Loading

ACHTERGROND KENMERKEN VAN CYBERDADERS EEN VEILIG DIGITAAL SPECIAL

(Samengesteld uit het WODC rapport 'Cyberdaders: uniek profiel, unieke aanpak')

Demografische kenmerken

Leeftijd

Het grootste deel van de cybercriminaliteit in enge zin - gericht op infrastructuur- wordt gepleegd door daders jonger dan twintig jaar. Dit geldt zowel voor hacken als voor de bredere categorie cybercriminaliteit in enge zin (naast hacken o.a. ook het uitvoeren van DDoS-aanvallen en malware verspreiden).

De leeftijd waarop gestart wordt met cybercriminaliteit is relatief laag.

Het leeftijdscriminaliteitspatroon wijkt daarmee niet af van die van traditionele daders. Voor sommige delict typen ligt de leeftijd waarop gestart wordt met cybercriminaliteit echter wel relatief laag. In een onderzoek onder 535 hackers blijkt dat 61% van de ondervraagden begon met hacken tussen het 10e en 15e levensjaar, 32% tussen het 16e en 20 levensjaar en 8% na het 21ste levensjaar.

Bij meer financieel georiënteerde georganiseerde cybercriminaliteit, waarin onder andere het maken en distribueren van malware een belangrijke activiteit is, lijken relatief vaker volwassen daders betrokken te zijn. In onderzoek onder 107 cyberverdachten lag de leeftijd tussen 17 en 72 met een gemiddelde van 37 jaar. De subgroep verdachten die zich met de feitelijke ICT georiënteerde activiteiten bezighield was met gemiddeld 29 jaar wel jonger dan de andere verdachten. Deze subgroep lijkt jonger dan daders van traditionele vormen van georganiseerde misdaad.

Het beeld dat uit literatuur naar voren komt ten aanzien van de leeftijd van cyberdaders, wordt grotendeels bevestigd door de experts in de interviews. Een belangrijk verschil is echter dat de experts een grotere bijdrage van de jongvolwassenen vermelden. De leeftijd van daders van cybercriminaliteit in enge zin kan volgens de experts variëren van 11 tot en met 60 jaar, maar de jongeren (12-18 jaar) en de jongvolwassenen (18-23 jaar) behelzen de grootste categorie binnen de dadergroep. Het beeld dat de startleeftijd vaker lager ligt dan bij traditionele daders wordt door enkele experts bevestigd. Een expert van de politie haalt hier het voorbeeld aan van een 12-jarige jeugdige dader die administrator (beheerder) was op een cybercrimineel platform.

Wat betreft de financieel georiënteerde georganiseerde criminaliteit, geven experts (voornamelijk politiemedewerkers) in de interviews aan dat er een categorie volwassen daders bestaat die al actief is in de traditionele misdaad en die op latere leeftijd de overstap maakt naar cybercriminaliteit. Daarbij maken ze zichzelf soms bepaalde (IT) vaardigheden eigen of gaan samenwerken met iemand (vaak een jonger persoon) die deze IT vaardigheden al bezit. In dit kader wijzen diverse experts op actieve rekrutering van (jonge) technische specialisten, alhoewel er weinig bekend is (ook niet in de literatuur) over hoe frequent dit gebeurt.

De verklaring voor het feit dat jeugdigen mogelijk een groot aandeel hebben in cybercriminaliteit in enge zin, wordt in de literatuur vooral gezocht in het feit dat het internet tegenwoordig (op steeds jongere leeftijd) een belangrijk onderdeel uitmaakt van hun educatieve en recreatieve omgeving. Tegelijkertijd is de adolescentie een turbulente periode waarin jeugdigen allerlei biologische, psychologische en sociale veranderingen ondergaan en volop experimenteren en risicovolle activiteiten ondernemen. Het internet biedt juist daar nieuwe mogelijkheden voor, inclusief het plegen van cybercriminaliteit Het feit dat jeugdigen zo vroeg starten met het plegen van cybercriminaliteit, wordt door verschillende experts tevens gekoppeld aan het feit dat jeugdigen al vroeg beginnen met gamen en via de gaming wereld bij cybercriminele activiteiten terechtkomen

Van de 14 volwassen daders die zijn geïnterviewd, pleegde een groot deel (N=9) de delicten uitsluitend of voornamelijk toen ze jonger dan 18 jaar waren. Kortom, zowel uit de literatuur als uit de interviews blijkt dat er een sterke oververtegenwoordiging is van jongeren onder de cyberdaders, maar er zijn geen sterke aanwijzingen dat deze oververtegenwoordiging groter is dan bij traditionele criminaliteit. Daar waar het om een relatief vroege startleeftijd gaat zou dat vooral de subgroep van hackers betreffen. Met name door de experts wordt verder benadrukt dat ook jongvolwassenen oververtegenwoordigd zijn onder daders van cybercriminaliteit in enge zin.

