Loading

Op niveau antwoorden HAVO

1. Tegenwoordige tijd

1. Jij (lachen) irritant.

2. Wij (werken) hard.

3. Het feest (zijn) uitgesteld.

4. Jan (besteden) te weinig tijd aan zijn huiswerk.

5. Deze wedstrijd (vervelen) mij ontzettend.

6. (Worden) jij nu al weer boos?

7. Als je dat niet (veranderen), vind ik het maar niets.

8. Wat (vinden) je leraar van je werk?

9. Hij (erven) een oude Renault.

10. Ik (benijden) de coach niet.

2. Tegenwoordige tijd

1. De mentor (overhandigen) persoonlijk de rapporten.

2. Het vliegtuig (landen) op Schiphol.

3. (Melden) jij je even bij de pedagogisch medewerker.

4. Hij (schudden) de oplossing zo uit zijn mouw.

5. Waarom (antwoorden) de leraar daar niet op.

6. Mijn zusje (geloven) niet meer in Sinterklaas.

7. Hij (braden) karbonades altijd op zijn eigen manier.

8. 's Ochtends was en (kleden) ik mij heel snel aan.

19. (Vinden) hij dat hij hier wat van kan leren?

20. De politie (vermoeden) dat er wat te gebeuren staat.

.

3. Tegenwoordige tijd

1. Post.nl (verzorgen) de verzending van dat pakje wel.

2. De Chinese gigant Alibaba (zorgen) voor grootste beursgang ooit in de VS.

3. Zij (giechelen) al de hele les.

4. '(Worden) je broer als je een zusje krijgt?'

5. (Worden) je zus leraar als ze afstudeert?

6. Wat (bedoelen) die jongen nu eigenlijk?

7. Dit (gebeuren) in goed overleg met de technische staf van AZ.

8. (Vinden) u ook dat Yuri mee had gemoeten?

9. Hij (worden) boos als je niet stop .

10. Hij (beweren) dat wel, maar zij gelooft hem niet.

4. Tegenwoordige tijd

1. De regen (plenzen) op het dak van de caravan.

2. Ik (peinzen) er niet over.

3. (Fietsen) jij altijd zo hard?

4. De trainer (oordelen) positief over zijn optreden.

5. Hij (antwoorden) positief op zijn vraag.

6. De minister schrijft dat er opnieuw (worden) geloot.

7. Verder (melden) de krant geen bijzonderheden.

8. Zij (schreeuwen) het uit als zij het goede nieuws hoort.

9. Hij (betreuren) zijn opmerking.

10. Zij (evenaren) haar zus op het gebied van tenissen.

5. Tegenwoordige tijd

1. De hond (rennen) zoals elke dag om 6 uur naar de brievenbus voor de krant.

2. Wat (staan) er vandaag allemaal op de sportpagina's?

3. Fabris (worden) de eerste Italiaanse EK-winnaar.

4. Huntelaar (debuteren) bij Ajax.

5. Jelle Klaassen (triomferen) in Engeland.

6. Verheijen (botsen) tegen Uytenhaage.

7. En wat (voorspellen) het weerbericht?

8. Eerst zonnig maar vanavond (gaan) het regenen.

9. Het journaal van acht uur (brengen) al weer ander nieuws.

10. School in Den Haag (branden) af.

6. Tegenwoordige tijd

1. Jongen (ontdekken) brand op zolder.

2. Vrouw (worden) president van Chili.

3. Protest-actie van havenarbeiders (lopen) uit de hand.

4. Het jeugdjournaal (behandelen) o.a de volgende onderwerpen:

5. Greenpeace (doen) een oproep.

6. Piep-geluid (jagen) jongeren weg.

7.Turkije (proberen) de vogelgriep te stoppen.

8. Klaasen (verbazen) iedereen

9. (Vinden) jij darten een leuke sport?

10. En wat (beroeren) ons morgen?

Opdracht 3

1 tosti’s

3 x’en

5 Wies’ idee

6 m’n beste vriend

Opdracht 4

3 petroleum

5 financiën

6 lesbienne

8 pagina-indeling

11 hygiëne

12 lawaaiig

14 conciërge

Blok 2 Spelling

Opdracht 1

1 Bezorgt, want dit is een persoonsvorm. Je schrijft dus de ik-vorm + t.

2 Barstten, want dit is de persoonsvorm in de verleden tijd. Volgens de regel van ’t kofschip schrijf je de ik-vorm + te(n).

3 Wordt, want dit is een persoonsvorm in de derde persoon (‘je moeder’). Je schrijft dus de ik-vorm + t.

4 Genas, want genezen is een klankveranderend (sterk) werkwoord.

5 Gebingood, want dit is een voltooid deelwoord. De stam (‘bingo’) eindigt niet op een medeklinker uit ’t kofschip, dus je schrijft een d. Je voegt een extra o toe om uitspraakproblemen te voorkomen.

6 Meld, want dit is de gebiedende wijs. Je schrijft dus de ik-vorm.

7 Gefinisht, want de stam van finishen (‘finish’) eindigt op een letter uit ’t kofschip. Je schrijft het voltooid deelwoord daarom met een t. Een extra letter om uitspraakproblemen te voorkomen, is niet nodig.

8 Gebloosd, want de stam van blozen (‘bloz’) eindigt niet op een letter uit ’t kofschip. Dit voltooid deelwoord schrijf je dus met een d.

9 Oogsten, want dit is een infinitief. Je schrijft dus het hele werkwoord.

10 Strandden, want dit is een persoonsvorm in de verleden tijd. De laatste letter van de stam (‘strand’) komt niet voor in ’t kofschip, dus je schrijft de ik-vorm + de(n).

Opdracht 2

1 a fornuizen

b extra’s

c typen en types

d braderieën

e geen meervoud

f displays

g apps

h paraplu’s

i seconden en secondes

j cafés

k hobby’s

l bikini’s

2 a fornuisje

b extraatje

c typetje

d braderietje

e muziekje

f displaytje

g appje

h parapluutje

i secondetje

j cafeetje

k hobby’tje

l bikinietje

Opdracht 3

1 tosti’s

3 x’en

5 Wies’ idee

6 m’n beste vriend

LESBRIEF 3PAK

JAGUARMAN – RAOUL DE JONG

BEOORDEEL

1 Geef een onderbouwd oordeel over het verhaal. Ga daarbij in op het

onderwerp, de verhaallijnen en de schrijfstijl.

OMSCHRIJF EN LEEF JE IN

2 Geef een omschrijving van de ik-persoon. Gebruik twee citaten ter ondersteuning

van jouw omschrijving.

3 Waarom is de ik-persoon in Suriname?

4 Waarom wil hij zo graag de jungle in?

5 Herken je iets van jezelf in de ik-persoon en de keuzes die hij maakt? Geef uitleg bij je antwoord.

VERGELIJK

6 Beschrijf de tegenstelling tussen De Directeur en Django.

7 Beschrijf de tegenstelling tussen het hoofdkantoor van De natuurorganisatie en de jungle.

8 Herken je ook een tegenstelling in de ik-persoon? Leg je antwoord uit.

ANALYSEER

9 De film Medicine Man is een motief in het verhaal. Noteer drie plekken waar naar deze film

verwezen wordt.

