'Dit was oorlogsgebied' Militair hospitaal draaide op volle toeren

Het Militair Hospitaal Koningin Astrid, tot voor kort met sluiten bedreigd, speelde een sleutelrol op de dag van de aanslagen. De urgentieploegen waren als eerste ter plaatse op de luchthaven en in het ziekenhuis werden die dag 93 slachtoffers binnengebracht. BRUZZ sprak met vier protagonisten.

We zijn heel bang geweest op de luchthaven

- Luc Orlans, hoofdverpleegkundige interventiedienst

LUC ORLANS. "Volgens de ambulancier waren mijn eerste woorden: 'Oh putain.'" © Saskia Vanderstichele

Ik stond om 8.02u toevallig op de dispatching toen het telefoontje binnenkwam. De 100-centrale van Leuven meldde, op een hele laconieke toon, dat er twee bommen ontploft waren op de luchthaven. Door die toon dacht ik eerst nog dat het een oefening was. “Neen, mijnheer, het is echt,” zei de telefoniste. Het Militair Hospitaal heeft de medische verantwoordelijkheid bij rampen op Zaventem. Ik heb dan ook meteen twee mugs en een ziekenwagen uitgestuurd.

Zelf ben ik naar de directieverdieping gerend met de vraag om het ziekenhuis klaar te maken voor een grote toevloed aan slachtoffers. Achteraf bekeken een goede beslissing.

Vervolgens ben ik zelf ook naar de luchthaven gegaan. Ik was er om halfnegen. Het was een complete chaos. Overal liepen mensen kriskras door mekaar, slachtoffers lagen op de stoep of sleepten zich naar de Sheraton aan de overkant. Volgens de ambulancier waren mijn eerste woorden: ‘Oh putain.’ Ik herinner het mij niet meer. Achteraf ben je hele stukken uit de film kwijt.

Je eerste reflex is natuurlijk om mensen te verzorgen. Maar samen met de hoofdgeneesheer moest ik de leiding nemen. Hij was Dir Med, ik adjunct Dir Med. Zo stond het ook op het hesje dat we droegen. Als je dan zelf gaat verzorgen, ben je verloren. Je moet afstand nemen, structuur aanbrengen in de chaos.

In eerste instantie moest ik vooral taken uitdelen. En bepalen waar de VMP zou komen, de Voorwaartse Medische Post. Dat is een veilige plek waar de slachtoffers verzameld worden en de eerste zorgen krijgen toegediend. De vaste VMP van het rampenplan lag op drie à vier kilometer van de vertrekhal, veel te ver. Daarom hebben we een vlakbij gelegen brandweerpost gebruikt.

In de VMP worden de slachtoffers getrieerd. Elkeen krijgt een kaart om: zwart staat voor overleden, rood is ernstig gekwetst en hoogdringend, geel is minder dringend en groen is licht gekwetst. Aan de uitgang van de VMP staat een regulator die beslist naar welk ziekenhuis iedereen gaat.

Daarvoor moet je dus allemaal mensen aanduiden. Er moet ook iemand zijn die de ziekenhuizen waarschuwt en iemand die zorgt dat de ambulances netjes geparkeerd staan zodat het niet nog een grotere chaos wordt.

Ervaring

Je moet natuurlijk kijken wie je aanwijst. De chef van de VMP moest een ervaren iemand zijn. Gelukkig hebben wij mensen die regelmatig op missie gaan in Irak of Afghanistan.

Al vlug bleek onze medische post overspoeld door slachtoffers. Bovendien zaten we in angst te werken. Er werd van alles omgeroepen: er was nog een derde bom, die niet ontploft was en zogezegd was er ook een bomauto. Ook zagen we schutters op het dak, maar op dat moment wisten we niet dat het federale politie was.

We moesten daar dus weg met de slachtoffers. Een groot deel hebben we naar hier gebracht. Alle lichtgewonden, de walking wounded, werden in een bus naar Heembeek gestuurd. Ik wist dat alles daar klaar stond. De zwaardere patiënten werden verdeeld over verschillende ziekenhuizen.

Om halftwaalf waren alle slachtoffers weg van de luchthaven. Ik ben teruggekeerd naar het Militair Hospitaal en heb meegeholpen tot een uur of vijf. Toen kregen we een oproep dat de politie een inval zou doen in het appartement van de bommenmakers in Schaarbeek. Tot middernacht hebben we daar met een interventieploeg gestaan.

Om halfeen was ik terug in het ziekenhuis en ben ik naar huis gegaan. Ik heb de tv aangezet en ben beginnen te blèten als een kind. Tien minuten lang, toen was het van mij af.

Ik werk 26 jaar in het Militair Hospitaal. Wat we die dag gezien hebben, afgerukte ledematen bijvoorbeeld, maken wij als burgerverpleegkundigen in onze normale mugcarrière misschien drie keer mee. Dit was oorlogsgebied.

Patiënten waren opvallend rustig.

- Ludwig De Lange, mug-verpleegkundige

Ludwig De Lange © Saskia Vanderstichele.

Het ziekenhuis was die dag opgedeeld in drie zones. De zwaargewonden, met brandwonden, werden naar het brandwondencentrum op de vijfde verdieping gebracht. Voor de minder dringende zwaargewonden was er beneden een ruimte in gereedheid gebracht. En in de grote inkomhal stonden de bedjes klaar voor de lichtgewonden. Daar had ik de leiding.