Sekse

De literatuur beschrijft dat het overgrote deel van de daders van cybercriminaliteit in enge zin man is zowel als het gaat om jeugdige daders als volwassen daders.

Er zijn indicaties dat vrouwen betrokken zijn bij de meer financiële cyberdelicten zoals phishing.

Exacte percentages mannelijke daders die in studies genoemd worden, liggen tussen de 78 en 95%. Vrouwelijke daders blijken wel actief in cyberdelicten zoals online fraude, maar zijn nauwelijks actief in de meer technische delicten.. Vierennegentig procent van de 535 onderzochte hackers is man. Dit percentage komt overeen met gevonden percentage mannen onder daders van traditionele criminaliteit.

Voor de bevinding dat bij hacken mannen relatief sterk vertegenwoordigd zijn, geeft de literatuur verschillende verklaringen.

  • Een eerste verklaring is dat mannen en vrouwen psychologisch van elkaar verschillen. Zo zijn mannen meer geïnteresseerd in wiskunde en logica.
  • Een tweede hiermee verbonden verklaring is het feit dat kinderen worden getraind om bepaalde genderrollen aan te nemen. Techniek is doorgaans een veld dat wordt toebedeeld aan het mannelijke domein. Mannen hebben daardoor een sterke behoefte aan hard mastery. Dit verwijst naar de drang om machines te beheersen, een aspect dat ook in latere hackerstudies terugkomt
  • Een derde verklaring is de maatschappelijke druk waar jonge mannen mee te kampen hebben. Jongens worden geacht zich als ‘echte mannen’ te gedragen, wat inhoudt dat er van ze wordt verwacht dat ze autoriteit, controle en macht uitoefenen over anderen. Hacken biedt de mogelijkheid om deze controle en macht te verkrijgen.
  • Een vierde verklaring die in de literatuur wordt aangehaald, gaat vooral in op factoren die vrouwen ontmoedigen om een hacker te worden. De masculiene en competitieve hackerwereld zou vrouwen afschrikken en het gebruik van technisch en mannelijk jargon sluit vrouwen buiten. Daarnaast wordt aangegeven dat vrouwen minder geaccepteerd worden in online sociale gemeenschappen en ook met een zekere argwaan worden bejegend. Men signaleert echter op basis van participerende observatie dat dit langzamerhand begint te veranderen.

Met name de eerste twee verklaringen zijn bruikbaar om te begrijpen waarom de man-vrouw ratio bij hacken groter is dan bij traditionele criminaliteit. De laatste twee verklaringen zijn minder bruikbaar, die spelen immers ook een rol bij traditionele criminaliteit. Overeenkomstig de literatuur signaleren de experts dat daders van cybercriminaliteit in enge zin voornamelijk jongens en mannen zijn. Enkele experts van de politie geven aan dat vrouwen wel geregeld betrokken zijn bij hacken in de conflictsfeer, waarbij het overigens niet gaat om de toepassing van geavanceerde technieken. Ook zijn er volgens hen indicaties dat vrouwen soms betrokken zijn bij de meer financiële cyberdelicten zoals phishing.

Alle geïnterviewde daders zijn man. Bij enkele respondenten is als drijfveer het hebben van macht en controle over de machine naar voren gekomen. Juist deze drijfveer draagt volgens de literatuur bij aan de verklaring voor het relatief grote man-vrouw verschil in daderschap van cybercriminaliteit in enge zin ten opzichte van traditionele criminaliteit.

Samenvattend, maken alle bronnen duidelijk dat er net als bij traditionele criminaliteit onder jeugdige en volwassen daders van cybercriminaliteit een sterke oververtegenwoordiging is van mannelijke daders. Bij hacken blijkt volgens een groot deel van de studies dat deze oververtegenwoordiging van mannen zelfs nog sterker te zijn dan bij traditionele criminaliteit. Er zijn wel indicaties dat vrouwen betrokken zijn bij (laagdrempelige vormen van) hacken in de conflictsfeer en soms een rol spelen bij delicten zoals phishing.