10 Medicine Man is op twee manieren verbonden met de motivatie van de ik-persoon om de jungle

in te willen. Wat zijn die twee manieren?

11 Klopt het beeld van de jungle uit Medicine Man met de manier waarop de ik-persoon de jungle

ervaart?

12 Welke film of welk boek heeft op jou een grote indruk gemaakt? Leg uit wat dit werk voor jou

betekent.

BESPREEK

13 De ik-persoon zegt dat hij op school nooit heeft geleerd dat slaven altijd verzet hebben gepleegd

en hoe verschrikkelijk de slavernij was. Lees het artikel Is het lesmateriaal over de slavernij

te oppervlakkig uit de NRC van 11 september 2017. Gebruik de zoektermen “NRC”, “lessen” en

“slavernij” om het artikel te vinden.

14 Bespreek wat jij op school hebt geleerd over slavernij.

15 Zou er meer aandacht aan slavernij besteed moeten worden op scholen? Leg je antwoord uit.

INTERPRETEER

16 In het slot van het verhaal verschijnt ‘de koning van de jungle’ op een foto. Hoe interpreteer jij

dit einde?

17 Welke aanwijzingen heb jij voor jouw interpretatie van het slot?

18 Vind jij het einde geloofwaardig? Leg je antwoord uit.

19 Vind jij het belangrijk dat een verhaal geloofwaardig is? Leg je antwoord uit.

Opdracht 7

1 die (Alle leerlingen)

2 Wie (m.i.a.)

3 wat (Alles)

4 Wat (m.i.a.)

5 dat (het meisje)

6 wat (Het eerste)

7 Wat (m.i.a.)

8 wat (Iets)

9 Wie (m.i.a.)

10 wat (De voetballer maakte een eigen doelpunt)

11 Wat (m.i.a.)

Opdracht 5

1 populaire in zin A is een bijvoeglijke bepaling.

2 van het jaar in zin B is een bijvoeglijke bepaling.

3 De vetgedrukte delen van zin A en zin B geven allebei extra informatie over de leraar.

4 Het vetgedrukte deel van zin B geeft dezelfde informatie als dat van zin C, maar dan korter. / Het vetgedrukte deel van zin C geeft dezelfde informatie als dat van zin B, maar dan in een zin.

Opdracht 6

1 a dat … kocht (Het shirt)

b die … stelde (De vraag)

c dat … stond (het hek)

d die … club (De voetballer)

e dat … maken (het vliegtuig)

f die … Oscar (die animatiefilm)

2 Eigen zinnen, bijvoorbeeld

c De gevangene klom over het hoge hek.

f Wist jij dat die populaire animatiefilm gemaakt is door een Nederlandse regisseur?

Opdracht 1

1 nwg

2 bvb (bij ‘eilandje’)

3 wwg

4 bijstelling

5 lv

6 bwb

7 ond

8 mv

9 bwb

10 vzv

Opdracht 2

1 –

2 B

3 – De delen van deze samengestelde zin worden met elkaar verbonden door een nevenschikkend voegwoord (maar).

– Een hoofdzin kun je los gebruiken, een bijzin niet. ‘Mensen sturen ook veel terug’ kun je los gebruiken, ‘hij een flinke winst maakt’ en ‘de prijzen er lager zijn dan in gewone winkels’ niet.

– In hoofdzinnen is de persoonsvorm het eerste of tweede zinsdeel, in bijzinnen is de persoonsvorm meestal niet het eerste of tweede zinsdeel:

A Die webwinkel verkoopt veel artikelen (hoofdzin), zodat hij een flinke winst maakt (bijzin).

B Die webwinkel verkoopt veel artikelen (hoofdzin), maar mensen sturen ook veel terug (hoofdzin).

C Die webwinkel verkoopt veel artikelen (hoofdzin), doordat de prijzen er lager zijn dan in gewone winkels (bijzin).

– Je kunt het onderwerp en de persoonsvorm in een hoofdzin niet van elkaar scheiden door er een zinsdeel tussen te plaatsen. In een bijzin kan dat wel:

A Die webwinkel verkoopt veel artikelen, zodat hij een flinke winst maakt.

B Die webwinkel verkoopt veel artikelen, maar mensen sturen ook veel terug.

C Die webwinkel verkoopt veel artikelen, doordat de prijzen er lager zijn dan in gewone winkels.

In zin B kun je tussen ‘mensen’ en ‘sturen’ geen ander zinsdeel plaatsen.

4 Eigen werk. Hebben jullie je antwoorden op vraag 3 met elkaar vergeleken?

Opdracht 3

1 a onderschikkend

b nevenschikkend

c nevenschikkend

d onderschikkend

e nevenschikkend

f onderschikkend

g nevenschikkend

h nevenschikkend

i onderschikkend

j onderschikkend

2 Eigen zinnen, bijvoorbeeld

a Je moet snel kaartjes kopen voor dat concert, want anders is het uitverkocht.

b Het voetbalkamp was ontzettend leuk, hoewel ik wel heimwee had.

c Hoewel mijn broertje pas sinds drie weken een hamster heeft, wil hij nu ook nog een cavia.

d De tennisser had het kampioenschap gewonnen en vloog zijn coach in de armen.

e We kunnen vanmiddag eindelijk dat verslag afmaken, tenzij je al andere plannen hebt.

f We werden gedropt in het bos, maar de kampleiding had ons wel eerst de regels uitgelegd.

g Doordat we meestal iets later beginnen, duurt de les minder lang dan de officiële vijftig minuten.

h Ik stapte de sportwinkel binnen, omdat ik nieuwe gymschoenen nodig had.

i Wij zijn op zoek naar nieuwe leden voor ons basketbalteam, want er zijn een paar meiden naar een hoger team overgestapt.

j Het kabinet had dat plan nog niet bekendgemaakt of er verschenen reacties op sociale media.

Opdracht 4

Eigen zinnen, bijvoorbeeld

1 Mijn kleine neefje houdt niet van groente, maar fruit vindt hij wel lekker.

Mijn kleine neefje houdt niet van groente, tenzij er een laag appelmoes op zit.

2 Barry moest gisteren bij de directeur komen, want die wilde hem iets vragen.

Barry moest gisteren bij de directeur komen, omdat hij door was naar de volgende ronde van de ontwerpwedstrijd.

3 Lees alle vragen van de toets goed door en kijk of alles duidelijk is.

Lees alle vragen van de toets goed door voordat je begint.

4 Die dierentuin trekt veel bezoekers, maar wordt toch met sluiting bedreigd.

Die dierentuin trekt veel bezoekers, doordat er twee reuzenpanda’s te zien zijn.

5 Ismaël gaat vanmiddag voetballen of hij gaat chillen met zijn vrienden.

Ismaël gaat vanmiddag voetballen, terwijl zijn zus moet leren voor een toets.

6 De uitkomst van het onderzoek was heel verrassend, maar wordt door sommigen in twijfel getrokken.

De uitkomst van het onderzoek was heel verrassend, zodat alle media erover berichtten.