Op een gegeven moment kreeg ik telefoon van mijn collega Luc in Zaventem: ‘Ik stuur nu een bus met 45 lichtgewonden.’ Het bleek te onveilig om hen in Zaventem de eerste zorgen toe te dienen.

Vijfenveertig patiënten in één klap is heel veel: er moesten wonden worden verzorgd, röntgenfoto’s en scans worden gemaakt, tetanusinjecties toegediend. Ik was de spelverdeler, moest iedereen aansturen. Gelukkig was er voldoende personeel. Omdat de aanslag om acht uur ‘s morgens gebeurde, waren zowel de nacht- als de dagploegen aanwezig. Voorts was er hulp van buitenaf, studenten in opleiding, gepensioneerden.

Ook aan materiaal hadden we geen gebrek: de apothekers hadden een soort grot van Ali Baba geopend en de rest kregen we van Artsen zonder Grenzen.

Wat opviel was dat de patiënten zo rustig en meegaand waren. Tijdens onze rampoefeningen zijn de patiënten altijd luid aan het roepen.

Om halfzes was het gelijkvloers leeg, de patiënten hadden een bed bij ons in het brandwondencentrum of waren naar een ander ziekenhuis gebracht.

We kregen die dag 93 patiënten over de vloer. Het was van de Heizelramp geleden dat we nog zoiets ernstigs hadden meegemaakt.

Ik ben ‘s avonds thuisgekomen en ben als een blok in slaap gevallen. ‘s Nacht om vier uur werd ik wakker van de pijn in mijn armen en benen. Wellicht van de stress, en omdat ik zo rondgekoerst had.

Achttien baden, elke dag opnieuw

- Kolonel Serge Jennes, anesthesist en hoofd brandwondencentrum

Kolonel Serge Jennes © Saskia Vanderstichele

Ik had die week eigenlijk vakantie. Toen ik hier aankwam, om kwart over negen, was er net een meisje van zeventien binnengebracht. Ze had brandwonden, een gescheurde milt en lever, een dubbele maagperforatie en breuken aan de onderbenen. Ze was aan het doodgaan. We hebben haar meteen geopereerd.

Alle patiënten die die dag binnenkwamen op onze afdeling hadden brandwonden, maar de meeste hadden ook shrapnelletsels en trommelvliesperforaties door de schokgolf. Sommigen hadden ook oogletsels opgelopen door het rondvliegende metaal.

De shrapnelverwondingen waren schokkend. Nochtans zijn we wel iets gewoon. Op missie in Kandahar krijg je het honderd keer te zien. Maar dat dit zo dichtbij gebeurde, was verbijsterend.

Achttien patiënten zijn die dag opgenomen op onze afdeling. Het waren zowel slachtoffers van Zaventem als van Maalbeek. Onder hen volwassenen en kinderen en mensen van alle nationaliteiten. Zo hadden we drie Amerikaanse missionarissen uit Salt Lake City. Een van hen was onze eerste patiënt die mocht vertrekken. Dat was na een week. De laatste is eind mei vertrokken.

Tot die tijd hebben we keihard gewerkt. De wonden van brandwondenpatiënten moeten dagelijks gereinigd worden. Dat betekent verband weghalen, wassen met water en zeep, uitdrogen, ontsmetten, insmeren met zalf en een nieuw verband aanbrengen.

De patiënt, meestal onder narcose, ligt boven een bad. In de kamer is het vochtig en meer dan dertig graden. De hele behandeling kan twee uur duren.

In het begin waren dat dus elke dag achttien baden. Loodzwaar. Die eerste maand hebben we continu doorgewerkt, zonder één dag vakantie.

Ook de keuken moet meedraaien

- Kolonel Guy Borgers, Directeur Militair Hospitaal

Wij hebben die dag vooral als buffer gefungeerd om de eerste slag op te vangen. Dat gaf de andere ziekenhuizen en hulpverleningsdiensten de tijd om zich te organiseren.

Toen ik ‘s ochtends gebeld werd, heb ik meteen het rampenplan in werking gesteld en de consultaties stopgezet. Iedereen die beschikbaar was, moest zich klaar houden. Ondertussen waren er al medische ploegen naar Zaventem. Wij zijn immers verantwoordelijk voor de medische hulpverlening in de luchthaven.

Ik ben die dag verder alleen bezig geweest met beslissingen nemen. De opvang van de slachtoffers en van de families vergde heel wat coördinatie. Je moet ervoor zorgen dat de stocks in de apotheek aangevuld blijven, dat de families de eerste psychologische bijstand krijgen en dat de keuken op volle toeren draait, zodat er koffie, soep en broodjes zijn voor iedereen.

In de namiddag waren alle gekwetsten weg uit de inkomhal. Maar toen begon het pas: ambassades, de pers, mijn telefoon stond roodgloeiend. Ook moest de kelder in gereedheid gebracht worden voor de komst van DVI (Disaster Victim Identification). De dodelijke slachtoffers van Maalbeek en de drie dode terroristen waren immers naar hier overgebracht.

‘s Anderendaags was er dan het bezoek van de koning en koningin en van de Franse premier Valls. Die mochten volgens het protocol niet op hetzelfde moment komen, maar dat is uiteindelijk toch gebeurd.

Kolonel Guy Borgers © Saskia Vanderstichele

Tekst: Bettina Hubo & Foto's: Saskia Vanderstichele

Made with Adobe Slate

Make your words and images move.

Get Slate

Report Abuse

If you feel that this video content violates the Adobe Terms of Use, you may report this content by filling out this quick form.

To report a Copyright Violation, please follow Section 17 in the Terms of Use.