Etniciteit

Nederlandse en buitenlandse studies beschrijven dat daders van cybercriminaliteit in enge zin voornamelijk autochtone daders zijn.

Onderzoek liet zien dat er onder volwassen daders meer autochtonen (71%) in de cybercriminaliteit (in enge zin) groep zaten dan in de groep met traditionele criminaliteit (66%). De andere etniciteiten (overigens niet gespecificeerd in het onderzoek) waren in hun onderzoek gelijk verdeeld in beide groepen.

Voor jeugdige (minderjarige en jongvolwassen) daders van cybercriminaliteit in enge is bovendien gevonden dat zij ook vaker autochtoon zijn dan traditionele daders. Voor bepaalde subgroepen is die oververtegenwoordiging van autochtone daders minder prominent. Uit onderzoek bleek dat van de 323 jeugdige en volwassen verdachte crackers 59% autochtoon, 12% Westers allochtoon en 29% niet-Westers allochtoon was. Daarmee ligt de verhouding volgens hen niet heel anders dan bij verdachten van traditionele criminaliteit.

De experts doen weinig uitspraken over de etnische achtergrond van cyberdaders. De informatie die wel uit de expertinterviews komt, lijkt vrij sterk overeen te komen met wat er in de literatuur naar voren komt. Men veronderstelt dat (jeugdige) daders die betrokken zijn bij de meer technische delicten waar lol, plezier en technologische uitdaging op de voorgrond staan, voornamelijk autochtone Nederlanders zijn. Als het gaat om cyberdelicten waar financieel gewin de belangrijkste drijfveer is en waar sprake is van een georganiseerd verband, wordt een relatief grotere deelname verondersteld van vooral niet-Westerse allochtonen.

Zo wordt gesuggereerd dat Russische of Oost-Europese daders of dadergroepen voornamelijk actief zijn bij vormen van cybercriminaliteit waarbij geavanceerde (banking) malware wordt gebruikt. Ook zijn zij betrokken bij delicten als creditcardfraude. Als het om phishing of cyberoplichting gaat, bestaan er volgens enkele politie-experts aanwijzingen dat hier regelmatig Noord- en West-Afrikaanse daders bij betrokken zijn. Er is echter weinig bekend over hoe frequent dat is en hoe de verhoudingen liggen. Kortom, het enige wat we op basis van de bevindingen met enige zekerheid kunnen zeggen over de etniciteit van daders, is dat er relatief meer autochtone dan allochtone jeugdigen bij cybercriminaliteit betrokken zijn en dat er bij fraude-gerelateerde cyberdelicten en georganiseerde misdaad een relatief groter aantal autochtone daders betrokken lijkt te zijn.

Sociaaleconomische kenmerken en vrijetijdsbesteding

Sociaal milieu/sociaaleconomische status

Uit oudere studies komt het beeld naar voren dat hackers doorgaans tieners zijn of studenten uit relatief welgestelde middenklasse gezinnen.

Cyberdaders komen volgens de experts vaak uit een gezin waarin beide ouders werk hebben of hadden.

Recenter onderzoek naar cyberdaders geeft weinig informatie over het sociaal milieu of de sociaaleconomische klasse waaruit daders van cybercriminaliteit komen. Enkele kwalitatieve studies brengen naar voren dat de meeste hackers uit welgestelde gezinnen lijken te komen, maar deze bevindingen zijn gebaseerd op een kleine steekproef.

Verscheidene geïnterviewde experts stellen dat cyberdaders over het algemeen een goede sociaaleconomische achtergrond hebben. Dit beeld komt ook naar voren in de daderinterviews. De cyberdaders komen volgens de experts vaak uit een gezin waarin beide ouders werk hebben of hadden of waarbij een ouder een goede baan had. Er wordt in de interviews niet gesproken over armoede of werkloze ouders. Bij de subgroep van phishing zou dit volgens enkele experts anders zijn. Zo stelt een expert dat er bij deze subgroep vaker sprake is van achterstandsgezinnen die bepaalde dingen niet kunnen betalen, als gevolg waarvan dit type dader niet gericht is op lange-termijn investeringen zoals werk, carrière of een opleiding, maar op het verdienen van geld door middel van het plegen van criminaliteit.