Opdracht 5

1 Het gedicht heeft versregels die niet de hele pagina vullen. Het gedicht heeft wel interpunctie en is verdeeld in vier strofen. Er is bij een aantal versregels sprake van enjambement. Het gedicht heeft rijm aan het eind van sommige versregels en een duidelijk ritme. Het gedicht gaat over één gebeurtenis of gevoel, namelijk ’s avonds kijken naar de maan en het gevoel dat dan ontstaat.

2 Deze uitspraak is niet juist, want in het gedicht komt beeldspraak voor, zoals in versregel 1, ‘de hemel houdt zich blauw’ (alsof de hemel een persoon is die kiest welke kleur hij zal aannemen). Ook zijn de Zeeën van de maan geen echte zeeën, al zijn ze wel zo genoemd omdat men vroeger dacht dat het zeeën waren. Vooral versregel 11 en 12 ‘en zie soms de branding in golven kapot slaan op iedere kust’ is eerder een beeld dan letterlijk bedoeld.

3 Het gedicht gaat over hoe je kijkend naar de maan door een kijker je bewust wordt van wat zich buiten de aarde bevindt, hoe je daarbij kunt fantaseren en wegdromen met gedachten die je niet goed onder woorden kunt brengen.

4 Eigen werk. Heb je een strofe van vier regels geschreven met een duidelijk ritme en misschien ook eindrijm, waarin je een aantal namen van zeeën, meren of baaien op de maan hebt verwerkt?

5 Dit gedicht past bij het verhaal doordat Janna ook naar haar zolder gaat, terwijl ze probeert om even niet meer na te denken. Zij kijkt daarbij niet naar de maan, maar naar de langsdrijvende wolken.

Opdracht 6

1 Bijvoorbeeld:

– de reusachtige klauw van de militair. (regel 9)

– het felle licht van duizenden bliksemschichten die door haar hoofd schieten.

(regel 12-13)

– Na een eeuwigheid … (regel 47)

– Het liefst wil ze heel hard wegrennen, maar niets in haar lijf doet het nog.

(regel 154-155)

2 a understatement, ‘een klap krijgen’ wordt hier afgezwakt verteld als ‘iemands hand tegenkomen’, alsof het per ongeluk gebeurt en niet met opzet.

b eufemisme, want met ‘zo’n meisje’ wordt op een verhullende manier gezegd dat het gaat om een meisje dat of vrouw die seks heeft met Duitse soldaten, dus een prostituee of hoer.

3 Je kunt deze zin ironisch opvatten, als Wanne eerder het tegendeel bedoelt, omdat ‘die tanden’ en ‘dat haar’ er nog altijd niet uitzien. Maar het kan ook zijn dat Sjaak nu echt een knappe jongen is geworden, dan is dit eerder een understatement, een afgezwakte manier om dat te zeggen, maar wel een beetje spottend.

4 In strofe 2 en 3 somt de dichter een aantal Zeeën op de maan op.

5 eufemisme

6 De eerste twee regels gaan nog over wat er werkelijk te zien is, de derde en vierde regel gaan over de fantasie van de ik-persoon.

Blok 2

Blok 2 Fictie

Opdracht 1

1 Janna leeft in de Tweede Wereldoorlog. Voor haar moeder is alles te veel sinds een aantal jaren eerder Janna’s broer overleed. Haar moeder had een vrijstelling, maar moet nu toch gaan werken voor de Duitsers. Omdat haar moeder dat niet aankan, biedt Janna zich aan in haar plaats en wordt daarbij geslagen door een Duitse soldaat. Ze vindt steun bij haar vriendin Wanne, maar twijfelt aan haar als Wanne lijkt te flirten met de soldaat die Janna had geslagen.

2 Het verhaal speelt zich af in de Tweede Wereldoorlog, dus ergens tussen 1940 en 1945. Details waardoor je dit weet zijn: de Duitse soldaat, het klompenkot, de ziekte van de broer waarvan de dokter niet wist wat het was, dat Janna op klompen loopt, de kleuterschool, de Duitse barak, de Rommelasperges.

3 a Janna zorgt meer voor haar moeder dan andersom; Janna lijkt volwassener dan haar moeder. Ze houdt van haar moeder en wil graag voor haar zorgen, maar ze is ook verdrietig omdat ze haar moeder mist zoals die vroeger was.

b Janna wil haar vader helpen om voor haar moeder te zorgen, maar ze is ook boos en verdrietig omdat haar vader helemaal geen aandacht heeft voor haar en haar gevoelens.

4 Wanne is Janna’s beste vriendin, al sinds de kleuterschool, en zij troost Janna als ze is geslagen en voor de Duitsers moet gaan werken. Maar als Wanne naar de Duitse barak gaat en sjanst (flirt) met de Duitse soldaat die Janna had geslagen, gaat Janna aan haar twijfelen. Ze vermoedt dat Wanne verkeerde relaties heeft met Duitse soldaten en aan de kant van de vijand staat.

5 Bijvoorbeeld:

– Ze wiebelt heen en weer als een duiveltje uit een doosje. (regel 10-11, vergelijking met als)

– Tuuuuuuuuut schreeuwt de duisternis. (regel 11, metafoor)

– … het felle licht van duizenden bliksemschichten die door haar hoofd schieten.

(regel 12-13, vergelijking zonder als)

– ... die opgerold als een bal tegen de deurpost ligt. (regel 18, vergelijking met als)

– Na een tijdje lukt het haar zelfs haar gedachten uit te zetten (regel 71-72, metafoor)

– Wanne zelf is die tand juist een doorn in het oog. (regel 90, vergelijking zonder als)

– Ze wil ook weleens van zich afbijten. (regel 117, metafoor)

– Die is goed opgedroogd, zeg. (regel 126, metafoor)

– … de afkeer die ze voelt sijpelt erdoorheen. (regel 137, metafoor)

6 Eigen antwoord. Heb je met ten minste drie argumenten uitgelegd waarom je dit verhaal op de gekozen plek op de realismelijn hebt gezet? Waarschijnlijk plaats je het verhaal dichtbij heel realistisch, omdat de tijd en de plaats realistisch beschreven worden. Ook de personages komen over als mensen die echt zouden kunnen bestaan: hun daden, woorden en gedachten lijken op die van echte mensen. Het enige element dat minder realistisch overkomt, is dat de moeder van Janna wel heel erg lusteloos en depressief is na de dood van Janna’s broer; dat zou in werkelijkheid waarschijnlijk minder erg zijn.

7 Eigen werk. Heb je opgeschreven hoe jij denkt dat dit verhaal verdergaat? Bijvoorbeeld: Janna ontdekt dat Wanne informatie doorgeeft aan de Duitsers en besluit daarom een einde te maken aan de vriendschap. Of: Janna ontdekt dat Wanne en Kees voor het verzet werken en ze raakt daar zelf ook bij betrokken. Of: Janna wordt verliefd op een Duitse soldaat en weet niet wat ze daarmee aan moet.

Opdracht 5

1 a 3D-voedselprinters

b-c Eigen antwoord.

2 De schrijver stelt een vraag.

3 a deze verwijst naar ‘een aantal basisingrediënten’ (regel 4-5).

b dat verwijst naar ‘De aardbol raakt voller’ (regel 11).

