, werd mijn vader geboren en zijn vader. Dit is de plaats die God ons geeft. Van dit huis tot aan de horizon.’

Ik neem lucifers van tafel en steek een kaars aan. ‘Deze hele wereld is de plaats die God ons geeft,’ zeg ik. Hij wuift met zijn hand. Ik zwijg. Dit gesprek hebben we al zo vaak gevoerd. We kennen elkaar.

Na een reis ga ik altijd even naar hem toe, naar de oude Bosman. Hij woont in een oud huisje net buiten ons dorp. Ik ga naar hem toe om thuis te komen. Bosman is zijn hele leven nooit echt op reis geweest. ‘De vogels reizen voor mij,’ zegt hij. Op het erf scheldt hij tegen de vliegtuigen die strepen trekken tegen de hemel boven zijn huis. Daar speelt hij zijn spel met de vogels.

Overal kwam ik kinderen tegen. Eindeloos heb ik ze gefotografeerd, met ze gespeeld, gelachen. Bij ze gezeten.

En ondertussen werd mijn vierde kind geboren. Niemand was erbij. Alleen de moeder en het kind, mijn zoon. Het gebeurde zomaar op de vloer van de huiskamer, op het kleed tussen de duplo. Toen ik thuis kwam en hen zag liggen, riep ik: ‘Liggen blijven. Eerst foto’s maken!’ Beroepsdeformatie.

In Bulgarije worden baby’s gedoopt door onderdompeling. Verbaasd kijkt het mannetje om zich heen voordat het resoluut verdwijnt in de ton met water. Een beter begin is nauwelijks denkbaar. Later weet hij niets meer van dit moment. De klikkende camera van die fotograaf uit Nederland - geen herinnering. Of toch, hij zal van zijn doop weten door de verhalen van zijn vader en moeder. Een geheugen met geleende herinneringen.

De twee jongens hoeven het niet te doen met de verhalen van anderen. Zij herinneren zich alles: De paniek in de ogen van hun moeder. Het schudden van de aarde door de bombardementen van Saddam Hoessein. De vlucht. De angst. De ijzige vrieskou van het hooggebergte.

Ze lijken zo groot in die malle jassen. Bijna volwassen. Maar het zijn kinderen.

In het westen zijn kinderen misschien mensen zonder geheugen, maar in de rest van de wereld niet. Overal kwam ik ze tegen: kinderen met een hoofd en een lijf vol herinneringen.

‘Om die kinderen te laten zien,’ zeg ik tegen Bosma. ‘Daarom reis ik naar hen toe.’ ‘Je bedoelt: Om mij te laten zien,’ antwoordt hij spitsvondig. ‘Die kinderen zijn niet blind.’

Ik haal mijn schouders op. ‘Ze zijn mijn naaste niet,’ voegt hij er aan toe. En het is vreemd, maar uit zijn mond klinkt dat niet hardvochtig. Ik zit met de iPad op schoot en toon hem mijn beelden. ‘Nu wel,’ zeg ik, ‘nu je ze gezien hebt, ben jij hun naaste geworden.’

Hij loopt naar buiten en roept naar de hemel. Aan de wolken verschijnen stippen en even later is het grasveld bezaaid met vogels. Bosman, hij spreekt de taal van de vogels.

En toch speelt dat meisje met haar zusje. Ook zij zijn vluchteling. De helft van de wereld lijkt wel op de vlucht. Zij komen uit Tsjetsjenië en wonen in verlaten treinstellen in buurland Ingoesetië. Vergeten door de internationale gemeenschap spelen zij verstoppertje.

Als ik weer thuis ben, tref ik hem buiten, op het erf. Het is voorjaar. Een vogeltje rust in zijn hand. Hij groet mij niet, vraagt niet waar ik ben geweest. Hij streelt het kopje, de veertjes. ‘Je bent weer terug,’ hoor ik hem fluisteren, Bosman.

Zonder mij aan te kijken praat hij verder, en nu begrijp ik dat de eerste woorden niet voor mij waren, maar voor de vogel.

‘Dit vogeltje,’ zegt hij dan zonder op te kijken. ‘Weet jij hoe vogels dat doen? Ze reizen naar de andere kant van de wereld, en altijd keren ze weer terug naar mij. Ik hoef niet te reizen. De vogels reizen voor mij.’

Ik moet aan Bosman denken als ik na de oorlog in Kosovo over een provisorisch kerkhof loop. De zomer is voorbij, het regent. Boven de bloemenschilden cirkelen zwarte vogels, raven. Er is geen sterveling te bekennen tot ik hem zie: Een zigeunerjochie. Hij is bang voor mij, maar de nieuwsgierigheid wint het uiteindelijk toch. Ik maak foto’s.

Hij neemt me mee naar zijn huisje. Zijn moeder plukt een kip. Het huis staat vol rook van het fornuis. Mijn ogen branden. Tijdens de maaltijd kunnen we niet praten, er is geen gemeenschappelijke taal. En zo vormen de verhalen zich in mijn hoofd.

Ik denk terug aan die eerste ontmoeting met zigeuners die de horizon voor mij heeft opengebroken. Aan al die ontmoetingen. Aan het kind in Rwanda dat ternauwernood de genocide overleefde. Kinderen met een geheugen.

Plotseling raakt iets mijn hand. Het is het jochie, het nestelt zich op mijn schoot. Hij kijkt mij aan met grote ernstige ogen.

Buiten vliegen de vogels naar het zuiden.

Photo's & Tekst © Sjaak Verboom

Credits:

Text & Photo's © Sjaak Verboom