Opleiding

Het overheersende beeld in de literatuur wat betreft de opleidingsachtergrond van cyberdaders is dat zij een relatief hoog intelligentie- en opleidingsniveau hebben en goede technische vaardigheden. Op basis van dit profiel worden zij weleens vergeleken met witteboordencriminelen, die eenzelfde soort profiel zouden hebben.

Ook zijn er studies die meer variëteit laten zien als het gaat om opleidingsniveau, alhoewel het hier wel vooral lijkt te gaan om daders die betrokken zijn bij georganiseerde cybercriminaliteit. Zo hadden de 107 verdachten van georganiseerde cybercriminaliteit uit het onderzoek van Odinot et al. (2017), waarvan 39 van de daders onder de noemer enge zin vallen, zeer uiteenlopende opleidingen: van universitair opgeleid en gediplomeerde IT-specialisten tot verdachten die hooguit hun een middelbare school hadden afgemaakt.

Als het gaat om het effect van het wel of geen opleiding hebben op delinquent gedrag laat bestaand onderzoek zien dat opleiding een andere rol speelt voor cyberdaders dan voor traditionele daders. Hoewel de kans op het plegen van traditionele criminaliteit afneemt wanneer de jeugdigen een opleiding volgen, geldt dat niet voor de kans op daderschap van cybercriminaliteit.

Niet alle daders maken hun opleiding af of beginnen met een vervolgopleiding.

Deze afwijkende rol van opleiding lijkt vooral van belang in de groep hackers. Echter, ook op het effect van opleiding binnen de groep hackers worden verschillende nuances aangebracht. Op basis van een survey onder 1617 middelbare schoolstudenten in de VS bleek dat studenten met betere schoolprestaties een grotere kans hebben om betrokken te raken bij hacken, maar ander onderzoek laat zien dat veel hackers hun opleiding vroegtijdig verlaten, omdat zij het te makkelijk of te saai vinden en niet gestimuleerd worden; ze houden van leren, maar niet van leren op school.

De meeste experts stellen dat het opleidingsniveau van cyberdaders in enge zin inderdaad hoger lijkt te zijn dan dat van de gemiddelde traditionele dader. Ook door experts wordt de kanttekening gemaakt dat niet alle daders hun opleiding afmaken of beginnen met een vervolgopleiding. Dit zou minder dan bij traditionele daders te maken hebben met capaciteiten en meer met motivatie. Enkele experts van de politie zijn van mening dat er vaak te snel wordt gedacht dat alle cyberdaders hoogopgeleid zijn. Ze hebben ook best veel verdachten van cybercriminaliteit in enge zin gezien met een gemiddeld of laag opleidingsniveau, hetgeen onder meer zou kunnen samenhangen met het feit dat het instapniveau bij veel cyberdelicten steeds makkelijker wordt door de beschikbaarheid van kant-en-klare tools.

Bij de geïnterviewde daders is wat betreft de opleiding en het opleidingsniveau een grote variëteit waar te nemen. Sommige respondenten zijn van school gestuurd omdat zij hun school hadden gehackt en/of opstandig gedrag vertoonden in de klas en ook vaak te laat kwamen of spijbelden. De oorzaak was dan volgens deze daders niet zozeer dat ze het niveau niet aankonden, maar juist dat het te gemakkelijk was en ze zich gingen vervelen. Wat uit bovenstaande in ieder geval duidelijk wordt, is dat het volgen van een opleiding minder duidelijk als protectieve factor voor criminaliteit geldt bij daders van cybercriminaliteit in enge zin dan bij daders van traditionele criminaliteit.

Werk

In sommige studies wordt het beeld geschetst dat het gehele leven van hackers – werk, vrije tijd, muziek, boeken en films – op een of andere manier gelinkt zou zijn aan de computer. (Er zijn echter weinig kwantitatieve studies waarin de werksituatie van cyberdaders wordt beschreven en kwalitatieve studies laten geen eenduidig beeld zien.

Cyberdaders in meerderheid werkzaam of werkzaam geweest in de ICT-sector

Uit onderzoek komt naar voren dat cyberdaders die samenwerking zoeken met ICT-specialisten dit vooral via hun (eerdere) werkrelaties doen. Op die manier zou het werken in de ICT de kans verhogen gerekruteerd te worden als dader van cybercriminaliteit. Werken in de IT sector lijkt zelfs de kans op cyberdaderschap te vergroten.