4 Eigen antwoord, bijvoorbeeld: het gebrek aan voedsel.

5 a Omdat

b Uitspraak: Een voedselprinter die voedsel vanuit slechts enkele ingrediënten print is een handige uitkomst.

Reden: Landbouw, veehouderij en visserij kunnen niet iedereen op aarde van voldoende voedsel voorzien.

6 Om meer mensen op aarde te kunnen voeden is een voedselprinter een goede oplossing, want de landbouw, veehouderij en visserij kunnen niet iedereen van voedsel voorzien.

7 a Vijf

b De signaalwoorden voor opsomming (Daarnaast, en, bovendien, en) verbinden de voordelen.

c 1 Iedereen voorzien van de juiste voedingsstoffen die nodig zijn om gezond te worden en blijven.

2 Efficiënter gebruikmaken van grondstoffen.

3 Kinderen, ouderen en mensen die vanwege ziekte niet goed kunnen kauwen of slikken, kunnen weer genieten van eten.

4 Voeding kun je persoonlijk maken qua smaak, calorieën, samenstelling, textuur, afmetingen en vorm.

5 Het product hoef je pas op het moment van consumptie te maken.

8 Een voedselprinter kan je lijf precies voorzien van de voedingsstoffen die je nodig hebt.

9 Ja, want in de alinea is de belangrijkste informatie dat iedereen met de voedselprinter zijn eigen voedingsstoffen kan kiezen.

10 Eigen antwoord, bijvoorbeeld: Hij hoeft niet kilo’s kip, biefstuk en eieren te eten. Zijn eten is sneller gemaakt en bevat de juiste voedingsstoffen.

11 Ze groeien snel, en ze bevatten ongeveer net zoveel eiwitten als rood vlees van een rund.

12 Nee, zie r. 35-37 ‘Buiten het … Van Bommel’.

13 Door middel van een signaalwoord. Een ander voordeel verbindt de alinea’s. In alinea 4 zijn voordelen genoemd en in alinea 5 volgt er nog een voordeel.

14 Eigen antwoord, bijvoorbeeld: Uitbreiding smakenpalet.

15 De zinnen behoren tot de bijzaak van de alinea. Ze zijn een voorbeeld bij de zinnen ervoor.

16 Aan de ontwikkeling van 3D-voedselprinters wordt hard gewerkt, omdat het printen van voedsel een goede manier is om alle mensen van de juiste en gezonde voedingsstoffen te voorzien.

17 Eigen antwoord, bijvoorbeeld: Nee, want het gaat in de tekst helemaal niet over het printen van een bitterballetje. Het gaat over de mogelijkheid voedsel te printen en er wordt in de tekst uitgelegd dat dat in ontwikkeling is.

18 a-b Eigen antwoorden. Heb je je antwoorden toegelicht?

Opdracht 4

1 Eigen antwoord. Zonder insecten is het ecologische systeem zo van slag dat het voortbestaan van leven zelfs wordt bedreigd. Insecten zijn heel belangrijk in ons ecologische systeem, want ze ruimen etensresten, mest en lijken op. Ook zijn ze voer voor andere dieren, en ze bestuiven planten.

2 Meer mensen zullen het eten van insecten accepteren en het zal vaker voorkomen.

3 Door middel van een signaalwoord. Het signaalwoord Toch verbindt de alinea’s en het geeft aan dat er sprake is van een tegenstelling.

4 Eigen antwoord, bijvoorbeeld: De levensmiddelenbedrijven zijn bang om met de insectenburgers te blijven zitten en dus verlies te lijden, omdat de consumenten ze niet kopen (denken ze).

5 Door middel van het verwijswoord Dat. Dat verwijst terug naar ‘dat een … de consumenten’ (regel 13-14).

6 Ja. De wetenschappers zijn ervan overtuigd dat het een kwestie van tijd is.

7 de lezer informeren

Opdracht 3

1 a Eigen antwoord, bijvoorbeeld: Insecten eten, insecten eten is goed.

b Eigen antwoord.

2 de lezer informeren

3 a want

b Uitspraak: Het eten van insecten is duurzaam.

Reden: het heeft een flink aantal voordelen voor het milieu boven het eten van vlees.

4 Eigen antwoord, bijvoorbeeld: hetzelfde vlees dat al jaren en jaren wordt gegeten, namelijk vlees van runderen, varkens en kippen.

5 Nee, want het woord ‘Maar’ is hier geen signaalwoord voor een tegenstelling, want er is geen tegenstelling. Er staat ‘Maar liefst’, dit betekent hier ‘het enorme’ (percentage van).

6 Voor het kweken van insecten is veel minder landbouwgrond nodig dan voor vleesconsumptie.

7 Vleesproductie zorgt voor achttien procent van alle broeikasgassen in de wereld en voor verzuring van het milieu.

8 Het doden van insecten is diervriendelijker dan het slachten van runderen, varkens en kippen.

9 Het gaat niet om de letterlijke betekenis van slachten, zoals bij koeien, varkens, kippen.

10 a waardoor

b Oorzaak: De insecten worden naar diepvriestemperatuur gebracht.

Gevolg: ze stoppen met leven.

11 Over een efficiënte omzetting van voer naar vlees.

12 In alinea 5: het doden van insecten is diervriendelijker.

In alinea 6: het eten van insecten helpt tegen een hoge bloeddruk.

13 Eigen antwoord, bijvoorbeeld: een conclusie. De voordelen van het consumeren van insecten worden in het slot opgesomd.

14 In de toekomst is er te weinig landbouwgrond beschikbaar voor de productie van vlees, daarom moeten we overgaan op het eten van insecten. Insecten eten is duurzaam. Het kweken van insecten zorgt voor minder uitstoot van broeikasgassen, het neemt minder ruimte in beslag, het doden van insecten is diervriendelijker en insecten helpen tegen een hoge bloeddruk.

15 a Eigen antwoord. Duurzaam betekent dat er voor de toekomst veel voordelen voor het milieu en de natuur zijn.

b Het kweken van insecten zorgt voor veel minder uitstoot van broeikasgassen en er is minder landbouwgrond nodig.

16 Eigen antwoord. Heb je je antwoord toegelicht?

Blok 1 Lezen

Opdracht 1

1 – het onderwerp aankondigen

– een kort, grappig of bijzonder verhaaltje vertellen

– een of meer vragen stellen

– de aanleiding voor het schrijven van de tekst noemen

2 – een korte samenvatting van de tekst

– een conclusie van de tekst

– een advies

3 – door het gebruik van een signaalwoord

– door herhaling

– door overgangszinnen met een verwijzing

– door aankondigende zinnen

4 Meestal staat de kernzin aan het begin of aan het eind van de alinea.

5 De kernzin kan de tweede zin van de alinea zijn, of kan in het midden van de alinea staan. Ook kunnen er twee kernzinnen zijn of kan een kernzin ontbreken.

6 De rest van de alinea bestaat uit toelichting en/of voorbeelden.

7 De hoofdgedachte van een tekst is de belangrijkste mededeling over het onderwerp.

8 a uitleg geven

b overtuigen

9 Twee van de volgende tekstvormen bij uiteenzettende tekst: schoolboektekst, achtergrondtekst in tijdschrift, handleiding, instructie, recept.

Twee van de volgende tekstvormen bij betogende tekst: ingezonden brief, recensie, meninggevend artikel in krant of tijdschrift.

10 bij de aansporende of activerende tekstsoort

11 Een objectieve tekst. Je kunt de mening van die persoon of personen nagaan in andere bronnen of het vragen. Het gaat niet om de mening van de schrijver.

12 a maar: verband uitspraak-tegenstelling

b om … te: verband middel-doel

c omdat : verband uitspraak-reden

b doordat: verband oorzaak-gevolg

m 2 blz 30

Opdracht 2

1 het onderwerp aankondigen en vragen stellen

2 Eigen antwoord, bijvoorbeeld: In 2050 is het niet mogelijk alle negen miljard mensen te voeden. Of: In 2050 is er een groot voedselprobleem, want er zal te weinig voedsel zijn voor alle negen miljard mensen.

3 a die verwijst naar ‘prognoses als deze’ (regel 3).

b Dat verwijst naar ‘Wereldwijd komen naar schatting een op de zeven mensen proteïnes tekort’ (regel 7-8).

c dat verwijst naar ‘Het produceren van een kilo koeienvlees kost 13 kilo aan planten’ (regel 18-19).

d er … aan verwijst naar ‘het produceren van vlees in de fabriek of het laboratorium’ (regel 31-32).

e Daarvoor verwijst naar ‘het vlees in het laboratorium letterlijk laten groeien’ (regel 33-34).

f ze verwijst naar ‘insecten’ (regel 56).

4 Volgens Steinfeld gaat vlees als massaproduct verdwijnen en wordt het een luxe die alleen de rijken zich maar kunnen veroorloven.

5 het tekort aan vlees in 2050

6 a enerzijds … anderzijds

b Ene deel: de sterke groei van de wereldbevolking.

Andere deel: het klimaat speelt een rol.

7 De schrijver bedoelt met dat dat koeien jaarlijks 6,5 triljoen kilo voer nodig hebben om voor vijf miljard mensen vlees te produceren.

8 Eigen antwoord, bijvoorbeeld: Ja, want in de alinea wordt duidelijk gemaakt dat het onmogelijk is om de wereldbevolking in 2050 van vlees te voorzien.

9 Fabrieksvlees is de oplossing voor het voedselprobleem.

10 a maar, maar

b Uitspraak: theoretisch gezien is het mogelijk om alle monden te voeden.

Tegenstelling: de technologie is nog vrij pril en nog lang niet klaar voor massaproductie.

11 Eigen antwoord, bijvoorbeeld: Nee, in de alinea wordt beschreven dat de wetenschappers hard werken aan de ontwikkeling van fabrieksvlees, maar het is er nog niet. Bovendien wordt in de alinea niet vermeld dat consumenten zelf hun vlees kunnen kweken.

12 niet alleen … maar ook, Bovendien.

13 Insecten hebben minder voedsel nodig, wij mensen hoeven er minder van te eten, en bij het houden van insecten komt veel minder CO2 vrij.

14 Dat we in het Westen een psychologisch probleem hebben met het eten van insecten en het dus niet doen.

15 a Eigen antwoord, bijvoorbeeld: Niet helemaal. Het lijkt erop dat we kweekvlees en insecten zullen eten. De ontwikkeling van kweekvlees is nog niet zo ver. In het Westen is het eten van insecten nog niet geaccepteerd. Met zekerheid kun je het dus nog niet zeggen.

b Insecten eten, omdat die er volop zijn.

16 de lezer informerenBlok 1 Lezen

Opdracht 1

1 – het onderwerp aankondigen

– een kort, grappig of bijzonder verhaaltje vertellen

– een of meer vragen stellen

– de aanleiding voor het schrijven van de tekst noemen

2 – een korte samenvatting van de tekst

– een conclusie van de tekst

– een advies

3 – door het gebruik van een signaalwoord

– door herhaling

– door overgangszinnen met een verwijzing

– door aankondigende zinnen

4 Meestal staat de kernzin aan het begin of aan het eind van de alinea.

5 De kernzin kan de tweede zin van de alinea zijn, of kan in het midden van de alinea staan. Ook kunnen er twee kernzinnen zijn of kan een kernzin ontbreken.

6 De rest van de alinea bestaat uit toelichting en/of voorbeelden.

7 De hoofdgedachte van een tekst is de belangrijkste mededeling over het onderwerp.

8 a uitleg geven

b overtuigen

9 Twee van de volgende tekstvormen bij uiteenzettende tekst: schoolboektekst, achtergrondtekst in tijdschrift, handleiding, instructie, recept.

Twee van de volgende tekstvormen bij betogende tekst: ingezonden brief, recensie, meninggevend artikel in krant of tijdschrift.

10 bij de aansporende of activerende tekstsoort

11 Een objectieve tekst. Je kunt de mening van die persoon of personen nagaan in andere bronnen of het vragen. Het gaat niet om de mening van de schrijver.

12 a maar: verband uitspraak-tegenstelling

b om … te: verband middel-doel

c omdat : verband uitspraak-reden

b doordat: verband oorzaak-gevolg

m 2 blz 30

Opdracht 2

1 het onderwerp aankondigen en vragen stellen

2 Eigen antwoord, bijvoorbeeld: In 2050 is het niet mogelijk alle negen miljard mensen te voeden. Of: In 2050 is er een groot voedselprobleem, want er zal te weinig voedsel zijn voor alle negen miljard mensen.

3 a die verwijst naar ‘prognoses als deze’ (regel 3).

b Dat verwijst naar ‘Wereldwijd komen naar schatting een op de zeven mensen proteïnes tekort’ (regel 7-8).

c dat verwijst naar ‘Het produceren van een kilo koeienvlees kost 13 kilo aan planten’ (regel 18-19).

d er … aan verwijst naar ‘het produceren van vlees in de fabriek of het laboratorium’ (regel 31-32).

e Daarvoor verwijst naar ‘het vlees in het laboratorium letterlijk laten groeien’ (regel 33-34).

f ze verwijst naar ‘insecten’ (regel 56).

4 Volgens Steinfeld gaat vlees als massaproduct verdwijnen en wordt het een luxe die alleen de rijken zich maar kunnen veroorloven.

5 het tekort aan vlees in 2050

6 a enerzijds … anderzijds

b Ene deel: de sterke groei van de wereldbevolking.

Andere deel: het klimaat speelt een rol.

7 De schrijver bedoelt met dat dat koeien jaarlijks 6,5 triljoen kilo voer nodig hebben om voor vijf miljard mensen vlees te produceren.

8 Eigen antwoord, bijvoorbeeld: Ja, want in de alinea wordt duidelijk gemaakt dat het onmogelijk is om de wereldbevolking in 2050 van vlees te voorzien.

9 Fabrieksvlees is de oplossing voor het voedselprobleem.

10 a maar, maar

b Uitspraak: theoretisch gezien is het mogelijk om alle monden te voeden.

Tegenstelling: de technologie is nog vrij pril en nog lang niet klaar voor massaproductie.

11 Eigen antwoord, bijvoorbeeld: Nee, in de alinea wordt beschreven dat de wetenschappers hard werken aan de ontwikkeling van fabrieksvlees, maar het is er nog niet. Bovendien wordt in de alinea niet vermeld dat consumenten zelf hun vlees kunnen kweken.