Volgens de geïnterviewde experts zijn de cyberdaders vaak nog aan het studeren op het moment dat zij hun delicten plegen en hebben in sommige gevallen ook een bijbaan. Bij de oudere cyberdaders die al wel een baan hebben, maken zij een onderscheid tussen de daders die een legale baan hebben en de daders die van cybercriminaliteit hun ‘werk’ hebben gemaakt. Daders met een legale baan zijn niet altijd in een IT-gerelateerde vakgebied werkzaam. De daders die wel een IT-gerelateerde baan hebben zijn volgens de experts bijvoorbeeld werkzaam als IT-beheerder, software tester, innovatiemanager of ethisch hacker. Hiernaast is er een groep (voornamelijk financiële) cyberdaders, die van criminaliteit hun werk heeft gemaakt en hier een inkomen mee verdient. Dit zijn vaak de daders die fulltime bezig zijn met het plegen van delicten. Voor hen is criminaliteit, aldus sommige experts, een levensstijl. Tot slot vermelden sommige reclasseringsmedewerkers een categorie cyberdaders die werkloos is.

Bij de geïnterviewde cyberdaders is een meerderheid werkzaam of werkzaam geweest in de ICT-sector of op het gebied van online marketing. Enkele respondenten waren als zelfstandig ondernemer werkzaam in de IT of online marketing. Ze hebben een eigen bedrijfje (of in het verleden gehad), onder andere op het gebied van sociale media, websites maken en hosten, IT of hacken.

Vrijetijdsbesteding

Sinds de opkomst van de computer worden hackers vooral gezien als enthousiastelingen of hobbyisten die een groot deel van hun (vrije) tijd online doorbrengen.

Twee recente studies hebben ook een daadwerkelijk verband aangetoond tussen de mate van computergebruik en het plegen van cybercriminaliteit. Het hebben van een computer en tijd online doorbrengen hangen positief samen met allerlei vormen van web defacen. Computergebruik blijkt in deze de sterkste voorspeller van cyberdelinquentie, boven zelfcontrole, offline slachtofferschap van pesten en stress. Hoe meer blootstelling er is aan een online omgeving, hoe meer gelegenheid er is voor online delinquentie . Daarnaast beschreven sommige hackers niet geïnteresseerd te zijn in de doorsnee vrijetijdsactiviteiten van hun leeftijdsgroep, zoals muziek, tv, sport en uitgaan.

Experts hebben het beeld dat cyberdaders zich in hun vrije tijd veel bezighouden met techniek en ICT

Een overweldigende meerderheid van de hackers in deze studie was groot fan van lezen en dan voornamelijk van sciencefiction. Bepaalde boeken of films zouden hen aangezet hebben tot hacken. Daarnaast zouden jonge hackers vaak zelf hun eigen pc hebben gebouwd.

Veel experts hebben het beeld dat cyberdaders zich in hun vrije tijd veel bezighouden met techniek en ICT. Dit betreffen uiteenlopende activiteiten op het gebied van ICT, waaronder veel gamen en websites of fora beheren, maar ook actief zijn op sociale media, veel YouTube-filmpjes kijken of online grafische vormgeving en fotoshoppen. Uit de daderinterviews blijkt echter dat cyberdaders een breed scala aan (ook niet IT-gerelateerde) hobby’s hebben, waaronder sporten en muziek (maken). De daderinterviews maken ook duidelijk dat de mate waarin online bezigheden de vrijetijdsbesteding bepalen mogelijk afhangt van de leeftijd van de dader.

Het algemene beeld is dat bij het merendeel van de cyberdaders activiteiten in de ICT en online wereld van jongs af aan een belangrijke interesse vormen, maar dat sommige daders ook andersoortige (offline) vrijetijdsbesteding kunnen hebben.

Gezinssituatie

Zowel uit de literatuur als uit de expert- en daderinterviews komt naar voren dat de thuissituatie van cyberdaders sterk varieert.

Hoewel er geen publicaties zijn gevonden met exacte cijfers, wordt, gezien de lage leeftijd van de dadergroep aangenomen dat een groot deel van de groep nog in het ouderlijk huis woont. Verschillende studies beschrijven dat hackers vaak in eenouder- of stiefgezinnen opgroeien. Er zijn geen Nederlandse publicaties gevonden met informatie over de gezinssituatie van jonge hackers. De geïnterviewde experts geven aan ervaring te hebben met daders uit diverse gezinstypen (tweeouder, eenouder-, stief- en pleeggezinnen).