12 niet alleen … maar ook, Bovendien.

13 Insecten hebben minder voedsel nodig, wij mensen hoeven er minder van te eten, en bij het houden van insecten komt veel minder CO2 vrij.

14 Dat we in het Westen een psychologisch probleem hebben met het eten van insecten en het dus niet doen.

15 a Eigen antwoord, bijvoorbeeld: Niet helemaal. Het lijkt erop dat we kweekvlees en insecten zullen eten. De ontwikkeling van kweekvlees is nog niet zo ver. In het Westen is het eten van insecten nog niet geaccepteerd. Met zekerheid kun je het dus nog niet zeggen.

b Insecten eten, omdat die er volop zijn.

16 de lezer informeren

Installatie-instructies

Voor mij zijn mijn vrienden en familie belangrijk in de omgeving. Zij zorgen ervoor dat ik me thuis voel in de omgeving en dat ik plezier heb. Ik vind het belangrijk dat mensen zichzelf blijven en respect hebben voor elkaar.

Opdracht 2

1 a extreme opvattingen krijgen

b advies inwinnen

c uitdagen

d vrijmaken

e gebruiken

f een alleenrecht instellen

g stelselmatig lastigvallen

h naar een hogere klasse gaan

1

Opdracht 3

Eigen werk, bijvoorbeeld:

Argumenten vóór:

– Dieren kunnen met elkaar (en met andere diersoorten) communiceren.

– Bij sommige diersoorten hebben bepaalde klanken een vaste betekenis.

Argumenten tegen:

– Dieren leren hun taal niet van hun ouders, mensen wel.

– Diersoorten spreken overal ter wereld ongeveer dezelfde ‘taal’, mensen niet.

Opdracht 4

1 Eigen voorbeelden, bijvoorbeeld:

Geluid: Door te grommen probeert een hond andere dieren af te schrikken.

Geur: Een kat plast op verschillende plekken om zo zijn territorium af te bakenen.

Kleur: Sommige kevers hebben felle kleuren, zodat vijanden denken dat ze giftig zijn.

Houding: Een hond die hoog op zijn poten staat, is zelfverzekerd.

2 Het is voor een aap makkelijker om de bewegingen van de handen te controleren dan die van zijn mond, tong en lippen.

3 Eigen voorbeeld van lichaamstaal, zoals glimlachen (betekent: alles is goed) of ineengedoken houding (betekent: ik ben bang of onzeker).

4 Eigen werk, bijvoorbeeld: Om in grote groepen vreedzaam te kunnen samenleven, heb je taal nodig, zodat je bijvoorbeeld taken kunt verdelen en afspraken kunt maken.

Als je in een grote groep samenleeft, moet de taal zich aanpassen aan nieuwe situaties, bijvoorbeeld als de gemeenschap iemand wil straffen die iets fout heeft gedaan. Daar zijn dan nieuwe woorden over rechtvaardigheid voor nodig.

Opdracht 5

1 Eigen werk, bijvoorbeeld: De gemeenschappen waarin mensen leven zijn veel complexer dan die van dieren. Dat vraagt ook om een complexer communicatiesysteem.

2 Eigen werk.

Opdracht 1

1 conventioneel = gebruikelijk

2 delicatesse = bijzondere lekkernij

3 evenredig = in dezelfde verhouding

4 gebaat zijn bij = voordeel hebben van

5 gepaard gaan met = samengaan met

6 innovatief = vernieuwend

7 manipulatie = stiekeme beïnvloeding

8 pasklaar = kant en klaar, direct geschikt

9 proteïne = eiwit

10 textuur = uitwendige structuur

Opdracht 7

1 Verschrikkelijke in zin A zegt iets over het zelfstandig naamwoord ‘sneeuwman’. Het is dus een bijvoeglijk naamwoord.

2 Verschrikkelijk in zin B zegt iets over het werkwoord ‘stinkt’. Het is dus een bijwoord.

3 Die in zin C is een aanwijzend voornaamwoord. Het verwijst naar het zelfstandig naamwoord ‘handbalster’.

4 Wie in zin D is een vragend voornaamwoord. Het is deel van de vraag ‘Wie wordt de nieuwe bondscoach?’

5 Wat in zin E is een onbepaald voornaamwoord. Het verwijst vaag naar iets waar je geen bijzonderheden van kent. Je kunt het vervangen door ‘iets’.

6 Dat in zin F is een betrekkelijk voornaamwoord. Het verwijst terug naar ‘Het boek’.

7 Is in zin G is een zelfstandig werkwoord. Het heeft hier de betekenis ‘bevindt zich’.

8 Is in zin H is een hulpwerkwoord. Het is de persoonsvorm bij het voltooid deelwoord ‘gegaan’.

9 Is in zin I is een koppelwerkwoord. Het koppelt het onderwerp ‘Mijn vader’ aan het zelfstandig naamwoord ‘treinfanaat’.

10 Eigen werk. Hadden jullie dezelfde antwoorden? Zo niet, konden jullie het dan samen eens worden over een antwoord?

Opdracht 8

1 dat = betr. vnw

2 is = kww

3 het = pers. vnw

4 blijft = hww

5 dat = aanw. vnw

6 levensmiddelenmicrobiologie = znw

7 worden = kww

8 het = lw

9 naast = vz

10 Onze = bez. vnw

11 vochtig = bnw

12 Als = ondersch. vw

13 wat = onb. vnw

14 makkelijk = bw

15 sommige = onb. hoofdtelw

16 en = nevensch. vw

17 die = aanw. vnw

18 zich = wederkerend vnw

19 of = nevensch. vw

20 bevat = zww

21 Wat = vr. vnw

Blok 1 Spelling

Opdracht 1

1 a berekend

b overschaduwd, verhuist

c overleed, erfde

d gedoucht, verbaast

e vermoedt, berusten

f oogstte, grensde

g gebeurt, voorspelt

h gescoord, glom

i behandelt, betekent

j gemaaid, gegamed

2 Eigen werk.

Opdracht 2

1 a-b berekend (vdw), overschaduwd (vdw), verhuist (pv), verbaast (pv), vermoedt (pv), gebeurt (pv), voorspelt (pv), behandelt (pv), betekent (pv)

2 a-b Eigen werk, bijvoorbeeld:

– De winkelier berekent (pv) de prijs nog met een rekenmachine.

– Een vervelend griepvirus overschaduwt (pv) de feestelijke heropening van de winkel die onlangs is verhuisd (vdw).

– Zijn overspannen reactie heeft mij wel een beetje verbaasd (vdw).

– Mijn vader heeft altijd al vermoed (vdw) dat zijn beste vriend tegen hem loog.

– Er is precies gebeurd (vdw) wat de onderzoeker heeft voorspeld (vdw).

– De verpleegster die mijn wond heeft behandeld (vdw) heeft veel voor de gemeenschap betekend (vdw).

3 Eigen werk.

Opdracht 3

1 a cactus

b stofmijt

c jou

d rauw

e hartstikke

f eentje

g schrijnend

h eis

2 c, d, f, h

Opdracht 4

Eigen werk, bijvoorbeeld:

1 a – In het kookboek kun je opzoeken hoe je dat gerecht moet bereiden.

– Tijdens de kermis konden de kleinsten ook de pony’s berijden.

b – Toen ik vanmorgen naar school fietste, stond er nog dauw op de weilanden.

– Toen de jongen de conducteur een douw gaf, grepen medereizigers in.

c – Ik had een wild feestje verwacht, maar iedereen zat braaf in een kringetje.

– Wilt u misschien meewerken aan ons buurtonderzoek?

d – Korstjes krab ik meestal gedachteloos los.

– Langs de kust zag ik een grote krab lopen.

– Mijn broek is nu echt te krap geworden.

e – De nieuwe brug was zo steil dat fietsers moesten afstappen.

– Speciaal voor het gala waren alle leerlingen in stijl naar school gekomen.

2 Eigen werk.

Opdracht 7

1 Verschrikkelijke in zin A zegt iets over het zelfstandig naamwoord ‘sneeuwman’. Het is dus een bijvoeglijk naamwoord.

2 Verschrikkelijk in zin B zegt iets over het werkwoord ‘stinkt’. Het is dus een bijwoord.

3 Die in zin C is een aanwijzend voornaamwoord. Het verwijst naar het zelfstandig naamwoord ‘handbalster’.

4 Wie in zin D is een vragend voornaamwoord. Het is deel van de vraag ‘Wie wordt de nieuwe bondscoach?’

5 Wat in zin E is een onbepaald voornaamwoord. Het verwijst vaag naar iets waar je geen bijzonderheden van kent. Je kunt het vervangen door ‘iets’.

6 Dat in zin F is een betrekkelijk voornaamwoord. Het verwijst terug naar ‘Het boek’.

7 Is in zin G is een zelfstandig werkwoord. Het heeft hier de betekenis ‘bevindt zich’.

8 Is in zin H is een hulpwerkwoord. Het is de persoonsvorm bij het voltooid deelwoord ‘gegaan’.

9 Is in zin I is een koppelwerkwoord. Het koppelt het onderwerp ‘Mijn vader’ aan het zelfstandig naamwoord ‘treinfanaat’.

10 Eigen werk. Hadden jullie dezelfde antwoorden? Zo niet, konden jullie het dan samen eens worden over een antwoord?

Opdracht 8

1 dat = betr. vnw

2 is = kww

3 het = pers. vnw

4 blijft = hww

5 dat = aanw. vnw

6 levensmiddelenmicrobiologie = znw

7 worden = kww

8 het = lw

9 naast = vz

10 Onze = bez. vnw

11 vochtig = bnw

12 Als = ondersch. vw

13 wat = onb. vnw

14 makkelijk = bw

15 sommige = onb. hoofdtelw

16 en = nevensch. vw

17 die = aanw. vnw

18 zich = wederkerend vnw

19 of = nevensch. vw

20 bevat = zww

21 Wat = vr. vnw

Opdracht 4

1 Een enkelvoudige zin telt één persoonsvorm, een samengestelde zin telt twee persoonsvormen.

2 Eigen zin, bijvoorbeeld: Terwijl de kitesurfer geïnterviewd werd, verscheen achter hem ineens een haai in beeld.

3 Eigen antwoord, bijvoorbeeld: omdat, als, hoewel, tenzij, toen, zodat, terwijl, doordat, zodra, nadat, enzovoort.

Opdracht 5

1-2 a enkelvoudig

b samengesteld; onderschikkend voegwoord = omdat

Anwar … krukken = hoofdzin

hij … heeft = bijzin

en, want, maar, of = nevenschikkend

alle andere voegwoorden = onderschikkend

c samengesteld; onderschikkend voegwoord = Als

blijkt … gelogen = bijzin

moet … opstappen = hoofdzin

d enkelvoudig

e samengesteld; onderschikkend voegwoord = hoewel

Gym … lievelingsvak = hoofdzin

hij … is = bijzin

f samengesteld; onderschikkend voegwoord = totdat

De … zaak = hoofdzin

het … afgerond = bijzin

g samengesteld; onderschikkend voegwoord = Zodra

de … nagekeken = bijzin

zet … online = hoofdzin

h enkelvoudig

i samengesteld; onderschikkend voegwoord = dat

Hebben … gehoord = hoofdzin

er … wordt = bijzin

enkelvoudig

Opdracht 6

Eigen zinnen, bijvoorbeeld:

1 Ik was vanmorgen te laat op school, doordat ik een lekke band had.

2 Mijn ouders brengen mij overal naartoe, tenzij het meer dan een uur rijden is.

3 We kunnen de bus nog halen als we een beetje opschieten.

4 De schade door de storm viel erg mee, hoewel hij nog wat zwaarder was dan verwacht.

5 Wij mochten van de docent een kwartier eerder weg, zodat we vóór het noodweer thuis konden zijn.

Literatuur en lezer

A Leeropdrachten

1 De leesmotivaties staan in paragraaf 1.1. Ga bij de ordening van de leesmotivaties niet af op één of twee pas gelezen boeken, maar ga uit van de vraag waarom je verhalen leest.

2 Inleving doe je in een personage (je „bent‟ het personage tijdens het lezen als het ware); bij herkenning is er geen sprake van inleving, maar kun jij je de ruimte waarin de gebeurtenissen zich afspelen en de ervaringen van een personage goed voorstellen, bijvoorbeeld door wat je zelf hebt gezien, gehoord, gelezen of meegemaakt.

3 Het effect is de uitwerking van de tekst op jou als lezer, wat de tekst met je doet.

4 Mogelijke effecten: vies, vreemd, spannend, raadselachtig, prachtig, boeiend, geheimzinnig, onsamenhangend, moeilijk, ontoegankelijk, flauw.

5 Mogelijke redenen: verschil in leeftijd, opleiding, maatschappelijke achtergrond, sekse, geaardheid.

6 Een genre is een bepaald soort verhaal of boek, bijvoorbeeld een sprookje of sciencefiction.

7 Verwachtingen ontstaan door (1) wat je over het boek hebt gehoord; (2) genre; (3) titel en omslag; (4) suggesties en vermoedens; (5) interessante of bijzondere personages.

8 Bij een zakelijke tekst klopt de informatie, de tekst is eenduidig; een literaire tekst is meerduidig, de informatie hoeft niet te kloppen.

9 Een open plek is een tekstgedeelte dat onduidelijk is en vragen bij je oproept.

10 Open plekken ontstaan door: (1) informatieachterstand; (2) vermoedens, suggesties en verwachtingen; (3) gedrag van personages; (4) titel.

11 Gesloten einde: alle open plekken zijn ingevuld; open einde: na lezing blijven er open plekken.

12 Bij non-fictie vertrouw je als lezer erop dat de informatie klopt, bij een fictionele tekst bestaat de mogelijkheid dat er wordt afgeweken van de werkelijkheid; zo‟n tekst is geen waarheidsgetrouwe weergave van de werkelijkheid.