De thuissituatie van cyberdaders varieert.

Studies naar volwassen daders van cybercriminaliteit in enge zin laten zien dat zij relatief vaak alleenstaand zijn. Daartegenover staan ook onderzoeken die geen verschillen in relatiestatus vinden bij bachelor studenten en in een algemene populatie hackers. De experts vermelden in de interviews dat zij veelal ervaring hebben met studerende cyberdaders. Verschillende keren wordt aangegeven dat deze daders relatief snel uit huis gaan, mogelijk omdat ze met het hacken daarvoor voldoende geld verdienen. Deze vroege zelfstandigheid zou gedeeltelijk de oververtegenwoordiging van alleenstaanden onder de hackers kunnen verklaren. De experts hebben zowel ervaring met hackers die alleenstaand zijn als met hackers die met partner en/of kinderen wonen. Uit de daderinterviews komt niet duidelijk naar voren in welke verhouding dit gebeurt en of dit afwijkt van de populatie traditionele daders.

Psychologische kenmerken en zelfbeeld

In de literatuur worden diverse psychologische kenmerken aangehaald die daders van cybercriminaliteit in enge zin zouden typeren.

Een eerste kenmerk is een hoog IQ. Daders beschrijven zichzelf ook vaak zo. Daarbij wijzen ze ook op het meer ‘out of the box’ kunnen denken en handelen. De experts die wij geïnterviewd hebben, stellen eveneens dat daders van cybercriminaliteit in enge zin over het algemeen intelligent zijn en intellectueel uitgedaagd willen worden. Twee experts spreken zelfs van een bepaalde mate van hoogbegaafdheid bij daders. Enkele experts geven aan dat het uitblinken vaak wel beperkt is tot bepaalde interesses zoals ICT. Verschillende daders die wij hebben gesproken, geven ook aan dat zij zichzelf zien als (super) slim of (‘redelijk’) intelligent. Ook analytisch en ‘out of the box’ denkend wordt een paar keer genoemd. Eén van de daders geeft aan dat bij hem een bovengemiddeld IQ is gemeten toen hij jong was en dat hij bijvoorbeeld zonder rekeningmachine hele complexe sommen kan maken.

Verschillende daders geven aan dat zij zichzelf zien als (super) slim of (‘redelijk’) intelligent

Een tweede kenmerk dat genoemd wordt in studies over daderschap van cybercriminaliteit in enge zin, is de aanwezigheid van een autismespectrumstoornis Empirisch bewijs voor de aanwezigheid van een autismespectrumstoornis (ASS) op grote schaal in deze groep daders wordt echter niet geleverd. Verschillende experts veronderstellen, op basis van hun contact met cyberdaders, ook dat sommige cyberdaders in mindere of meerdere mate autistiforme trekken hebben, wat overigens niet per definitie als iets problematisch wordt gezien. Het gaat bijvoorbeeld om wegkijken, een specifieke blik in de ogen, in de eigen wereld zitten, moeite met communiceren hebben en het niet goed kunnen praten over gevoelens of alledaagse menselijke dingen (wel over de techniek). Een van de politie-experts geeft de volgende beschrijving van een casus waar hij nauw bij betrokken was:

Sommige cyberdaders hebben in mindere of meerdere mate autistiforme trekken

"Vroeg ik hem naar een technisch iets of wat dan ook, dan begon hij enthousiast te kletsen en bleef maar ratelen. Dat is het probleem niet. Dan zag je hem gewoon opleven en zag je het enthousiasme in zijn ogen en dan begon die. [….] Naar zichzelf […] kijken van wat ben ik nu eigenlijk aan het doen en wat zijn de gevolgen daarvan en wat vinden anderen daarvan, die denkslagen die kwamen er niet. Als je hem hielp, dan kwam hij er uiteindelijk wel. "

Een derde kenmerk dat genoemd wordt in de literatuur , is dat cyberdaders in enge zin vaak enigszins kwetsbaar, sociaal onhandig en teruggetrokken of introvert zijn. Dit kenmerk wordt ook in de beschrijving van diverse experts benadrukt, waarbij ook vaak benadrukt wordt dat daders in een sociaal isolement zitten, niet populair op school zijn en een verstoord nachtritme hebben.