13 De Gouden Strop is de prijs voor het beste spannende Nederlandse boek.

Opdracht 5

1-2 a enkelvoudig

b samengesteld; onderschikkend voegwoord = omdat

Anwar … krukken = hoofdzin

hij … heeft = bijzin

c samengesteld; onderschikkend voegwoord = Als

blijkt … gelogen = bijzin

moet … opstappen = hoofdzin

d enkelvoudig

e samengesteld; onderschikkend voegwoord = hoewel

Gym … lievelingsvak = hoofdzin

hij … is = bijzin

f samengesteld; onderschikkend voegwoord = totdat

De … zaak = hoofdzin

het … afgerond = bijzin

g samengesteld; onderschikkend voegwoord = Zodra

de … nagekeken = bijzin

zet … online = hoofdzin

h enkelvoudig

i samengesteld; onderschikkend voegwoord = dat

Hebben … gehoord = hoofdzin

er … wordt = bijzin

j enkelvoudig

Opdracht 6

Eigen zinnen, bijvoorbeeld:

1 Ik was vanmorgen te laat op school, doordat ik een lekke band had.

2 Mijn ouders brengen mij overal naartoe, tenzij het meer dan een uur rijden is.

3 We kunnen de bus nog halen als we een beetje opschieten.

4 De schade door de storm viel erg mee, hoewel hij nog wat zwaarder was dan verwacht.

5 Wij mochten van de docent een kwartier eerder weg, zodat we vóór het

noodweer thuis konden zijn.

1 Over het algemeen = bwb

reageren = wwg

patiënten met die ziekte = ond

met die ziekte = bvb bij ‘patiënten’

goed = bwb

op dit medicijn = vzv

2 Naar aanleiding van jouw verzoek om informatie = bwb

om informatie = bvb bij ‘verzoek’

jouw = bvb bij ‘verzoek’

sturen toe = wwg

we = ond

je = mv

dit pakket = lv

3 Bij het ongeluk op dat gevaarlijke kruispunt = vzv

op dat gevaarlijke kruispunt = bvb bij ‘ongeluk’

gevaarlijke = bvb bij ‘kruispunt’

waren betrokken = nwg

twee auto’s en een scooter = ond

4 Tijdens de wedstrijd = bwb

werd gehesen = wwg

vóór ons = bwb

een jongetje = ond

op de nek van zijn vader = bwb

van zijn vader = bvb bij ‘nek’

zijn = bvb bij ‘vader’

5 Vanavond = bwb

is te gast = nwg

bij ons = bwb

mevrouw El Amrani, deskundige op het gebied van de ruimtevaart = ond

deskundige op het gebied van de ruimtevaart = bijstelling

op het gebied van de ruimtevaart = bvb bij ‘deskundige’

van de ruimtevaart = bvb bij ‘gebied’

6 Ook = bwb

voor vegetariërs = vzv

zijn geschikt = nwg

deze belegde broodjes = ond

belegde = bvb bij ‘broodjes’

in de meeste gevallen = bwb

meeste = bvb bij ‘gevallen’

1 Volgens meteorologen = bwb

bedreigt = wwg

een zeer zware storm = ond

zeer zware = bvb bij ‘storm’

de oostkust van de Verenigde Staten = lv

van de Verenigde Staten = bvb bij ‘oostkust’

2 Vorig weekend = bwb

waren = wwg

wij = ond

op bezoek = bwb

bij familie = bwb

in Winsum, ten noorden van Groningen = bwb

ten noorden van Groningen = bvb bij ‘Winsum’

3 Freek Vonk, de bekende tv-presentator = ond

de bekende tv-presentator = bijstelling

is dol = nwg

net als ik = bwb

op wilde dieren = vzv

wilde = bvb bij ‘dieren’

4 Ons = mv

is beloofd = wwg

voor de herkansing van de rekentoets = bwb

van de rekentoets = bvb bij ‘herkansing’

een stiltelokaal = ond

5 Op de actiedag voor Haïti = bwb

voor Haïti = bvb bij ‘actiedag’

zijn verkocht = wwg

zelfgemaakte schilderijtjes van leerlingen = ond

zelfgemaakte = bvb bij ‘schilderijtjes’

van leerlingen = bvb bij ‘schilderijtjes’

aan ouders en leraren = mv

6 Die pas geopende kledingwinkel = ond

pas geopende = bvb bij ‘kledingwinkel’

schijnt failliet te zijn = nwg

nu = bwb

alweer = bwb

Opdracht 6

1 a Eigen werk, bijvoorbeeld:

– … alsof hij aan een onzichtbaar touw werd meegetrokken … (regel 16-17)

– rondtollend als een lappenpop in een wasmachine. (regel 22-23)

– De volgende golf beukte me als een bulldozer omver. (regel 31)

– … terwijl het water als een fontein uit mijn neus spoot. (regel 50-51)

– … Ned keek ernaar alsof het een kunstwerk was … (regel 93-94)

– toch wiebelde en schommelde het board heen en weer, als een paard dat niet bereden wilde worden. (regel 150-151)

b Bijvoorbeeld:

– Seconden leken wel jaren. (regel 28)

– Mijn lichaam leek wel vloeibaar. (regel 48)

– veranderde het board weer in een nukkig paard. (regel 153-154)

2 a – Meegetrokken worden door een golf wordt vergeleken met meegetrokken worden aan een touw.

– Rond worden gedraaid door de golven wordt vergeleken met het rondtollen van een lappenpop in een wasmachine.

– Een golf wordt vergeleken met een duwende bulldozer.

– Water dat uit een neus spuit, wordt vergeleken met een fontein.

– Iemand die met speciale kleding is aangekleed, wordt vergeleken met een kunstwerk.

– Een surfplank wordt vergeleken met een paard dat geen ruiter op zijn rug wil.

b – Seconden worden vergeleken met jaren.

– Een lichaam wordt vergeleken met een vloeistof.

– Een surfplank wordt vergeleken met een paard dat geen ruiter op zijn rug wil.

3 a metafoor

b vergelijking zonder als

c vergelijking met als

d vergelijking met als

e metafoor

Credits:

Created with images by ReadyElements - "answer arranged arrangement" • Wetsun - "Stop" • Luis Alvarez Marra - "Stop" • Bethany Legg - "Stop sign on asphalt" • CellarDoor85 - "London - East End" • FunGi_ (Trading) - "FIVE" • 3194556 - "puppy dog pet animal cute white adorable" • Cherise Abonwood - "Nice Ride" • infopaul70 - "gate to haven" • Bethany Legg - "Stop sign on asphalt" • PublicDomainPictures - "lumber wood background" • Elisha Terada - "Wine corks in a basket" • CasparGirl - "Stop sign" • bradleygee - "Stop Sign" • PublicDomainPictures - "lumber wood background" • Bess-Hamiti - "tree sunset amazing" • lwm-media - "Nice" • MichaelGaida - "figure fair adler" • Elijah O'Donell - "GIRL VIEW IN CAMERA" • Capri23auto - "chicken hen poultry" • darkmoon1968 - "menu pizza pasta" • chudo.sveta - "bike" • Kevin Schmid - "Excited about life" • andyarthur - "Trees" • DreamSailors - "Mossy Tree"

Report Abuse

If you feel that this video content violates the Adobe Terms of Use, you may report this content by filling out this quick form.

To report a Copyright Violation, please follow Section 17 in the Terms of Use.