Ook wordt in de literatuur stilgestaan bij psychologische factoren die juist niet zo’n prominente rol spelen bij daders van cybercriminaliteit in enge zin. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de rol van (lage) zelfcontrole. De zelfcontroletheorie gaat er vanuit dat mensen met een lage zelfcontrole impulsief zijn, een korte termijn focus hebben en sneller risico’s nemen waardoor zij minder goed de verleiding kunnen weerstaan om criminaliteit te plegen. Als het specifiek gaat om daders van cybercriminaliteit in enge zin wordt door sommige auteurs verondersteld dat een lage zelfcontrole als criminogene factor niet aan de orde is, omdat delicten zoals hacken juist veel zelfcontrole en geduld vereisen zowel als het gaat om de uitvoering als het verbergen van sporen. Voor delicten zoals het uitvoeren van een DDoS-aanval ligt dit mogelijk anders, want dit kan middels enkele muisklikken gerealiseerd worden.

Op grond van de literatuur en interviews kan dus met enige zekerheid gesteld worden dat er binnen de groep daders van cyberdelicten in enge zin een oververtegenwoordiging is van personen met kenmerken uit een ASS. Er zijn aanwijzingen dat zelfcontrole en verstandelijk vermogen onder cyberdaders hoger is dan gemiddeld, zeker wanneer dit vergeleken wordt met daders van veel vormen van traditionele criminaliteit. Daarbij bestaan er net als bij traditionele criminaliteit grote verschillen tussen daders van verschillende vormen van cybercriminaliteit. Voor de meer technisch geavanceerde delicten (zoals hacken) hebben daders een hogere intelligentie en meer zelfcontrole nodig dan voor andere cyberdelicten (zoals het uitvoeren van DDoS-aanvallen).

Conclusie

  • Uit de literatuur is gebleken dat cybercriminaliteit in enge zin relatief vaker wordt gepleegd door jonge autochtone mannen met een redelijk tot goede sociaaleconomische achtergrond.
  • Bij de subgroep financieel georiënteerde daders van cybercriminaliteit in enge zin ligt de leeftijd waarop gestart wordt met het plegen van cybercriminaliteit doorgaans hoger, lijkt vaker sprake te zijn van allochtone daders en zijn er indicaties voor een lagere sociaaleconomische status.
  • Hoewel het opleidingsniveau bij cyberdaders varieert, lijkt sprake te zijn van een relatief hoger intelligentie- en opleidingsniveau in vergelijking met traditionele daders.
  • Soms maken daders hun opleiding niet af, wat niet automatisch betekent dat zij in laaggeschoold werk terechtkomen. Het werk en de opleiding die cyberdaders doen of hebben gedaan varieert, maar opleidingen en banen in de IT-sector zijn oververtegenwoordigd. In hun vrije tijd houden cyberdaders zich veel bezig met techniek, ICT, gamen en sociale media. Hiernaast hebben ze echter ook een breed scala aan andere hobby’s.
  • De thuissituatie varieert sterk. Er blijkt vaak een gebrek aan ouderlijk toezicht op het online gedrag van cyberdaders te zijn, zowel in gezinnen met als zonder gezinsproblematiek. Dit beperkte toezicht wordt mede veroorzaakt door gebrekkige kennis van ouders van het internet en de online wereld.
  • Tot slot kunnen de cyberdaders gekenmerkt worden als intelligent met vaker dan bij traditionele daders de aanwezigheid van kenmerken uit een autismespectrumstoornis (ASS) en een sterk probleemoplossend vermogen.

De bevindingen suggereren dat er een tweedeling waarneembaar is tussen de cyberdaders die een lagere zelfcontrole ervaren en impulsief zijn en daders die juist lange termijn doelen stellen en perfectionistisch zijn. Sommige daders kunnen volgens de literatuur en de experts gekenmerkt worden als introvert of sociaal onhandig, maar een ander deel is voldoende sociaal vaardig. Waar de meeste cyberdaders online een sociaal netwerk hebben opgebouwd lijkt het offline netwerk relatief kleiner te zijn en minder van invloed te zijn op het delictgedrag.

© 2020 VEILIG DIGITAAL

Created By
VEILIG DIGITAAL
Appreciate